Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:988

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
201409629/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:7143, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 november 2013 heeft het college [appellante] onder oplegging van bestuursdwang gelast om binnen twaalf weken na verzending van dat besluit de daarin genoemde maatregelen te nemen op het perceel [locatie 1] te Sint-Michielsgestel (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2016/90 met annotatie van J.W. van Zundert
JOM 2016/300
JOM 2016/308
JOM 2016/294
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409629/1/A1.

Datum uitspraak: 13 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 november 2014 in zaak nr. 14/1694 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel.

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2013 heeft het college [appellante] onder oplegging van bestuursdwang gelast om binnen twaalf weken na verzending van dat besluit de daarin genoemde maatregelen te nemen op het perceel [locatie 1] te Sint-Michielsgestel (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 april 2014 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het het bouwen van de paardenstal in afwijking van de vergunning van 8 augustus 1989 betreft, het bezwaar verder ongegrond verklaard, en het besluit onder aanpassing van de motivering voor het overige in stand gelaten.

Bij uitspraak van 25 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak, gelijktijdig met de zaak nrs. 201500110/1/A1 en 201503054/1/A1, ter zitting behandeld op 25 september 2015, waar [appellante], bijgestaan door ir. C.J.H. van Hillo, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.G. Grigorjan, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar [belanghebbende A] en [belanghebbende B] gehoord.

Overwegingen

1. Het college heeft bij het in bezwaar gehandhaafde besluit handhavend opgetreden tegen een erfafscheiding, twee bouwwerken in de vorm van een overkapping voor houtopslag en een zogenoemde pipowagen op het perceel, de (buiten)opslag van materialen, alsmede tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de voormalige paardenstal en de daarin gerealiseerde (woon)voorzieningen op het perceel. Deze voorzieningen betreffen een douche(ruimte), een gootsteen, een aangesloten waterboiler, een gasstel, een radiator, een grote waterboiler waarvan de waterleidingen zijn aangesloten en een grote hoge stenen kachel (oven).

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college bevoegd was ter zake handhavend op te treden, nu de bouwwerken op het perceel zonder daartoe vereiste omgevingsvergunning zijn opgericht en [appellante] verder het perceel en de daarop aanwezige bouwwerken in strijd met de daarop rustende agrarische bestemming gebruikt.

Het hoger beroep met betrekking tot de erfafscheiding

3. [ appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden tegen de erfafscheiding op haar perceel. Zij voert daartoe aan dat zij deze reeds op 25 augustus 2013, naar aanleiding van het haar op 19 juli 2013 toegezonden schriftelijke voornemen tot handhaving, heeft verlaagd tot 2 m, respectievelijk 1.80 m, gemeten vanaf haar perceel. Vóór de voorgevellijn is de erfafscheiding op die datum reeds geheel verwijderd, zodat het besluit van 13 november 2013 ten onrechte mede op de erfafscheiding ziet, aldus [appellante].

3.1. [appellante] is gelast de erfafscheiding te verlagen tot 2 m, en voor de voorgevellijn tot 1 m, of deze geheel te verwijderen en verwijderd te houden.

3.2. De rechtbank heeft met betrekking tot de erfafscheiding terecht overwogen dat het voldoen aan een last, op zichzelf geen omstandigheid is die tot herroeping van het primaire besluit moet leiden. Dit oordeel is juist, ingeval binnen de begunstigingstermijn of daarna, alsnog aan een last wordt voldaan.

Een bestuursrechtelijke sanctie kan echter eerst worden opgelegd, als feitelijk door het bevoegde gezag een overtreding is geconstateerd.

[appellante] heeft in haar zienswijzenbrief van 1 augustus 2013 vermeld dat zij de erfafscheiding terug zal brengen naar de maximaal toegestane hoogte. In beroep en in hoger beroep heeft zij vermeld dat zij dit op 25 augustus 2013 heeft gedaan, zoals haar in het voornemen tot handhaving was opgedragen.

Het college verwijst voor de vaststelling van de overtreding wat betreft de erfafscheiding naar controlerapporten van 13 september en 4 oktober 2013. Het rapport van 13 september 2013 bevindt zich niet onder de gedingstukken. Het rapport van 4 oktober 2013 vermeldt over de erfafscheiding alleen: "Ik zag dat de schutting ter hoogte van de opstal iets lager is dan de overige schutting". Er blijkt uit dit rapport niet dat de hoogte van de erfafscheiding op die datum is opgemeten.

