Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:971

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
201507060/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:4578, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2015 heeft de raad de aanvraag om vergoeding van [appellant] voor verleende rechtsbijstand toegewezen en de vergoeding vastgesteld op € 239,60.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507060/1/A2.

Datum uitspraak: 13 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], kantoorhoudend te [plaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 juli 2015 in zaak nr. 15/825 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2015 heeft de raad de aanvraag om vergoeding van [appellant] voor verleende rechtsbijstand toegewezen en de vergoeding vastgesteld op € 239,60.

Bij besluit van 18 maart 2015 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 juli 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2016, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Doets, vergezeld door mr. S.O. Vos, beiden werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is advocaat te Eijsden. Op 31 december 2014 heeft hij een piketmelding ontvangen na de aanhouding van een verdachte te Heerlen. [appellant] heeft de verdachte rechtsbijstand verleend met ingang van die melding. De Staat België heeft om uitlevering van zijn cliënt verzocht. Op 16 februari 2015 heeft [appellant] zijn cliënt bijgestaan bij de behandeling van een vordering tot bewaring in het kader van uitzetting naar België. De behandeling van die vordering werd gedaan door de rechtbank Amsterdam.

De raad heeft de vergoeding voor de verleende rechtsbijstand voor [appellant] vastgesteld op € 239,60. De reiskosten bedragen € 39,60 op basis van een kilometertarief van € 0,09.

Het hoger beroep richt zich op de vraag of de raad terecht het lage kilometertarief van € 0,09 heeft vergoed, in plaats van het hoge kilometertarief van € 0,37.

2. De raad heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat de werkzaamheden zijn verricht in een ander ressort dan waarin [appellant] is gevestigd. [appellant] is gevestigd te Eijsden, dat is gelegen in het ressort ’s-Hertogenbosch, en de rechtsbijstand is verleend in Amsterdam, dat is gelegen in het gelijknamige ressort. In die situatie wordt het lage kilometertarief vergoed, aldus de raad.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad hem ten onrechte het lage kilometertarief heeft vergoed. Daartoe voert hij allereerst aan dat het beleid van de raad met betrekking tot kilometervergoedingen buiten toepassing moet blijven, omdat toepassing ervan strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Volgens [appellant] heeft de raad hem een lagere kilometervergoeding voor piket toegekend dan die een advocaat in het ressort van Amsterdam zou krijgen.

Verder had de raad volgens [appellant] gelet op de bijzondere omstandigheden van zijn geval toepassing moeten geven aan de hardheidsclausule die is neergelegd in artikel 16 van het Reisbesluit binnenland (hierna: Reisbesluit). Uitleveringsverzoeken worden uitsluitend behandeld door de rechtbank Amsterdam. Zijn cliënt is daardoor buiten zijn wil overgeplaatst naar een ander ressort.

3.1. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: Bvr) wordt voor de kosten die worden gemaakt voor reizen naar de zitting, alsmede naar rechtszoekenden wier vrijheid is ontnomen of beperkt, een kilometervergoeding toegekend overeenkomstig de vergoeding die krachtens artikel 8 van het Reisbesluit wordt verleend. Dezelfde kilometervergoeding wordt toegekend voor de kosten die worden gemaakt voor reizen in verband met de behandeling van de gevangenhouding of gevangenneming alsmede in verband met verhoor.

Ingevolge het derde lid wordt voor de kosten die in piketzaken worden gemaakt voor reizen naar de rechtzoekenden een kilometervergoeding toegekend overeenkomstig de vergoeding die krachtens artikel 7 van het Reisbesluit wordt verleend. Indien de rechtzoekende zich ten tijde van de piketmelding buiten het ressort van de rechtsbijstandverlener bevond, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

De vergoedingen die krachtens de artikelen 7 en 8 van Reisbesluit worden verleend, zijn bepaald in de artikelen 2 en 3 van de Reisregeling binnenland (hierna: Reisregeling).

Ingevolge artikel 2 van de Reisregeling bedraagt de vergoeding voor het gebruik van een eigen motorvoertuig of bromfiets als bedoeld in artikel 7 van het Reisbesluit € 0,37 per afgelegde kilometer.

Ingevolge artikel 3, voor zover thans van belang, bedraagt de vergoeding voor het gebruik van een eigen motorvoertuig als bedoeld in artikel 8 van het Reisbesluit € 0,09 per afgelegde kilometer.

Strijd met het gelijkheidsbeginsel

3.2. De Afdeling stelt naar aanleiding van het verhandelde ter zitting voorop dat de kilometervergoedingen voor piketadvocaten niet zijn geregeld in het beleid van de raad, neergelegd in zogenoemde werkinstructies, maar in voormelde bepalingen. Dit volgt ook uit het advies van de commissie voor bezwaar, dat de raad aan haar besluit van 18 maart 2015 ten grondslag heeft gelegd, waarin een deel van een werkinstructie is overgenomen dat verwijzingen naar die bepalingen bevat. De Afdeling vat het betoog van [appellant] daarom zo op, dat artikel 25, eerste lid, van het Bvr - op grond waarvan het lage kilometertarief van toepassing is - buiten toepassing had moeten blijven wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel.

3.3. Uit artikel 25 van het Bvr volgt dat wanneer rechtsbijstand wordt verleend in piketzaken binnen het ressort waarin de rechtsbijstandverlener is gevestigd, het hoge kilometertarief wordt vergoed, en als rechtsbijstand wordt verleend in piketzaken buiten dat ressort het lage kilometertarief. Dat aan een advocaat die gevestigd is in Amsterdam het hoge kilometertarief zou worden vergoed en aan [appellant] het lage, komt doordat [appellant] anders dan die advocaat buiten dat ressort is gevestigd. Nu zijn situatie verschilt van de door hem gestelde situatie, doet zich geen strijd voor met het gelijkheidsbeginsel.

Hardheidsclausule

3.4. De hardheidsclausule van het Reisbesluit is neergelegd in artikel 16 van het Reisbesluit. In artikel 25 van het Bvr wordt verwezen naar de vergoedingen die krachtens de artikelen 7 en 8 van het Reisbesluit worden verleend. De hoogte van die vergoedingen is bepaald in de artikelen 2 en 3 van de Reisregeling. Uit de verwijzing in artikel 25 van het Bvr naar de artikelen 7 en 8 in het Reisbesluit volgt niet dat ook artikel 16 van het Reisbesluit op de in geding zijnde besluitvorming van toepassing is. Dat volgt evenmin uit het Reisbesluit zelf. In artikel 16 is immers bepaald dat de mogelijkheid om op grond van bijzondere omstandigheden in afwijking van de bij of krachtens dat besluit gestelde regels te besluiten, is voorbehouden aan het hoofd van het betrokken ministerie. De raad kan deze bepaling dan ook niet toepassen, zodat een beroep op de hardheidsclausule daarin [appellant] reeds daarom niet kan baten.

3.5. Conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de raad [appellant] terecht het lage kilometertarief heeft vergoed. Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, griffier.

w.g. Steendijk

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2016

362-799.