Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:998

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
201505220/1/A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend van het bestemmingsplan voor het gebruik van het pand op het perceel [locatie] te Simpelveld (hierna: het perceel) als mortuarium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505220/1/A1.

Datum uitspraak: 13 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante] handelend onder de naam Friture Oranjeplein, wonend te Heerlen, (hierna: Friture Oranjeplein),

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend van het bestemmingsplan voor het gebruik van het pand op het perceel [locatie] te Simpelveld (hierna: het perceel) als mortuarium.

Bij besluit van 22 mei 2008 heeft het college [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het verbouwen van de in het pand op het perceel gevestigde drukkerij tot mortuarium.

Bij besluit van 3 mei 2011 heeft het college het door Friture Oranjeplein tegen deze besluiten gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en ontheffing krachtens artikel 2.5.30 van de bouwverordening van de gemeente Simpelveld (hierna: de bouwverordening) verleend.

Bij uitspraak van 5 augustus 2013 heeft de rechtbank het door

Friture Oranjeplein daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 mei 2011 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 juni 2014 in zaak nr. 201308584/1/A1 heeft de Afdeling het door Friture Oranjeplein daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 5 augustus 2013 vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar van 3 mei 2011 in stand zijn gelaten en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit op het bezwaar van Friture Oranjeplein slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 26 mei 2015 heeft het college het door Friture Oranjeplein gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard, op grond van artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de bouwverordening van de gemeente Simpelveld ontheffing verleend van het eerste lid van dat artikel en de besluiten van 2 november 2007 en 22 mei 2008 in stand gelaten.

Tegen dit besluit heeft Friture Oranjeplein beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Friture Oranjeplein heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2016, waar Friture Oranjeplein, bijgestaan door mr. F.Y. Gans, en het college, vertegenwoordigd door ing. J.S.H. Meisen en mr. C.M.J. Spierts, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Het inmiddels gerealiseerde bouwplan voorziet in het dichtmaken van gevelopeningen in de zijgevel van het pand op het perceel ten behoeve van het gebruik als mortuarium. Het pand was voorheen in gebruik als drukkerij. Het mortuarium is door de week geopend van 18.00 tot 18.30 uur en op zaterdag van 17.00 tot 17.30 uur. Op de bij het bouwplan behorende bouwtekeningen zijn geen parkeerplaatsen op het perceel ingetekend. In de uitspraak van 18 juni 2014 heeft de Afdeling overwogen dat het college ter zitting onweersproken heeft gesteld dat op het perceel parkeergelegenheid is gecreëerd voor, afhankelijk van de wijze van parkeren, twee tot drie auto’s. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan niet voorziet in realisering van voldoende parkeerplaatsen op het perceel. Friture Oranjeplein exploiteert in het naastgelegen pand Oranjeplein 1A een frituurzaak/cafetaria.

Het wettelijk kader

2. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort.

Ingevolge het vierde lid kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid:

a. indien het voldoen aan die bepaling door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b. voor zover op andere wijze in de benodigde parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

De uitspraken van de rechtbank en de Afdeling met betrekking tot het besluit van 3 mei 2011

3. De rechtbank heeft in de uitspraak van 5 augustus 2013 overwogen dat het college, door in het besluit op bezwaar het standpunt in te nemen dat er voldoende parkeergelegenheid in de nabije omgeving van het mortuarium is, zeker nu het Oranjeplein en de Stationstraat opnieuw zijn ingericht en daar aanvullende parkeerplaatsen zijn gerealiseerd, toepassing heeft gegeven aan artikel 2.5.30, vierde lid, onder b, van de bouwverordening. Naar het oordeel van de rechtbank kan dat besluit wegens de ontoereikende motivering daarvan niet in stand blijven.

