Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:932

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
201502119/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:965, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 januari 2014 heeft de minister aan [appellante sub 3] een boete van € 8.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) en een boete van € 7.500,00 wegens vijf overtredingen van artikel 15, eerste lid, van de Wav, in totaal € 15.500,00. Bij drie onderscheiden besluiten van 22 januari 2014 heeft de minister aan [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] elk een boete van € 6.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav opgelegd en een boete van € 1.500,00 wegens overtreding van artikel 15, tweede lid, van de Wav, in totaal elk € 7.500,00.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 2
Wet arbeid vreemdelingen 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/152 met annotatie van mr. M.A.G. Reurs
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502119/1/V6.

Datum uitspraak: 6 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister),

2. [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] en hierna tezamen: [appellante sub 2]),

3. [appellante sub 3],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 januari 2015 in zaken nrs. 14/7892, 14/9039, 14/9040 en 14/9041 in het geding tussen:

[appellante sub 3] en [appellante sub 2]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2014 heeft de minister aan [appellante sub 3] een boete van € 8.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) en een boete van € 7.500,00 wegens vijf overtredingen van artikel 15, eerste lid, van de Wav, in totaal € 15.500,00. Bij drie onderscheiden besluiten van 22 januari 2014 heeft de minister aan [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] elk een boete van € 6.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav opgelegd en een boete van € 1.500,00 wegens overtreding van artikel 15, tweede lid, van de Wav, in totaal elk € 7.500,00.

Bij onderscheiden besluiten van 9 juli 2014 heeft de minister de daartegen door [appellante sub 3] en [appellante sub 2] gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 januari 2015 heeft de rechtbank de daartegen door [appellante sub 3] en [appellante sub 2] ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 9 juli 2014 vernietigd voor zover het de hoogte van de aan [appellante sub 3], [appellante sub 2A] en [appellante sub 2B] opgelegde boetes betreft, het bedrag van de boete verschuldigd door [appellante sub 3] vastgesteld op € 12.500,00, het bedrag van de boete verschuldigd door [appellante sub 2A] en [appellante sub 2B] elk vastgesteld op € 6.000,00, het bedrag van de boete verschuldigd door [appellante sub 2C] gehandhaafd op € 7.500,00, de besluiten van 22 januari 2014 in zoverre herroepen, bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats van de vernietigde besluiten treedt en de beroepen ongegrond verklaard voor zover meer of anders is gevorderd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

[appellante sub 3] en [appellante sub 2] hebben elk een verweerschrift ingediend en elk incidenteel hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2015, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. P. Farahani, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en [appellante sub 3], vertegenwoordigd door [directeur], en [gemachtigde], en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [directeur], allen bijgestaan door mr. E.A.C. van Kempen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Gelet op artikel XXV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving; Stb. 2012, 462, is op dit geding de Wav van toepassing zoals deze wet luidde tot 1 januari 2013.

2. De door een arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW op ambtsbelofte opgemaakte boeterapporten van 28 november 2013 houden in dat hem uit administratief onderzoek is gebleken dat een vreemdeling van Egyptische nationaliteit (hierna: de vreemdeling) van week 36 van het jaar 2012 tot en met week 2 van het jaar 2013, via [appellante sub 3] als uitzendkracht bij [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] arbeid heeft verricht, zonder dat daarvoor een tewerkstellingsvergunning was verleend. Het boeterapport met betrekking tot [appellante sub 3] houdt verder nog in dat [appellante sub 3] de vreemdeling arbeid als uitzendkracht heeft laten verrichten bij twee andere inleners.

De boeterapporten houden eveneens in dat niet is gebleken dat [appellante sub 3] onverwijld een afschrift van het geldige identiteitsdocument van de vreemdeling aan [appellante sub 2] heeft verzonden. De drie boeterapporten met betrekking tot [appellante sub 2] houden voorts in dat niet is gebleken dat de identiteit van de vreemdeling door [appellante sub 2] is vastgesteld en zij een afschrift van een geldig identiteitsdocument van de vreemdeling van [appellante sub 3] heeft ontvangen en dat in de administratie heeft opgenomen en bewaard.

Overtreding artikel 2 van de Wav

3. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

4. De rechtbank heeft overwogen dat de minister de boetes wegens overtreding van artikel 2 van de Wav terecht heeft opgelegd. Dat oordeel is door [appellante sub 3] in hoger beroep niet bestreden zodat dit voor [appellante sub 3] in rechte vaststaat.

