Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:948

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
201505066/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2014 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505066/1/V1.

Datum uitspraak: 30 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 mei 2015 in zaak nr. 15/2943 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2014 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Bij besluit van 21 januari 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 mei 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.T.P. Scheers, advocaat te Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. De staatssecretaris heeft de bij besluit van 18 februari 2014 aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning ingetrokken omdat [de referent] ten tijde van de verlening ervan niet voldeed aan het middelenvereiste en omdat de vreemdeling bij de aanvraag om toelating en verblijf onjuiste gegevens heeft verstrekt. De vreemdeling heeft bij die aanvraag weliswaar een arbeidsovereenkomst, werkgeversverklaring en loonstroken overgelegd ter staving van het dienstverband van de referent met het [bedrijf A], alsmede gegevens waaruit blijkt dat [bedrijf A] is opgevolgd door [bedrijf B] en dat de referent bij [bedrijf B] werkzaam is, maar volgens de staatssecretaris blijkt uit onderzoek van de Inspectie SZW dat het dienstverband van de referent met [bedrijf B] gefingeerd is. De staatssecretaris heeft dit gebaseerd op een rapport van de Inspectie SZW van 4 juni 2014 (hierna: het rapport), waaruit onder meer blijkt dat [bedrijf B] geen activiteiten ontplooit op het opgegeven vestigingsadres, dat het niet op internet is terug te vinden, dat het weliswaar aangiftes voor loonbelasting heeft gedaan, maar deze niet heeft betaald en dat het tot eind 2013 geen personeel in dienst heeft gehad.

Aangevallen uitspraak

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de door de vreemdeling in bezwaar gegeven verklaring voor de door de Inspectie SZW geconstateerde ongerijmdheden en tegenstrijdigheden de staatssecretaris ertoe noopte nader onderzoek te verrichten. Nu hij dat niet heeft gedaan, heeft hij zich volgens de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat het dienstverband van de referent gefingeerd is. De door de vreemdeling gegeven verklaring, die inhoudt dat [bedrijf B] is overgenomen door [persoon] de naam van de vennootschap is gewijzigd in [bedrijf C], [bedrijf C] zich bezighoudt met de verkoop van wijn en dat de referent voor [bedrijf C] administratieve werkzaamheden heeft verricht, vindt volgens de rechtbank steun in de ter zitting door [persoon] afgelegde verklaring. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de staatssecretaris zijn standpunt over het beroep van de vreemdeling op besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: besluit nr. 1/80) niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat, nu het standpunt van de staatssecretaris over het dienstverband van de referent geen stand kan houden, dat ook geldt voor het daarop gebaseerde standpunt van de staatssecretaris dat de vreemdeling zich niet met succes kan beroepen op artikel 7 van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB 2003 L 251; hierna: de Gezinsherenigingsrichtlijn) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

Hoger beroep

3. De staatssecretaris betoogt in zijn eerste grief dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het dienstverband van de referent gefingeerd is. Hij wijst daartoe op het rapport en voert aan dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat hij in de bezwaarfase nader onderzoek heeft verricht naar dit dienstverband. In dit verband wijst hij op een bij het besluit van 21 januari 2015 betrokken brief van de Belastingdienst van 3 december 2014 (hierna: de brief van de Belastingdienst). De staatssecretaris voert voorts aan dat de rechtbank ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de door de vreemdeling in bezwaar gegeven verklaring voor de geconstateerde ongerijmdheden, omdat de vreemdeling deze niet heeft gestaafd. Dat geldt ook voor de ter zitting van de rechtbank afgelegde verklaring van [persoon]. Wat betreft de door de vreemdeling na de aangevallen uitspraak overgelegde salarisspecificatie en bankafschriften ter staving van het dienstverband van de referent (hierna: de nadere stukken) voert de staatssecretaris aan dat deze niet bij de beoordeling van het hoger beroep kunnen worden betrokken.

3.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

Ingevolge die aanhef en onder f, kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

Ingevolge artikel 19 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Vw 2000.

3.2. Niet in geschil is dat [bedrijf B] ten tijde van voormeld besluit van 18 februari 2014 geen activiteiten meer ontplooide en dat de referent feitelijk dus niet voor die vennootschap werkzaam was. Gelet hierop en op de overige in het rapport neergelegde onderzoeksbevindingen heeft de staatssecretaris zich in het besluit van 11 juni 2014 terecht op het standpunt gesteld dat het dienstverband van de referent met [bedrijf B] gefingeerd is, zodat de vreemdeling niet voldoet aan het vereiste, neergelegd in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 en hij onjuiste gegevens heeft verstrekt als bedoeld in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank in de door de vreemdeling in bezwaar gegeven verklaring voor de geconstateerde ongerijmdheden ten onrechte grond heeft gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris het dienstverband nader had moeten onderzoeken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de vreemdeling die verklaring onvoldoende heeft gestaafd. De vreemdeling heeft weliswaar een zogeheten kwaliteitsplan overgelegd dat in het kader van de conceptontwikkeling voor [bedrijf C] zou zijn opgesteld, maar dat kan niet dienen ter staving van de werkzaamheden die de referent voor [bedrijf C] zou hebben verricht, reeds omdat het - naar de vreemdeling heeft gesteld - door een andere werknemer van [bedrijf C] is opgesteld. Verder is de rechtbank er ten onrechte aan voorbijgegaan dat de staatssecretaris in de bezwaarfase bij de Belastingdienst informatie heeft ingewonnen over het dienstverband van de referent. Nu uit de brief van de Belastingdienst blijkt dat [bedrijf C] in de voor deze zaak relevante periode geen loonheffing heeft afgedragen voor de referent, heeft de staatssecretaris in het besluit van 21 januari 2015 hierin terecht aanleiding gezien zijn standpunt over het dienstverband van de referent te handhaven. De vreemdeling heeft zijn stelling over de reden waarom de afdrachten achterwege zijn gebleven, niet gestaafd.

