Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:984

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
201502060/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2013 heeft het college aan [appellante] een aanlijn- en muilkorfgebod opgelegd voor haar rottweiler Rico (hierna: de hond). Daarbij heeft het college aan haar een preventieve last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat zij voor iedere keer dat de hond niet is aangelijnd en gemuilkorfd € 250,00 verbeurt, met een maximum van € 2.500,00.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Gemeentewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/193 met annotatie van L.J.A. Damen
JOM 2016/307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502060/1/A3.

Datum uitspraak: 13 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante], wonend te Hoorn,

2. het college van burgemeester en wethouders van Hoorn,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 januari 2015 in zaak nr. 14/872 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2013 heeft het college aan [appellante] een aanlijn- en muilkorfgebod opgelegd voor haar rottweiler Rico (hierna: de hond). Daarbij heeft het college aan haar een preventieve last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat zij voor iedere keer dat de hond niet is aangelijnd en gemuilkorfd € 250,00 verbeurt, met een maximum van € 2.500,00.

Bij besluit van 26 februari 2014 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 januari 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 26 februari 2014 vernietigd, voor zover daarbij het door [appellante] tegen de oplegging van de preventieve last onder dwangsom gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard. Voorts heeft de rechtbank het besluit van 21 november 2013 herroepen voor zover daarbij een preventieve last onder dwangsom is opgelegd en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 26 februari 2014. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante] en het college hoger beroep ingesteld.

[appellante] en het college hebben een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend. Daarbij heeft het de Afdeling verzocht om met betrekking tot een aantal medische stukken artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) toe te passen. De Afdeling heeft in andere samenstelling beslist dat geheimhouding van deze stukken gerechtvaardigd is. [appellante] heeft geweigerd om de Afdeling toestemming te verlenen om van deze stukken kennis te nemen. De Afdeling heeft deze stukken niet bij haar oordeel betrokken.

De Afdeling heeft de zaak samen met zaak nr. 201502059/1/A3 ter zitting behandeld op 19 november 2015, waar [appellante], bijgestaan door mr. P.F.M. Deijkers, advocaat te Hoorn, en het college, vertegenwoordigd door N.J.J. Rood, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vader], de vader van [appellante], ter zitting gehoord. Tevens zijn [hondengeleider], werkzaam als hondengeleider bij de politie (hierna: de hondengeleider), [partijen] ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Hoorn (hierna: de APV) is het de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is.

Ingevolge het tweede lid kan het college plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt.

Ingevolge artikel 2:59, eerste lid, aanhef en onder b, is het de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.

2. Aan het besluit van 26 februari 2014 heeft het college een advies en aanvullend advies van de hondengeleider ten grondslag gelegd. Hierin wordt vermeld dat de hond op 1 maart 2013, 26 mei 2013, 10 juni 2013 en 19 september 2013 op openbare plaatsen bij incidenten betrokken is geweest en wordt geadviseerd om een aanlijn- en muilkorfgebod voor de hond op te leggen.

Het hoger beroep van [appellante]

3. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] alleen heeft betwist dat op 1 maart 2013 een incident heeft plaatsgevonden waarbij de hond betrokken was. Volgens de rechtbank moet bij het betreden van de openbare weg of het terrein van een ander rekening gehouden worden met de reacties van alle zich daarop bevindende personen, dat wil zeggen ook van degenen die niet gewend zijn met honden en in het bijzonder rottweilers om te gaan of die voor deze honden bang zijn en daarom op niet geheel voorspelbare wijze reageren. Ook wanneer de hond wordt uitgelokt door andere honden, moet de hond voldoende onder appel staan, aldus de rechtbank. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat ook uit de door [appellante] overgelegde stukken en verklaringen niet kan worden opgemaakt dat de kans dat de hond in de toekomst bij een soortgelijk incident betrokken zal zijn, zodanig klein is dat het college van het opleggen van een aanlijn- en muilkorfgebod had moeten afzien.