5. [appellante sub 2] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister haar terecht driemaal een boete voor overtreding van artikel 2 van de Wav heeft opgelegd.

Daartoe is redengevend dat [appellante sub 2] ervoor heeft gekozen om met drie verschillende ondernemingen, die afzonderlijk in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel staan ingeschreven, aan het handelsverkeer deel te nemen. Voorts heeft [appellante sub 3] aan elk van de drie ondernemingen afzonderlijk gefactureerd voor door de vreemdeling verrichte werkzaamheden. Onder deze omstandigheden zijn zowel [appellante sub 2B], [appellante sub 2A] als [appellante sub 2C] als werkgever in de zin van de Wav aan te merken en heeft de minister aan alle drie de ondernemingen een boete mogen opleggen. Dat slechts één uitzendovereenkomst is gesloten, laat onverlet dat de vreemdeling feitelijk bij de drie ondernemingen arbeid heeft verricht, zodat deze omstandigheid niet tot een ander oordeel leidt.

Het betoog van [appellante sub 2] faalt.

Overtreding artikel 15 van de Wav

6. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wav draagt de werkgever die door een vreemdeling arbeid laat verrichten bij een andere werkgever er bij de aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de werkgever bij wie de arbeid feitelijk wordt verricht een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1˚ tot en met 3˚, van de Wet op de identificatieplicht, van de vreemdeling ontvangt.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, stelt de werkgever die het afschrift van het document, bedoeld in het eerste lid, ontvangt, de identiteit van de vreemdeling vast aan de hand van het genoemde document en neemt hij het afschrift op in de administratie.

7. De minister heeft aan [appellante sub 3] een boete opgelegd wegens vijf overtredingen van artikel 15, eerste lid, van de Wav. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 2 is overwogen, heeft [appellante sub 3] de vreemdeling ook bij twee andere inleners arbeid laten verrichten. De minister heeft vijf overtredingen van dat artikel geconstateerd, te weten drie maal in verband met [appellante sub 2] en twee maal in verband met de werkzaamheden bij de twee andere inleners. De boete die is opgelegd in verband met de andere twee inleners, in totaal € 3.000,00, is thans niet in geschil.

8. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er slechts één uitzendrelatie tussen [appellante sub 3] en [appellante sub 2C] is aangegaan in welk kader [appellante sub 3] slechts éénmaal de administratieve verplichting had om een identiteitsbewijs aan [appellante sub 2] te verschaffen. De rechtbank heeft volgens de minister voorts ten onrechte overwogen dat alleen [appellante sub 2C] artikel 15, eerste (lees: tweede) lid, van de Wav heeft overtreden. Dat betekent dat, voor zover het de tewerkstelling bij [appellante sub 2] betreft, de rechtbank ten onrechte de aan [appellante sub 3] opgelegde boete voor overtreding van artikel 15, eerste lid, heeft vastgesteld op € 1.500,00 en de aan [appellante sub 2A] en [appellante sub 2B] opgelegde boetes wegens overtreding van het tweede lid van dat artikel ten onrechte heeft vernietigd, aldus de minister.

8.1. De rechtbank heeft overwogen dat er feitelijk gezien sprake was van drie verschillende soorten werkzaamheden die zijn "weggeschreven" op de verschillende vennootschappen, dat de vertegenwoordiger van [appellante sub 2] bij [appellante sub 3] heeft verzocht om één uitzendkracht en dat voor de door de vreemdeling te verrichten werkzaamheden één uitzendovereenkomst is gesloten. De rechtbank heeft voorts overwogen dat voor [appellante sub 3] van belang is dat de werklocatie van het personeel altijd dezelfde is en dat sprake is van één contactpersoon en één uitzendovereenkomst.

De rechtbank heeft gelet hierop geoordeeld dat de minister in dit geval had kunnen en moeten aannemen dat er in wezen slechts één uitzendrelatie met [appellante sub 2] is aangegaan, in welk kader [appellante sub 3] slechts éénmaal de administratieve verplichting had om een identiteitsbewijs aan de inlener te verschaffen. Ten aanzien van [appellante sub 2] is [appellante sub 3] dus slechts éénmaal in overtreding geweest, aldus de rechtbank.

De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat [appellante sub 2] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er slechts één dossier van de vreemdeling in haar administratie voorkwam. De rechtbank heeft daaraan de conclusie verbonden dat alleen [appellante sub 2C] artikel 15, eerste (lees: tweede) lid, van de Wav heeft overtreden en dat de aan [appellante sub 2A] en [appellante sub 2B] opgelegde boetes derhalve elk met € 1.500,00 dienen te worden verminderd.