De ter zitting van de rechtbank door [persoon] afgelegde verklaring doet er niet aan af dat de vreemdeling zijn verklaringen over het rapport en de brief van de Belastingdienst niet met stukken heeft gestaafd. Bovendien is deze verklaring naar het oordeel van de Afdeling in zodanig algemene termen geformuleerd, dat de rechtbank daarin ten onrechte steun heeft gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris nader onderzoek had moeten doen.

De staatssecretaris betoogt terecht dat de nadere stukken niet bij de beoordeling van het hoger beroep kunnen worden betrokken, nu deze dateren van vóór de aangevallen uitspraak en de vreemdeling geen in rechte te honoreren verklaring heeft gegeven waarom hij deze redelijkerwijs niet al in beroep heeft kunnen overleggen.

De grief slaagt.

4. De staatssecretaris betoogt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij had moeten onderzoeken of de referent op basis van haar arbeidsverleden moet worden aangemerkt als werknemer in de zin van besluit nr. 1/80 en daarmee of de in dat besluit vervatte standstill-bepaling (hierna: de standstill-bepaling) van toepassing is. De staatssecretaris voert daartoe aan dat, nu de vreemdeling in bezwaar heeft gesteld rechten te ontlenen aan artikel 6 van besluit nr. 1/80, hij in het besluit van 21 januari 2015 terecht heeft volstaan met het standpunt dat niet is gebleken dat de referent arbeid in loondienst heeft verricht.

4.1. De vreemdeling heeft in bezwaar aangevoerd dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning in strijd is met artikel 6 van besluit nr. 1/80. Naar aanleiding hiervan heeft de staatssecretaris zich in het besluit van 21 januari 2015 en in het verweerschrift in beroep op het standpunt gesteld dat de vreemdeling zich niet met succes op de artikelen 6 en 7 van besluit nr. 1/80 kan beroepen, omdat de vreemdeling en de referent geen werknemers zijn in de zin van artikel 6 van besluit nr. 1/80. Hierbij heeft de staatssecretaris erop gewezen dat het dienstverband van de referent gefingeerd is. Voorts heeft hij zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de referent langer dan één dan wel drie jaar, zonder tussenpozen, voor dezelfde werkgever heeft gewerkt.

4.2. De staatssecretaris betoogt terecht dat zijn onderzoeksplicht ter zake niet zover strekt, dat hij niet kon volstaan met dit standpunt, maar had moeten onderzoeken of de referent op basis van andere elementen uit haar arbeidsverleden toch moet worden aangemerkt als werknemer in de zin van besluit nr. 1/80. Hieruit vloeit voort dat de staatssecretaris niet behoefde te onderzoeken of de vreemdeling rechten kan ontlenen aan de standstill-bepaling.

De grief slaagt.

5. De derde en vierde grief zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de Gezinsherenigingsrichtlijn en artikel 8 van het EVRM, weergegeven onder 2. Nu de rechtbank dit oordeel heeft gestoeld op haar oordeel over het dienstverband van de referent, volgt uit het onder 3.2 overwogene dat deze grieven slagen.

Conclusie hoger beroep

6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 21 januari 2015 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

Inleidend beroep

7. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij zich niet met succes kan beroepen op de Gezinsherenigingsrichtlijn, omdat deze niet van toepassing is op gezinsleden van burgers van de Unie. De vreemdeling heeft daartoe aangevoerd dat het in de Gezinsherenigingsrichtlijn neergelegde inkomensvereiste van overeenkomstige toepassing is in gevallen als deze, waarin het gaat om gezinshereniging met een Nederlander.

7.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn kan de betrokken lidstaat bij de indiening van het verzoek tot gezinshereniging de persoon die het verzoek heeft ingediend verzoeken bewijs te leveren dat de gezinshereniger beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen daartoe de aard en regelmaat van deze inkomsten en kunnen rekening houden met de nationale minimumlonen en pensioenen, evenals met het aantal gezinsleden.

7.2. De staatssecretaris heeft zich in het verweerschrift in beroep terecht, in afwijking van het besluit van 21 januari 2015, op het standpunt gesteld dat artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn in dit geval van toepassing is. Hieruit volgt dat het besluit van 21 januari 2015 op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd. De Afdeling ziet evenwel aanleiding dit gebrek te passeren krachtens artikel 6:22 van de Awb. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat de staatssecretaris in voormeld verweerschrift inhoudelijk is ingegaan op het beroep van de vreemdeling op de Gezinsherenigingsrichtlijn en de vreemdeling daarop heeft kunnen reageren. Gelet op het onder 3.2 overwogene heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet voldoet aan de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn neergelegde vereisten, zodat de intrekking van zijn verblijfsvergunning niet in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn.

De beroepsgrond faalt.

8. De vreemdeling heeft tevergeefs betoogd dat de staatssecretaris zich in het besluit van 21 januari 2015 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zich geen inmenging voordoet in zijn familie- en gezinsleven. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 4 juni 2009 in zaak nr. 200806544/1) volgt dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat, nu de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ingetrokken, hij achteraf bezien nooit in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, hetgeen betekent dat zich geen inmenging voordoet als hiervoor bedoeld.

De beroepsgrond faalt.

Conclusie inleidend beroep

9. Het beroep is ongegrond.

10. De staatssecretaris moet, gelet op hetgeen onder 7.2 is overwogen, op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 mei 2015 in zaak nr. 15/2943;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.984,00 (zegge: negentienhonderdvierentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Oei

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2016

670.