De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar bij de uitspraak van 5 augustus 2013 in stand gelaten. Zij heeft daartoe overwogen dat het college in zijn verweerschrift in beroep het standpunt heeft ingenomen dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, onder a, vanwege het belang van de vestiging van een mortuarium in de gemeente Simpelveld en de passende locatie daarvoor nabij kerk, kerkhof en bushalte. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat het volgens het college onevenredig bezwarend is om van [vergunninghouder] meer parkeerplaatsen op het perceel te eisen dan hij reeds heeft gerealiseerd om te voorzien in het kortdurend gebruik van het mortuarium.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 18 juni 2014 overwogen dat, nu het college geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel van de rechtbank dat het besluit van 3 mei 2011 waarbij ontheffing met toepassing van artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, is verleend, ontoereikend is gemotiveerd, in het vervolg van de procedure wordt uitgegaan van de juistheid van de aan de vernietiging van het besluit op bezwaar ten grondslag gelegde overwegingen. De Afdeling heeft voorts overwogen dat rechtbank echter niet heeft onderkend dat het college niet draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom het krachtens artikel 2.5.30, vierde lid, onder a, bevoegd is ontheffing te verlenen van de verplichting om op het perceel voldoende parkeergelegenheid te realiseren. De gestelde noodzaak van een mortuarium in de gemeente Simpelveld en de passende locatie nabij kerk, kerkhof en bushalte zijn geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in die bepaling. Dat de bezoeken aan het mortuarium maar van korte duur zijn, is evenmin een zodanige bijzondere omstandigheid. Deze omstandigheden brengen niet mee dat het realiseren van voldoende parkeergelegenheid op eigen perceel op overwegende bezwaren stuit. In de nadere motivering van het college in zijn verweerschrift in beroep heeft de rechtbank derhalve ten onrechte aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand te laten. Om die reden heeft de Afdeling het door Friture Oranjeplein ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 5 augustus 2013 vernietigd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar van 3 mei 2011 in stand zijn gelaten en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit op het bezwaar van Friture Oranjeplein slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

Het nieuwe besluit op bezwaar

4. Het college heeft zich in het besluit van 26 mei 2015, onder verwijzing naar het rapport "Advies parkeervoorzieningen Mortuarium Simpelveld, Gemeente Simpelveld" van adviesbureau Plangroep Heggen B.V. van 11 mei 2015, op het standpunt gesteld dat op andere wijze in de benodigde parkeerruimte wordt voorzien en heeft met toepassing van artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de bouwverordening ontheffing verleend van artikel 2.5.30, eerste lid.

Beoordeling beroepsgrond

5. Friture Oranjeplein betoogt dat het college met het besluit van 26 mei 2015 niet heeft voldaan aan de uitspraak van de Afdeling. Daartoe voert zij aan dat opnieuw een ontheffing op grond van artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening is verleend zonder dat daar een deugdelijke motivering aan ten grondslag ligt. Het college was volgens Friture Oranjeplein niet bevoegd om deze ontheffing te verlenen, nu niet op andere wijze in de benodigde parkeerruimte wordt voorzien. Het rapport van Plangroep Heggen is onzorgvuldig tot stand gekomen en bevat onjuiste conclusies, zodat het college dit niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen, aldus Friture Oranjeplein.

5.1. Het college heeft zich, onder verwijzing naar het rapport van Plangroep Heggen, op het standpunt gesteld dat de parkeerbehoefte vanwege het mortuarium gemiddeld ongeveer 6 parkeerplaatsen per openingsdag bedraagt. Wanneer alle opbaarplaatsen in gebruik zijn zal de totale parkeerbehoefte ongeveer 10 parkeerplaatsen per openingsdag bedragen. Volgens het college zijn er 3 parkeerplaatsen op het eigen terrein aanwezig. Het college heeft er op gewezen dat als voorwaarde aan de omgevingsvergunning is verbonden dat er markeringen op het perceel worden aangebracht ten behoeve van een duidelijke ruimteverdeling. Verder volgt uit de inventarisatie van de parkeerplaatsen in het openbaar gebied volgens het college dat er binnen een loopafstand van 100 meter 27 parkeerplaatsen zijn en voorts voldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd op de Markt, met een loopafstand van ongeveer 370 meter, en het Kloosterplein, op een loopafstand van ongeveer 250 m.

