Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:937

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
201408853/2/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:CA3039, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2012 heeft het college aan BM Projectontwikkeling B.V. omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een appartementengebouw met 22 appartementen en een gezondheidscentrum op het perceel Dorpsstraat 10 tot en met 32 te Vuren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408853/2/A1.

Datum uitspraak: 6 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te Vuren, gemeente Lingewaal,

appellanten,

tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 7 mei 2013, 29 april 2014 en 25 september 2014 in zaken nrs. 12/3942, 12/4090, 12/4091, 12/4171 en 12/4172 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal.

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2012 heeft het college aan BM Projectontwikkeling B.V. omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een appartementengebouw met 22 appartementen en een gezondheidscentrum op het perceel Dorpsstraat 10 tot en met 32 te Vuren.

Bij tussenuitspraak van 7 mei 2013 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van die uitspraak de gebreken in het besluit van 29 juni 2012 te herstellen.

Bij tussenuitspraak van 29 april 2014 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van die uitspraak de gebreken in het besluit van 29 juni 2012 te herstellen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen en heeft zij iedere verdere beslissing aangehouden.

Bij uitspraak van 25 september 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen tegen het besluit van 29 juni 2012 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, bepaald dat de omgevingsvergunning wordt geacht tevens te zijn verleend voor de afwijking van het bestemmingsplan wat betreft het aantal woningen en dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit, en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2015, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. J.H. Hartman, het college, vertegenwoordigd door G. Bel, wethouder, en mr. P.A. Faber en

D.J. Korbijn, beiden werkzaam bij de gemeente, en BM Projectontwikkeling, vertegenwoordigd door mr. J.C.G. Franken, advocaat te Rotterdam, en ing. D. Hosli, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 8 juli 2015 in zaak nr. 201408853/1/A1 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 8 weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 29 juni 2012 te herstellen door een nieuw besluit te nemen. De tussenuitspraak is aangehecht.

Het college heeft ter uitvoering van voormelde tussenuitspraak bij besluit van 4 augustus 2015 opnieuw omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een appartementengebouw met 22 appartementen en een gezondheidscentrum op het perceel.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant] en anderen een zienswijze en aanvullende zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld.

Het college heeft gereageerd op de zienswijze en aanvullende zienswijze van [appellant] en anderen.

De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak is overwogen dat het besluit van 2 december 2010, waarbij de raad een algemene verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven voor het toepassen van artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten 3º van de Wabo, onverbindend is en gelet hierop een verklaring van geen bedenkingen ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van het Bor voor het project is vereist. Nu deze niet is verleend, was het college niet bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten 3°, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen. In de tussenuitspraak is geconcludeerd dat het besluit van 29 juni 2012 is genomen in strijd met artikel 6.5 van het Bor en 3:46 van de Awb. Het college is opgedragen om dit in het besluit van 29 juni 2012 geconstateerde gebrek binnen acht weken te herstellen door een nieuw besluit te nemen en dat op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. Om het gebrek te herstellen dient te worden voldaan aan artikel 6.5, eerste lid, van het Bor. Het college hoeft geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb.

2. Ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft.

Ingevolge het tweede lid kan de verklaring slechts in het belang van een goede ruimtelijke ordening worden geweigerd.

Ingevolge het derde lid kan de gemeenteraad categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

3. Bij besluit van 2 juli 2015 heeft de raad het besluit van 2 december 2010 ingetrokken en heeft hij het Aanwijzings- en delegatiebesluit Wabo en Wro 2015 vastgesteld. In artikel 1 van het Aanwijzings- en delegatiebesluit Wabo en Wro 2015 is bepaald dat voor zover het college op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten 3°, van de Wabo bevoegd is om te beslissen op een aanvraag voor een omgevingsvergunning een verklaring van geen bedenkingen niet vereist is, indien sprake is van een project dat past binnen de in Bijlage I genoemde categorieën van gevallen. Het college heeft bij besluit van 4 augustus 2015 een gewijzigde omgevingsvergunning verleend. Het heeft zich op het standpunt gesteld dat het project past binnen de in Bijlage 1 genoemde categorieën A. Wonen en D. Maatschappelijke voorzieningen.

4. [appellant] en anderen betogen dat de publicatie van het besluit inhoudelijk onjuist is, omdat hierin ten onrechte is vermeld dat bij besluit van 4 augustus 2015 omgevingsvergunning is verleend, terwijl dit 6 augustus 2015 moet zijn.

4.1. Dit betoog faalt. De vergadering van het college waarin is besloten om een gewijzigde omgevingsvergunning te verlenen vond plaats op 4 augustus 2015. Derhalve is bij besluit van 4 augustus 2015 omgevingsvergunning verleend. Dat bij de ondertekening van de omgevingsvergunning de datum 6 augustus 2015 is vermeld, doet hier niet aan af.

5. [appellant] en anderen betogen dat het besluit van 4 augustus 2015 dient te worden aangemerkt als een geheel nieuw besluit, en niet als een gewijzigd besluit, waartegen volledig hoger beroep openstaat.