Aan het betoog van [appellante] dat het college ter motivering van zijn besluit een gedragskundig onderzoek had moeten laten verrichten, is de rechtbank voorbijgegaan. Volgens haar kon het college, gezien het advies van de hondengeleider, in redelijkheid tot het oordeel komen dat een aanlijn- en muilkorfgebod geboden was en het op de weg van [appellante] ligt om het tegendeel aannemelijk te maken.

4. [appellante] heeft bij het hogerberoepschrift het bij de rechtbank ingediende beroepschrift en de daarbij behorende producties overgelegd. De beroepsgronden worden in hoger beroep als herhaald en ingelast beschouwd, aldus [appellante].

4.1. Het inlassen van het beroepschrift en de daarbij behorende producties in het hogerberoepschrift is een herhaling van wat bij de rechtbank is aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak hierop ingegaan, waarbij zij alle door [appellante] overgelegde stukken en verklaringen heeft betrokken. Uit het herhalen van hetgeen in beroep is aangevoerd volgt niet dat en waarom de rechtbank tot een onjuist oordeel is gekomen. Het aldus aangevoerde geeft daarom geen aanleiding om die uitspraak te vernietigen.

5. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen objectieve redenen zijn om aan de inhoudelijke juistheid van het advies en het aanvullend advies van de hondengeleider te twijfelen. Daartoe voert zij aan dat de hondengeleider geen onafhankelijke hondengedragsdeskundige is en dat niet kan worden geconcludeerd dat een aanlijn- en muilkorfgebod noodzakelijk is. Voorts heeft de hondengeleider alleen een huisbezoek afgelegd om het gedrag van de hond te observeren en heeft hij geen nader onderzoek naar de meldingen verricht. Er zijn geen verklaringen die de meldingen bevestigen.

5.1. Het betoog van [appellante] miskent dat voor de toepassing van artikel 2:59, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV, niet is vereist dat advies wordt gevraagd aan een onafhankelijke hondengedragsdeskundige. De rechtbank heeft in het betoog van [appellante] dat de hondengeleider geen hondengedragsdeskundige is, derhalve terecht geen grond gevonden voor vernietiging van het bij besluit van 26 februari 2014 gehandhaafde aanlijn- en muilkorfgebod.

Voorts staat vast dat de incidenten door de daarbij betrokken hondenbezitters bij de politie zijn gemeld. Door [appellante] wordt niet betwist dat de hond op 26 mei 2013, 10 juni 2013 en 19 september 2013 bij incidenten betrokken is geweest. In het advies van de hondengeleider is voorts duidelijk beschreven hoe de verschillende incidenten volgens de melders zijn verlopen. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college het advies niet zonder nader onderzoek naar de meldingen aan het besluit van 26 februari 2014 ten grondslag mocht leggen. Dit laat evenwel onverlet dat het advies dit besluit moeten kunnen dragen.

5.2. Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen (onder meer uitspraak van 7 oktober 2015 in zaak nr. 201500653/1/A3) komt het college beoordelingsvrijheid toe bij het bepalen of een hond gevaarlijk of hinderlijk is en of in verband daarmee een aanlijn- en muilkorfgebod noodzakelijk is.

De rechtbank heeft in de door [appellante] overgelegde stukken en verklaringen terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid het aanlijn- en muilkorfgebod voor de hond noodzakelijk heeft kunnen achten. De door [appellante] overgelegde positieve verklaringen over het gedrag van de hond en het door haar overgelegde africhtingscertificaat Verkeerszekere Hond (VZH) van 3 mei 2014, doen er niet aan af dat op openbare plaatsen drie incidenten hebben plaatsgevonden, waarbij andere honden en hondenbezitters letsel hebben opgelopen. Dat de verklaringen over deze incidenten uiteenlopen en [appellante] aangifte bij de politie heeft gedaan van valse meldingen, omdat de incidenten volgens haar zijn veroorzaakt door de andere honden en/of onhandig en onwetend gedrag van de betrokken hondenbezitters, maakt dit niet anders. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat door [appellante] rekening gehouden moet worden met (onvoorspelbare) reacties van alle zich op openbare plaatsen bevindende honden en hondenbezitters. De betwisting door [appellante] van de ernst van het toegebrachte letsel, biedt ook geen grond voor het oordeel dat de rechtbank het aanlijn- en muilkorfgebod had moeten vernietigen. Daarbij is van belang dat voor de toepassing van artikel 2:59, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV, niet is vereist dat letsel aan mens of dier is toegebracht.