5.2. Het door Friture Oranjeplein aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat het college de parkeerbehoefte als gevolg van het mortuarium niet juist heeft berekend. In het rapport van Plangroep Heggen is uiteengezet dat de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV) van het CROW, kenniscentrum voor verkeer, vervoer en infrastructuur geen parkeernorm kennen voor mortuaria. In het rapport is voorts uiteengezet dat niet is aangesloten bij de parkeernorm voor begraafplaatsen die in de ASVV is opgenomen, nu opbaringen in de regel slechts bezocht worden door directe familie en vrienden en deze personen verspreid over verschillende tijdstippen het mortuarium bezoeken. Om die reden is er een maatwerkparkeernorm gehanteerd. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat circa een derde van de bezoekers van een begrafenis ook in het mortuarium afscheid wenst te nemen van de overledene en per opbaarplaats, gelet op de parkeernorm van 36 parkeerplaatsen per begrafenisplechtigheid, rekening dient te worden gehouden met in totaal 12 parkeerplaatsen. Rekening houdend met een gemiddelde opbaarperiode van 6 dagen betekent dit volgens het rapport een gemiddelde parkeervraag van 2 parkeerplaatsen per opbaarplaats per dag. Daarbij is opgemerkt dat deze parkeervraag zich beperkt tot een zeer korte periode per dag, aangezien het mortuarium slechts een half uur per dag geopend is. Uitgaande van voorgaande uitgangspunten is in het rapport van Plangroep Heggen een gemiddelde parkeernorm berekend van 6 parkeerplaatsen per openingsdag, waarbij is uitgegaan van een gemiddelde gelijktijdige bezetting van 3 opbaarplaatsen, en een maximale parkeernorm van 10 parkeerplaatsen, waarbij is uitgegaan van het gelijktijdig in gebruik zijn van alle 5 opbaarplaatsen.

Voor het oordeel dat, zoals Friture Oranjeplein betoogt, het college bij het berekenen van de parkeervraag ten onrechte van een theoretische situatie is uitgegaan, geen maatwerkparkeernorm heeft mogen hanteren en uitsluitend praktijkwaarnemingen had mogen gebruiken bestaat geen grond. Voor zover Friture Oranjeplein voorts betoogt dat niet het aantal overledenen leidend is, maar het aantal bezoekers, wordt overwogen dat het aantal bezoekers samenhangt met het aantal overledenen en het aantal bezoekers bij het vaststellen van de maatwerknorm dan ook is meegenomen. Voor het oordeel dat, zoals Friture Oranjeplein betoogt, het college bij de berekening van de maatwerkparkeernorm ten onrechte als uitgangspunt heeft genomen dat circa een derde van de bezoekers van een begrafenis ook in het mortuarium afscheid wenst te nemen van de overledene bestaat geen grond. De enkele stelling dat het om meer dan een derde gaat en dit uit eerdere procedures naar voren is gekomen, is daarvoor onvoldoende.

Friture Oranjeplein wordt voorts niet gevolgd in haar betoog dat ten onrechte is uitgegaan van een gemiddeld aantal opgebaarde overledenen van 10 per maand, nu in het rapport van Plangroep Heggen bij de berekening van de gemiddelde parkeernorm van drie parkeerplaatsen zekerheidshalve van een gemiddelde van 15 opgebaarde overledenen per maand is uitgegaan, zodat de gemiddelde bezetting niet wordt onderschat. Voor zover Friture Oranjeplein betwist dat slechts enkele keren per jaar alle opbaarplaatsen tegelijktijdig in gebruik zijn en zij aanvoert dat sprake is van een structurele parkeerbehoefte van minimaal 10 parkeerplaatsen, wordt overwogen dat het standpunt van het college is gebaseerd op door het mortuarium verstrekte gegevens. Friture Oranjeplein heeft haar stelling niet met stukken onderbouwd zodat het door haar aangevoerde geen grond biedt voor het oordeel dat het college zich niet op deze gegevens heeft mogen baseren. Friture Oranjeplein voert verder aan dat niet alleen sprake is van bezoek aan het mortuarium, omdat er voorafgaand daaraan en gecombineerd daarmee kerkdiensten door de bezoekers van het mortuarium worden bijgewoond. De vraag die hier voorligt is evenwel de parkeerbehoefte vanwege het mortuarium. Dat een bezoek aan het mortuarium wordt gecombineerd met een kerkbezoek heeft uitsluitend gevolg voor de duur van het parkeren en niet voor het aantal benodigde parkeerplaatsen vanwege het mortuarium.