8.2. Zoals hiervoor onder 5 is overwogen zijn [appellante sub 2B], [appellante sub 2A] en [appellante sub 2C] alle drie als werkgever in de zin van de Wav aan te merken. Derhalve was [appellante sub 3] gelet op het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de Wav gehouden om aan elk van de drie vennootschappen van [appellante sub 2] een afschrift van het identiteitsdocument van de vreemdeling te verstrekken. Deze vennootschappen waren op hun beurt, gelet op het bepaalde in het tweede lid van genoemd artikel 15, elk voor zich gehouden om aan de hand van dit ontvangen afschrift de identiteit van de vreemdeling vast te stellen en het afschrift in de administratie op te nemen. Vaststaat dat [appellante sub 3] geen afschrift van het identiteitsdocument van de vreemdeling aan de vennootschappen van [appellante sub 2] heeft toegezonden en dat deze vennootschappen bijgevolg een dergelijk afschrift niet in de administratie hebben opgenomen. Aldus heeft [appellante sub 3] driemaal artikel 15, eerste lid, van de Wav overtreden en hebben de drie vennootschappen van [appellante sub 2] elk voor zich artikel 15, tweede lid, van de Wav overtreden. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat [appellante sub 3] slechts eenmaal artikel 15, eerste lid, van de Wav heeft overtreden en dat alleen [appellante sub 2C] artikel 15, tweede lid, van de Wav heeft overtreden.

Het betoog van de minister slaagt.

Matiging

9. Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, en artikel 15, eerste en tweede lid, van de Wav om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van de minister. De minister moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht de hoogte van de boete afstemmen op de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en op de ernst van de overtreding. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Ingevolge de verplichting hem opgelegd in artikel 19d, derde lid, van de Wav, heeft de minister beleidsregels vastgesteld waarin de boetebedragen voor de overtredingen zijn vastgesteld. Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.

De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

10. In situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt bestaat geen grond voor boeteoplegging. Die situatie doet zich in elk geval voor indien de overtreder aannemelijk heeft gemaakt dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

11. Hoewel de feiten en omstandigheden die de rechtbank in aanmerking heeft genomen als weergegeven in 8.1 niet kunnen leiden tot de conclusie dat zich in dit geval slechts één overtreding van artikel 15, eerste, dan wel tweede lid, van de Wav heeft voorgedaan, zijn deze wel relevant in het kader van het betoog van zowel [appellante sub 3] als [appellante sub 2] dat de hoogte van de totale boete niet evenredig is aan de ernst van de overtredingen en het ter zake aan haar te maken verwijt. In aanvulling op deze feiten en omstandigheden heeft [appellante sub 2] ter zitting van de Afdeling toegelicht dat [appellante sub 2B], [appellante sub 2A] en [appellante sub 2C] op dezelfde locatie zijn gevestigd, dat het bedrijfspand waarin alle werkzaamheden plaatsvinden één ingang heeft, dat de controle van het personeel vóór aanvang van de werkzaamheden steeds door dezelfde persoon - de productiechef - wordt gedaan en dat de drie vennootschapen een gezamenlijke personeelsadministratie hebben. Indien een medewerker eenmaal door de productiechef is gecontroleerd is er binnen het pand geen persoonsverwisseling meer mogelijk. In dat verband is van belang dat de minister ter zitting van de Afdeling heeft aangegeven het aanvaardbaar te achten dat in een geval als dit ter voldoening aan de verplichtingen voortvloeiend uit artikel 15 van de Wav wordt volstaan met het opnemen van één afschrift van het identiteitsdocument van de vreemdeling in de gezamenlijke personeelsadministratie. Aldus ziet het verwijt aan [appellante sub 3] en [appellante sub 2] op de omstandigheid dat [appellante sub 3] verzuimd heeft om in ieder geval één afschrift van het identiteitsdocument aan [appellante sub 2] te verstrekken en dat [appellante sub 2] verzuimd heeft om in ieder geval één afschrift in de gezamenlijke personeelsadministratie op te nemen. Gelet op dit samenstel van feiten en omstandigheden bestaat aanleiding het bedrag van de wegens overtreding van artikel 15, eerste, dan wel tweede lid, van de Wav opgelegde boetes te matigen en wel tot het boetenormbedrag voor het begaan van één overtreding. De rechtbank heeft in zoverre terecht de totale boete voor [appellante sub 3] vastgesteld op € 1.500,00 en de totale boete voor [appellante sub 2] feitelijk eveneens vastgesteld op € 1.500,00, zij het op onjuiste gronden.