5.1. Dit betoog faalt. Het besluit van 4 augustus 2015 is door het college genomen ter uitvoering van de tussenuitspraak van 8 juli 2015 en is een vervangend besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht. De wijziging ten opzichte van het besluit van 29 juni 2012 ziet uitsluitend op de in de tussenuitspraak aan het college gegeven opdracht om het geconstateerde gebrek te herstellen door te voldoen aan artikel 6.5, eerste lid, van het Bor. Het college stelt zich op het standpunt dat hieraan, gelet op het besluit van de raad van 2 juli 2015, thans is voldaan. Gelet op artikel 8:51b, tweede lid, en artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht, is tegen het besluit van 4 augustus 2015 een beroep van rechtswege van [appellant] en anderen ontstaan en is dit besluit betrokken in onderhavige procedure. Tegen dit besluit staat geen hoger beroep open. Gelet hierop is de als hoger beroep ingediende brief van 23 september 2015 van [appellant] en anderen aangemerkt als aanvullende zienswijze.

6. [appellant] en anderen betogen dat met het besluit van 4 augustus 2015 niet is voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Daartoe voeren zij aan dat ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen is overgelegd door het college. Voor zover geen verklaring van geen bedenkingen zou zijn vereist, is het besluit van de raad van 2 juli 2015 voorts inhoudelijk onjuist, onzorgvuldig voorbereid en ongemotiveerd, zodat het niet aan het besluit van 4 augustus 2015 ten grondslag kon worden gelegd, aldus [appellant] en anderen. Daartoe voeren zij aan dat de raad blijkens het verslag van de vergadering van 2 juli 2015 onjuist is voorgelicht over de inhoud van het collegevoorstel en de gevolgen indien niet in de vergadering van 2 juli 2015 op het voorstel zou worden beslist. Volgens [appellant] en anderen blijkt uit het verslag van de raadsvergadering van 2 juli 2015 dat ten onrechte steeds is gesproken over het verlenen van een verklaring van geen bedenkingen, terwijl die nu juist ontbreekt en het college tijdens de raadsvergadering ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat het centrumplan Vuren definitief geen doorgang zou vinden, indien de raad niet op 2 juli 2015 een besluit zou nemen. [appellant] en anderen voeren voorts aan dat de in de bijlage bij het besluit van 2 juli 2015 genoemde categorieën te ruim zijn. Verder ligt er volgens hen geen belangenafweging ten grondslag aan het besluit van 2 juli 2015. [appellant] en anderen voeren verder aan dat het besluit van 4 augustus 2015 incompleet en onvolledig is, nu de, tijdens de beroepsprocedure, opgestelde addenda bij de ruimtelijke onderbouwing niet ter inzage zijn gelegd, en dit besluit niet als herstel van het door de Afdeling geconstateerde gebrek kan gelden. Het besluit van 4 augustus 2015 is volgens hen ook inhoudelijk onjuist. Daartoe voeren zij aan dat de motivering met betrekking tot de verklaring van geen bedenkingen onjuist is. [appellant] en anderen wijzen hiervoor naar het verslag van de raadsvergadering van 2 juli 2015 waarin ten onrechte steeds wordt gesproken over het verlenen van een verklaring van geen bedenkingen, terwijl die nu juist ontbreekt. Voorts wordt in de omgevingsvergunning van 4 augustus 2015 ten onrechte gesteld dat een gewijzigde verklaring van geen bedenkingen is vastgesteld, hetgeen niet juist is, omdat het besluit van 2 juli 2015 de aanwijzing van categorieën gevallen betreft, waarin een verklaring niet is vereist

6.1. In de tussenuitspraak is geconcludeerd dat het besluit van 29 juni 2012 is genomen in strijd met artikel 6.5 van het Bor en 3:46 van de Awb. Het college is opgedragen om dit in het besluit van 29 juni 2012 geconstateerde gebrek binnen acht weken te herstellen door een nieuw besluit te nemen en dat op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. Daarbij is overwogen dat dient te worden voldaan aan artikel 6.5, eerste lid, van het Bor. Daarmee is het college evenwel, anders dan [appellant] en anderen betogen, niet opgedragen om een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in die bepaling aan het nieuwe besluit ten grondslag te leggen. Indien de gemeenteraad categorieën gevallen heeft aangewezen waarin een verklaring niet is vereist, als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, van het Bor, en het project valt binnen één of meer van deze categorieën, is geen sprake van strijd met artikel 6.5, eerste lid, van het Bor en is daarmee ook voldaan aan dit artikel.

Het college heeft in het besluit van 4 augustus 2015 verwezen naar het besluit van de raad van 2 juli 2015. In dit besluit is bepaald dat voor zover het college op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten 3°, van de Wabo bevoegd is om te beslissen op een aanvraag voor een omgevingsvergunning een verklaring van geen bedenkingen niet vereist is, indien sprake is van een project dat past binnen de in Bijlage I genoemde categorieën van gevallen. Deze Bijlage I vermeldt als categorieën van gevallen onder meer:

A. Wonen

(Bouw)projecten ten behoeve van woonfuncties, mits deze projecten passen binnen het door de gemeenteraad vastgestelde Bouwprogramma [..]