Het betoog faalt.

6. Het betoog van [appellante] dat zij met de hond wil gaan fokken en zij de kwalificatie van de hond als gevaarlijk of hinderlijk niet kan gebruiken en daarnaast het muilkorfgebod tot gedragsstoornissen bij de hond leidt, is geen belang dat het college bij de toepassing van artikel 2:59, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV, moet betrekken. De rechtbank heeft in dit belang dan ook terecht geen aanleiding gevonden om het aanlijn- en muilkorfgebod te vernietigen.

7. Hetgeen [appellante] in het hogerberoepschrift aanvoert over de gang van zaken tijdens en na de hoorzitting in bezwaar, richt zich niet tegen de aangevallen uitspraak en kan reeds daarom niet leiden tot gegrondbevinding van het hoger beroep.

8. Het hoger beroep van [appellante] is ongegrond.

Hoger beroep van het college

9. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor het opleggen van een preventieve last onder dwangsom, nu niet blijkt dat [appellante] zich niet aan het aanlijn- en muilkorfgebod zal houden. Hiertoe voert het college allereerst aan dat uit het aanvullend advies van de hondengeleider blijkt dat de hondengeleider [appellante] op 9 september 2013 heeft gewezen op haar verantwoordelijkheid om incidenten met de hond te voorkomen, maar desondanks op 19 september 2013 binnen de bebouwde kom een incident heeft plaatsgevonden, waarbij de hond een andere hond heeft gebeten en waarbij die hond drie bijtwonden heeft opgelopen. Dit incident klemt volgens het college temeer nu de hond in strijd met artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV, binnen de bebouwde kom niet was aangelijnd. Bovendien heeft [appellante] tijdens de behandeling van het door haar gemaakte bezwaar verklaard het oneens te zijn met het opleggen van een aanlijn- en muilkorfgebod, omdat zij vindt dat de natuur haar gang moet gaan bij interactie tussen honden. Ook hieruit blijkt dat zij het niet nauw met de regels neemt en derhalve het gevaar voor overtreding van het aanlijn- en muilkorfgebod klaarblijkelijk dreigt, aldus het college.

9.1. Ingevolge artikel 5:7 van de Awb kan een herstelsanctie worden opgelegd, zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 december 2011 in zaak nr. 201103651/1/H2) geldt voor het opleggen van een preventieve last het vereiste dat de overtreding zich met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal voordoen.

9.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel van het college dat [appellante] zich met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet aan het voor de hond opgelegde aanlijn- en muilkorfgebod zal houden. Dat na een gesprek tussen [appellante] en de hondengeleider op 9 september 2013 op 19 september 2013 een incident heeft plaatsgevonden biedt geen grond voor een ander oordeel, nu ten tijde van dat incident de geboden nog niet waren opgelegd. Bovendien betwist [appellante] dat de hond bij het incident van 19 september 2013 in strijd met artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV, niet was aangelijnd. Dat [appellante] rechtsmiddelen tegen de geboden heeft aangewend en in bezwaar heeft verklaard het oneens te zijn met de geboden, biedt evenmin voldoende grond voor het oordeel dat [appellante] zich met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet aan de geboden zal houden.

Het betoog faalt.

10. Het hoger beroep van het college is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

11. Het college moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hoorn tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep van het college opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Hoorn een griffierecht van € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Beerse

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2016

382-816.