5.3. Het door Friture Oranjeplein aangevoerde biedt voorts geen grond voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in de benodigde parkeerruimte van 6 tot 10 parkeerplaatsen kan worden voorzien, gelet op de op het perceel en in de directe omgeving van het perceel aanwezige parkeerplaatsen.

Vast staat dat op het perceel in ieder geval 2 voor bezoekers van het mortuarium beschikbare parkeerplaatsen zijn gerealiseerd. Het is niet gebleken dat, zoals Friture Oranjeplein stelt, deze parkeerplaatsen tijdens de openingsuren van het mortuarium niet beschikbaar zijn, omdat deze parkeerplaatsen worden verhuurd.

Met betrekking tot de 4 tot 8 benodigde parkeerplaatsen in de omgeving is in het rapport van Plangroep Heggen uiteengezet dat er binnen een straal van 100 m van het perceel 27 parkeerplaatsen zijn gelegen. Bij het rapport van Plangroep Heggen is een tekening gevoegd waarop de 27 parkeerplaatsen zijn ingetekend. Voor het oordeel dat, zoals Friture Oranjeplein betoogt, dit aantal onjuist is bestaat geen grond. De stelling dat een foto van de situatie ter plaatse ontbreekt is daarvoor onvoldoende. Dat geldt ook voor de enkele stelling dat er geen 5, maar 2 parkeerplaatsen zijn gerealiseerd voor de woningen Oranjeplein 14 en 15. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het college niet 5, maar 3 parkeerplaatsen voor de woningen Oranjeplein 14 en 15 bij het aantal van 27 heeft betrokken, nu de 2 overige parkeerplaatsen zijn gelegen buiten de straal van 100 m.