Dit leidt de Afdeling tot het oordeel dat de overtreding met betrekking tot de erfafscheiding niet op deugdelijke wijze is vastgesteld, zodat de last daarop ten onrechte ziet. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de omstandigheid dat de toezichthouder blijkens het rapport constateerde dat "de schutting ter hoogte van de opstal iets lager is dan de overige schutting" erop wijst dat [appellante] deze inderdaad zoals zij stelt op 25 augustus 2013 tot 2 m, respectievelijk 1,80 m heeft verlaagd, en aldus reeds voor het opleggen van de last aan hetgeen haar in het voornemen tot handhaving was opgedragen, had voldaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

Het hoger beroep met betrekking tot de zogenoemde pipowagen

4. [ appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden tegen de zogenoemde pipowagen op haar perceel. Volgens haar is deze wagen niet aan te merken als een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Zij voert daartoe aan dat zij de wagen niet heeft gebouwd, en dat deze verder niet is bedoeld om langere tijd op dezelfde plaats te functioneren, zodat deze geen plaatsgebonden karakter heeft.

4.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), voor zover thans van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

b. (…);

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten.

4.2. Het begrip bouwwerk is in de Wabo niet omschreven. De Wabo beoogt gelet op de geschiedenis van totstandkoming (Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, blz. 91 en 92) bij het begrip "bouwwerk" aan te sluiten zoals dat onder de Woningwet werd aangeduid. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 juli 2013 in zaak nr. 201300743/1/A1; www.raadvanstate.nl), kan voor de uitleg van het begrip bouwwerk ook bij toepassing van de Wabo aansluiting worden gezocht bij de modelbouwverordening die een bruikbare omschrijving van het begrip bouwwerk omvat. Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren".

De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2003 (zaak nr. 200202813/1; www.raadvanstate.nl), waarin is geoordeeld dat mobiele objecten onder omstandigheden ook als een bouwwerk moeten worden aangemerkt, terecht geoordeeld dat de onderhavige pipowagen is aan te merken als een bouwwerk in vorenbedoelde zin. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de Afdeling ter zitting, aan de hand van luchtfoto’s heeft vastgesteld dat de wagen in ieder geval sinds maart 2012 dezelfde plaats op het perceel innam. Verder was deze bedoeld om ter plaatse te functioneren, nu deze volgens [appellante] diende als schuilgelegenheid alsmede als speelplaats voor kinderen. Dat, zoals [appellante] stelt, de wagen verplaatsbaar is, doet aan dit oordeel niet af. Dat geldt eveneens voor het betoog dat [appellante] de wagen niet zelf heeft gebouwd. Onder bouwen wordt ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo, ook het plaatsen verstaan.

De conclusie is dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat voor de pipowagen een omgevingsvergunning was vereist en het college derhalve bevoegd was om daartegen handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

Het hoger beroep met betrekking tot de overkapping voor houtopslag

5. [ appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden tegen de bouw van de overkapping voor houtopslag op haar perceel. Volgens haar betreft dit een bouwwerk waarvoor ingevolge artikel 2, aanhef en derde lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), geen omgevingsvergunning is vereist. Volgens haar is dit bouwwerk aan te merken als een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, dat functioneel ondergeschikt is aan het hoofdgebouw op het perceel en ook overigens aan de in dat artikel gestelde voorwaarden voldoet.

5.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo, voor zover thans van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

b. (…);

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II.

Ingevolge artikel 2, aanhef en derde lid, van bijlage II bij het Bor, is een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: (...).

Ingevolge artikel 1, eerste lid, wordt verstaan onder:

bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

Ingevolge het ten tijde van belang voor het perceel geldende bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden".

Ingevolge artikel 5, onder 5.1, aanhef, van de planregels, zijn de als zodanig aangewezen gronden, voor zover thans van belang, bestemd voor:

a. een agrarische bedrijfsuitoefening;

b. agrarisch gebruik;

(…)

am. extensief dagrecreatief medegebruik.