D. Maatschappelijke functies

(Bouw)projecten voor functies op het gebied van zorg, welzijn, onderwijs, cultuur, sport, religie en dienstverlening door de overheid, voor zover deze passen binnen het beleid als bepaald in het Manifest van Lingewaal.

Het college heeft in het besluit van 4 augustus 2015 gemotiveerd dat het project past binnen de categorie A. Wonen, nu het voorziet in 22 woningen en in overeenstemming is met het door de raad op 18 december 2008 vastgestelde Bouwprogramma 2008-2015, aangezien daarin is opgenomen dat in Vuren ruimte is voor de realisatie van 39 appartementen en in genoemde periode vanaf 2008 in Vuren geen appartementen zijn gerealiseerd. Het college heeft voorts gemotiveerd dat het project past binnen de categorie D. Maatschappelijke functies, nu het gezondheidscentrum in overeenstemming is met het Manifest van Lingewaal, waarin is opgenomen dat één van de basiskeuzes het ontwikkelen van een gezondheidscentrum in iedere kern is.

Aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals dat is neergelegd in het besluit van de raad van 2 juli 2015, kan slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien dit in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien dit in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het door [appellant] en anderen aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat daarvan sprake is. Anders dan zij betogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de in het besluit van 2 juli 2015 genoemde categorieën zo ruim zijn dat het inhoudt dat een verklaring van geen bedenkingen nooit is vereist, zoals het geval was met het besluit van 2 december 2010. Het besluit van 2 juli 2015 kan dan ook worden aangemerkt als een aanwijzing van categorieën van gevallen, als bedoeld in en in overeenstemming met artikel 6.5, derde lid, van het Bor. Voor het oordeel dat het besluit van 2 juli 2015 onzorgvuldig is voorbereid, aan dit besluit geen belangenafweging ten grondslag ligt en het onvoldoende is gemotiveerd en om die reden onverbindend zou zijn, bestaat evenmin grond. De enkele omstandigheid dat in het verslag van de raadsvergadering van 2 juli 2015 wordt gesproken over het verlenen van een verklaring van geen bedenkingen in plaats van het aanwijzen van categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring is vereist, is daarvoor onvoldoende. Het is voorts niet gebleken dat de raad op grond van onjuiste informatie van het college tot het besluit van 2 juli 2015 is gekomen.

Het door [appellant] en anderen aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat het project niet past binnen de in Bijlage I van het besluit van 2 juli 2015 genoemde categorieën van gevallen A. Wonen en D. Maatschappelijke voorzieningen. Gelet op het besluit van 2 juli 2015 is een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor niet vereist voor het project, zodat geen strijd bestaat met dat artikel. Nu het college met het besluit van 4 augustus 2015 aan artikel 6.5, eerste lid, van het Bor heeft voldaan, moet worden geoordeeld dat het in de tussenuitspraak van 8 juli 2015 geconstateerde gebrek is hersteld.

Voor zover [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte het addendum bij de ruimtelijke onderbouwing van 16 juli 2013 en het nadere addendum van 4 juni 2014 niet ter inzage heeft gelegd, wordt overwogen dat in de tussenuitspraak van 8 juli 2015 is bepaald dat het college met betrekking tot het nieuw te nemen besluit geen toepassing hoefde te geven aan afdeling 3.4 van de Awb en derhalve ook niet aan artikel 3:11 van de Awb. Ook het betoog van [appellant] en anderen dat in het besluit van 4 augustus 2015 ten onrechte eenmaal is vermeld dat de raad de verklaring van geen bedenkingen gewijzigd heeft vastgesteld op 2 juli 2015, slaagt niet. De minder juiste omschrijving door het college van de strekking van het besluit van de raad doet immers aan de rechtmatigheid van beide besluiten niet af, zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen.

Het betoog faalt.

7. Voor zover [appellant] en anderen zich keren tegen overwegingen van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

8. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak onder 11.2 en 22 is overwogen, is het hoger beroep gegrond. Hoewel de rechtbank in haar tussenuitspraken en einduitspraak niet heeft onderkend dat het besluit van 29 juni 2012 nog een gebrek bevat, te weten strijd met artikel 6.5 van het Bor, heeft de rechtbank in de einduitspraak het besluit van 29 juni 2012 terecht vernietigd. Gelet hierop en hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak van 8 juli 2015, dienen de aangevallen tussenuitspraken en einduitspraak met verbetering van de gronden waarop deze rusten te worden bevestigd. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van het college van 4 augustus 2015 is, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1, 5.1 en 6.1 is overwogen, ongegrond.

9. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. bevestigt de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 7 mei 2013, 29 april 2014 en 25 september 2014 in zaken nrs. 12/3942, 12/4090, 12/4091, 12/4171 en 12/4172;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal van 4 augustus 2015 ongegrond;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal aan [appellant] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Kos

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016

580.