In het rapport van Plangroep Heggen is voorts uiteengezet dat uit de tellingen op 4, 6 en 7 mei 2015 die zijn gedaan in het kader van het opstellen van het rapport, blijkt dat tijdens de periode dat het mortuarium geopend was en 3 opbaarplaatsen in gebruik waren, van de 27 parkeerplaatsen steeds 21 parkeerplaatsen bezet waren. Daaruit volgt dat binnen een straal van 100 m bij een gemiddelde bezetting van het mortuarium nog 6 parkeerplaatsen beschikbaar waren. Voor het oordeel dat het college deze bevindingen niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen bestaat geen grond. Vooropgesteld zij dat Friture Oranjeplein de parkeertellingen door Plangroep Heggen niet heeft bestreden met een eigen deskundigenonderzoek. Voor zover zij aanvoert dat zij zelf nog geen onderzoek heeft kunnen laten uitvoeren in verband met werkzaamheden in de Dorpsstraat en op het Oranjeplein, wordt zij hierin niet gevolgd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de werkzaamheden, naar tussen partijen niet in geschil is, in ieder geval sinds november 2015 zijn afgerond en het crematorium bovendien al zeven jaar in gebruik is. Voor het oordeel dat, zoals Friture Oranjeplein betoogt, de parkeertellingen niet hebben plaatsgevonden bestaat evenmin grond. De enkele stelling dat Friture Oranjeplein niemand heeft gezien die de parkeertellingen heeft uitgevoerd is daarvoor onvoldoende. Voor zover Friture Oranjeplein in dit kader stelt dat gedurende twee dagen, in verband met de 4 mei-herdenking, de straten rondom het perceel volledig waren afgezet, waaruit volgens haar volgt dat van een onderzoek geen sprake kan zijn geweest, heeft het college zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat alleen op 4 mei het weggedeelte ten hoogte van Oranjeplein 12 tot 15 van 18:00 tot 20:00 wordt afgesloten, maar daarvan ten tijde van de parkeertelling op 4 mei 2015 om 18:05 uur nog geen sprake was, hetgeen ook blijkt uit de omstandigheid dat het rapport van Plangroep Heggen daarvan geen melding maakt, en bovendien op de parkeerplaatsen auto’s geparkeerd stonden, zodat deze ook niet bij de vaststelling van de voor bezoekers van het mortuarium beschikbare parkeerplaatsen zijn meegenomen. Friture Oranjeplein wordt voorts niet gevolgd voor zover zij aanvoert dat niet duidelijk is op welke plaatsen de parkeertellingen hebben plaatsgevonden. Uit de bij het rapport van Plangroep Heggen gevoegde tekeningen kan worden afgeleid dat dit het gebied binnen een straal van 100 m van het mortuarium betreft. De enkele omstandigheid dat, zoals Friture Oranjeplein aanvoert, de tellingen in een vakantieperiode hebben plaatsgevonden en daarom niet op een representatieve periode zien, biedt verder onvoldoende grond voor het oordeel dat het college zich niet op de conclusies in het rapport heeft mogen baseren. Het is niet gebleken dat als gevolg van de meivakantie de parkeerdruk in de omgeving zodanig was afgenomen dat de conclusies van het rapport van Plangroep Heggen onbruikbaar zijn. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het college er op heeft gewezen dat ook gesteld zou kunnen worden dat het juist drukker was in die periode, gelet op de omstandigheid dat het meivakantie was. Bovendien heeft het college voldoende gemotiveerd waarom de parkeertellingen op 4, 6 en 7 mei 2015 hebben plaatsgevonden, nu Friture Oranjeplein het college op 27 april 2015 in gebreke heeft gesteld met betrekking tot het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar en het uitgangspunt bij het onderzoek was dat de parkeertellingen, voor een reëel beeld van de parkeerdruk, alleen zouden worden uitgevoerd als minimaal 3 personen zouden zijn opgebaard en zich een representatieve bedrijfssituatie voordeed, en daar ten tijde van de parkeertellingen sprake van was. Friture Oranjeplein stelt verder dat de toegankelijkheid van het Oranjeplein en de Dorpsstraat ten tijde van de parkeertellingen in verband met werkzaamheden in de Dorpsstraat en op het Oranjeplein ernstig was beperkt zodat geen sprake kan zijn van een gedegen onderzoek. Het college heeft evenwel voldoende gemotiveerd dat de herinrichting van de Dorpsstraat en het Oranjeplein pas op 27 mei 2015 is gestart en op die dag wegafzettingen zijn geplaatst. Voor zover voor die datum reeds met werkzaamheden aan kabels en leidingen in de Dorpsstraat was begonnen is niet gebleken dat daardoor het Oranjeplein en de Dorpsstraat niet bereikbaar waren ten tijde van de parkeertellingen. Aan de door Friture Oranjeplein in dit kader overgelegde foto’s komt in dit kader niet die betekenis toe die zij daaraan gehecht wenst te zien, alleen al omdat niet duidelijk is wanneer deze zijn genomen.

Met betrekking tot het betoog van Friture Oranjeplein dat de parkeergelegenheid die is gerealiseerd op de Markt, op een loopafstand van ongeveer 370 meter, en het Kloosterplein, op een loopafstand van ongeveer 250 m, niet op acceptabele loopafstand van het mortuarium zijn gelegen zodat het niet om alternatieve parkeerplaatsen gaat, wordt overwogen dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat deze parkeerplaatsen in het rapport van Plangroep Heggen niet als parkeergelegenheid op aanvaardbare loopafstand zijn meegenomen, maar dat melding is gemaakt van deze parkeergelegenheden omdat die bij grote drukte incidenteel de parkeerdruk kunnen opvangen.

Uit het voorgaande volgt dat het college afdoende heeft gemotiveerd dat in de omgeving in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en derhalve op andere wijze in de benodigde parkeerruimte kan worden voorzien, als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de bouwverordening, en de realisatie van het mortuarium niet tot onaanvaardbare parkeerhinder heeft geleid of zal leiden.

Het betoog faalt.

6. Friture Oranjeplein heeft ter zitting het verzoek aan de Afdeling om de hoogte van de verbeurde dwangsommen in verband met het niet tijdig nemen van het besluit van 26 mei 2015 vast te stellen, ingetrokken.

7. Het beroep tegen het besluit van 26 mei 2015 is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep tegen het besluit van 26 mei 2015 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Slump w.g. Kos

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2016

580.