5.2. Aangezien, naar niet in geschil is, op het perceel geen reëel agrarisch bedrijf is gevestigd, is de voormalige paardenstal niet noodzakelijk voor de verwezenlijking van de op het perceel rustende agrarische bestemming. Dat brengt mee dat de voormalige paardenstal niet kan worden aangemerkt als hoofdgebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de bij het Bor behorende bijlage II. In de omschrijving van het begrip bijbehorend bouwwerk in die bepaling is expliciet opgenomen dat een bijbehorend bouwwerk moet worden gebouwd bij een zich op het perceel bevindend hoofdgebouw. Volgens de Nota van Toelichting (Stb. 2010, 143, blz. 132 en 133) bij voormeld artikel betekent dit dat zonder hoofdgebouw op een perceel geen sprake kan zijn van een bijbehorend bouwwerk.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat voor het bouwwerk ten behoeve van houtopslag een omgevingsvergunning is vereist. Zij heeft dit oordeel echter ten onrechte op de bestemmingsplanregels gebaseerd. Voor dit oordeel zijn de relevante bepalingen in de Wabo, gelezen in samenhang met die in het Bor, alsmede in Bijlage II bij het Bor, bepalend.

Aan vorenvermeld oordeel doet de door [appellante] genoemde omstandigheid dat voor de voormalige paardenstal op 8 augustus 1989 een bouwvergunning is verleend, niet af. Die omstandigheid maakt namelijk niet dat toch sprake is van een hoofdgebouw in de betekenis zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor. Voor zover [appellante] bedoelt te betogen dat de paardenstal als hoofdgebouw moet worden aangemerkt omdat deze noodzakelijk is voor verwezenlijking van de bestemming ‘extensief dagrecreatief medegebruik’, faalt dit betoog eveneens. Ook als het gebruik dat [appellante] van het perceel maakt, onder die bestemming zou zijn te brengen, is de paardenstal ook voor verwezenlijking van die bestemming niet noodzakelijk.

Het betoog faalt.

6. [ appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat ingeval voor de overkapping ten behoeve van houtopslag toch een omgevingsvergunning is vereist, niettemin niet handhavend tegen dit bouwwerk kan worden opgetreden, omdat het wordt beschermd door het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel". Volgens haar is de overkapping voor houtopslag al sinds 1992 op dezelfde plaats op het perceel aanwezig, zodat het overgangsrecht van genoemd bestemmingsplan daarop van toepassing is. [appellante] heeft ter onderbouwing daarvan verwezen naar verschillende in het geding gebrachte luchtfoto’s.

6.1. Ingevolge artikel 44.1, onder a, van de bestemmingsplanregels, mag een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

Ingevolge het bepaalde onder b, kunnen burgemeester en wethouders eenmalig afwijking verlenen van het bepaalde onder a voor het vergroten van de inhoud van het bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder a met maximaal 10%;

Ingevolge het bepaalde onder c, is het bepaalde onder niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

6.2. Dit betoog faalt evenzeer. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 12 augustus 2015 in zaak nr. 201406399/1/A1; www.raadvanstate.nl), verschaft het bouwovergangsrecht geen bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning) vervangende titel, noch legaliseert dit de bouw van het bouwwerk anderszins. Dit betekent dat ook als zou worden aangenomen dat het bouwovergangsrecht in het bestemmingsplan op de overkapping voor houtopslag van toepassing zou zijn, dit onverlet laat dat voor het desbetreffende bouwwerk een omgevingsvergunning blijft vereist en deze niet is verleend.

De conclusie is dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het college bevoegd was handhavend op te treden tegen de bouw van de overkapping voor houtopslag, nu deze zonder omgevingsvergunning is gebouwd en in strijd met artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo, in stand wordt gelaten.

Gelet daarop, behoeft hetgeen [appellante] naar voren heeft gebracht over het gebruik van dit bouwwerk, geen nadere bespreking.

Het betoog faalt.

Het hoger beroep met betrekking tot het gebruik van de paardenstal en de daarin aangebrachte (woon)voorzieningen

7. [ appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij de op het perceel aanwezige paardenstal en de daarin gerealiseerde voorzieningen niet in strijd met het bestemmingsplan gebruikt. Zij voert daartoe aan dat zij deze recreatief gebruikt, zoals de voormalige eigenaar het perceel tot ongeveer 1991 ook reeds recreatief gebruikte en dat dit gebruik daarom onder het overgangsrecht met betrekking tot gebruik in het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel" valt.

Wat betreft de in de voormalige paardenstal aangebrachte voorzieningen, heeft [appellante] in aanvulling daarop betoogd dat de realisering daarvan samenhangt met de toestemming die zij bij de aan haar gerichte brief van 5 juni 1996 van het college heeft gekregen, om in de paardenstal te verblijven. Deze voorzieningen zijn daarom volgens haar in die toestemming begrepen. Daarnaast zijn deze volgens [appellante] door het college toegestaan bij het besluit op bezwaar van 5 oktober 2011, dat onderdeel uitmaakt van de procedure die heeft geleid tot de tussen partijen gedane uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2013 (zaak nr. 201206696/1/A1; www.raadvanstate.nl).

7.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden".

Ingevolge artikel 5, onder 5.1, aanhef, van de planregels, zijn de als zodanig aangewezen gronden, voor zover thans van belang, bestemd voor:

a. een agrarische bedrijfsuitoefening;

b. agrarisch gebruik;

(…);

am. extensief dagrecreatief medegebruik.

Ingevolge artikel 1, onder 1.46, wordt onder "dagrecreatie" verstaan: recreatieve activiteit die plaatsvindt binnen een periode van een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang;

Ingevolge artikel 1, onder 1.52, wordt onder "extensieve recreatie" verstaan: die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen.

Ingevolge artikel 5.5, aanhef en onder e, wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval gerekend het gebruik van gebouwen, behoudens bedrijfswoning(en), voor permanente of tijdelijke bewoning en direct daarmee verband houdend gebruik van voorzieningen zoals gemeenschappelijke verblijfsruimte, sanitair, kook- en wasgelegenheid.

Ingevolge artikel 44, onder 44.2, onder a, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet;

Ingevolge het bepaalde onder b, is het verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;

Ingevolge het bepaalde onder c, is het, indien het gebruik, bedoeld in na inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Ingevolge het bepaalde onder d, is het bepaalde in niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

7.2. Uit de hiervoor aangehaalde toepasselijke bestemmingsplanregels volgt dat op het perceel van [appellante] uitsluitend agrarisch gebruik, alsmede "extensief dagrecreatief medegebruik" is toegestaan. Over laatstgenoemd gebruik heeft de rechtbank met toepassing van de artikelen 1.46 en 1.52 van de planregels terecht geoordeeld dat hieronder die vormen van recreatie worden verstaan welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen, die plaatsvinden binnen een periode van een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voor zover het gebruik dat [appellante] van het perceel en de bouwwerken maakt het hiervoor beschreven gebruik overschrijdt, zij daarmee in strijd met het bestemmingsplan handelt. De rechtbank heeft er daarbij eveneens terecht op gewezen dat in de uitspraak van 13 maart 2013 de Afdeling reeds heeft geoordeeld dat bewoning van de voormalige paardenstal op het perceel in strijd is met de bestemming, en dat deze bewoning evenmin door het overgangsrecht met betrekking tot gebruik in het bestemmingsplan wordt beschermd.

[appellante] betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat zij het perceel en de daarop aanwezige bouwwerken voortdurend recreatief heeft gebruikt en dit recreatieve gebruik daarom onder het overgangsrecht van het in 2010 in werking getreden bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel" valt.

De rechtbank heeft daarover terecht overwogen dat, nu uit de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2013 volgt dat [appellante] de voormalige paardenstal in elk geval tot 13 maart 2013 voor bewoning heeft gebruikt, zij deze op de peildatum van het overgangsrecht met betrekking tot gebruik in het bestemmingsplan, niet recreatief gebruikte.

Recreatief gebruik valt daarom niet onder het overgangsrecht als bedoeld in artikel 44, onder 44.2, onder a, van de bestemmingsplanregels.

Met betrekking tot de gerealiseerde woonvoorzieningen heeft de rechtbank terecht evenmin grond gevonden voor het oordeel dat het gebruik daarvan wordt beschermd door het overgangsrecht met betrekking tot gebruik in het bestemmingsplan. Nu in de eerdergenoemde uitspraak van 13 maart 2013 de Afdeling reeds heeft geoordeeld dat bewoning van de voormalige paardenstal in strijd is met het bestemmingsplan en niet door het overgangsrecht wordt beschermd, bestaat geen grond voor een ander oordeel met betrekking tot het gebruik van de zonder vergunning gerealiseerde woonvoorzieningen. Wat betreft de stelling dat het realiseren van deze voorzieningen bij het besluit op bezwaar van 5 oktober 2011 door het college is toegestaan, overweegt de Afdeling dat, wat daarvan zij, die omstandigheid er niet aan in de weg staat dat het college handhavend optreedt tegen het gebruik ervan in strijd met het bestemmingsplan.

De rechtbank heeft, wat betreft de gerealiseerde woonvoorzieningen, eveneens terecht het betoog dat het gebruik van deze voorzieningen onder de toestemming als bedoeld in de brief van het college van 5 juni 1996 is begrepen, niet gevolgd. In deze brief wordt [appellante] "verblijf in de paardenstal toegestaan, zolang dit niet ontaardt in bewoning". Deze toestemming kan slechts worden uitgelegd conform de bestemming "extensief dagrecreatief medegebruik". Dit betekent dat [appellante] binnen een periode van een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang in de paardenstal mag verblijven. De zonder vergunning in de voormalige paardenstal gerealiseerde voorzieningen dienen een dergelijk gebruik niet, maar gaan verder dan dat. Zij zijn voor een verblijf zoals dit [appellante] is toegestaan niet nodig en duiden, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, op bewoning.

De conclusie is dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het college bevoegd was handhavend op te treden tegen het gebruik van de paardenstal en de daarin aangebrachte woonvoorzieningen.

Het betoog faalt.

8. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

9. [ appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die het college hadden moeten doen afzien van de handhavende maatregelen. Zij voert daartoe aan dat de handhaving in strijd is met het rechtszekerheids-, het gelijkheids-, en het fairplaybeginsel. Verder heeft volgens haar het college valsheid in geschrifte gepleegd, door de rechtbank bewust een aan haar buren verleende vergunning niet te verstrekken.

9.1. [appellante] doelt blijkens haar hoger beroepschrift met het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het handhavend optreden in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, op de omstandigheid dat volgens haar het realiseren van de woonvoorzieningen in de paardenstal volgens het besluit van 5 oktober 2011 zijn toegestaan, zodat het college daartegen niet handhavend kan optreden.

Dit betoog faalt. De Afdeling verwijst in dit verband naar hetgeen daarover hiervoor onder 7.2 is overwogen.

Ter onderbouwing van haar beroep op het gelijkheids- en het fairplaybeginsel wijst zij erop dat het college in haar geval wel handhavend optreedt en in het geval van de bewoners van het perceel [locatie 2], waar volgens [appellante] ook sprake is van verschillende overtredingen van de geldende regelgeving, daartoe niet bereid is. Dit getuigt volgens haar van vooringenomenheid jegens haar.

De Afdeling overweegt dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, reeds omdat op het aangrenzende perceel [locatie 2], in tegenstelling tot op het perceel [locatie 1] van [appellante], mede een woonbestemming rust. Er is dus geen sprake van gelijke gevallen, die ongelijk worden behandeld. Gelet daarop, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de handhavingsbesluiten in strijd met het beginsel van fairplay zijn genomen. De besluiten om al dan niet handhavend op te treden op de percelen zijn immers gebaseerd op dit voor de percelen van elkaar afwijkende planologische regime. Anders dan [appellante] betoogt, is niet gebleken dat de handhavende maatregelen in haar geval voortkomen uit schending van het fairplaybeginsel door het college.

Dat het college de rechtbank bewust een in het verleden aan de buren van [appellante] verleende vergunning zou hebben onthouden, is de Afdeling niet gebleken. [appellante] heeft niet duidelijk gemaakt om welke vergunning dit zou gaan. Haar enkele stelling, dat ‘voor het betrekken van de schuur/stal in het hoofdgebouw bij het woongedeelte, ongetwijfeld een vergunning zal zijn verleend door het college’, is voor deze conclusie onvoldoende.

Het betoog faalt.

10. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen, te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen de handhaving met betrekking tot de erfafscheiding, ongegrond heeft verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep in zoverre alsnog gegrond verklaren en het besluit van 8 april 2014 in zoverre alsnog vernietigen. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

11. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 november 2014 in zaak nr. 14/1694, voor zover daarbij het beroep, voor zover gericht tegen de handhavende maatregelen met betrekking tot de erfafscheiding, ongegrond is verklaard;

III. verklaart het beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel van 8 april 2014, kenmerk 509996, in zoverre;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 45,88 (zegge: vijfenveertig euro en achtentachtig cent);

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Bolleboom

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2016

641.