De wijze waarop de rechtbank de totale boete voor [appellante sub 2] heeft vastgesteld leidt er ten onrechte toe dat alleen aan [appellante sub 2C] een boete wegens overtreding van artikel 15, tweede lid, van de Wav wordt opgelegd, terwijl de afzonderlijke vennootschappen van [appellante sub 2] elk voor zich deze overtreding hebben begaan. De matiging dient daarom aldus te worden toegepast dat voor elke vennootschap van [appellante sub 2] het bedrag van de verschuldigde boete moet worden vastgesteld op € 500,00.

Het betoog van zowel [appellante sub 3] als [appellante sub 2], dat de wegens overtreding van artikel 15 van de Wav opgelegde boetes dienen te worden gematigd, slaagt.

12. [appellante sub 2] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van het ontbreken van verwijtbaarheid, aangezien [appellante sub 2] aan het identiteitsdocument van de vreemdeling had kunnen zien dat hij de Egyptische nationaliteit had. Volgens [appellante sub 2] valt haar niets te verwijten, omdat de vreemdeling een Italiaans identiteitsdocument heeft getoond, waarop in het Italiaans stond dat zijn nationaliteit de Egyptische is. Nu van haar niet mag worden verlangd dat zij de Italiaanse taal foutloos beheerst, is sprake van het ontbreken van verwijtbaarheid of van een verminderde mate daarvan, zodat de boetes die wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav zijn opgelegd, verder dienen te worden gematigd, aldus [appellante sub 2].

12.1. De minister heeft de aan [appellante sub 2] wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav opgelegde boetes bij de boeteoplegging reeds met 25% gematigd, omdat de vreemdeling via een gecertificeerd uitzendbureau is ingeleend.

12.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 oktober 2007 in zaak nr. 200701639/1) is het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever in de zin van de Wav om bij aanvang van de arbeid na te gaan of aan de voorschriften van die wet wordt voldaan. Juist omdat de vreemdeling een Italiaans identiteitsdocument heeft overgelegd en [appellante sub 2], zoals zij te kennen heeft gegeven, de Italiaanse taal niet beheerst, had het op haar weg gelegen nader onderzoek te doen naar de verblijfsrechtelijke status van de vreemdeling en zijn status op de Nederlandse arbeidsmarkt, dan wel dat door [appellante sub 3] te laten doen. Door dat na te laten heeft [appellante sub 2] het risico genomen dat de Wav zou worden overtreden en dat zij dientengevolge zou worden beboet. De gevolgen daarvan komen voor haar rekening.

Het enkele betoog van [appellante sub 2], dat de overtreding haar niet valt te verwijten omdat van haar niet kan en mag worden verlangd dat zij het Italiaans beheerst, noopt derhalve niet tot matiging van de boete die aan [appellante sub 2] is opgelegd wegens overtreding van artikel 2 van de Wav. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2016 in zaak nr. 201504357/1/V6, waarin eveneens een Italiaans identiteitsdocument aan de orde was, maar waarin bijkomende omstandigheden aanwezig waren die naar het oordeel van de Afdeling tot matiging van de desbetreffende boete noopten.

Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen zoals zij heeft gedaan. Het betoog van [appellante sub 2] faalt.

13. Het betoog van [appellante sub 3], dat de haar opgelegde boete dient te worden gematigd, omdat zij wegens het Italiaanse identiteitsdocument van de vreemdeling in de veronderstelling verkeerde dat hij de Italiaanse nationaliteit had, faalt om diezelfde reden.

Conclusie

14. Het hoger beroep van de minister is gegrond. De incidenteel hoger beroepen van [appellante sub 3] en van [appellante sub 2] zijn eveneens gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling de beroepen tegen de onderscheiden besluiten van 9 juli 2014 gegrond verklaren en die besluiten vernietigen. De onderscheiden besluiten van 22 januari 2014 zullen worden herroepen. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door, gelet op hetgeen onder 11 is overwogen, het bedrag van de aan [appellante sub 2B], [appellante sub 2A] en [appellante sub 2C] opgelegde boetes elk vast te stellen op op € 6.500,00, dat wil zeggen een boete van € 6.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav en een boete van € 500,00 wegens overtreding van artikel 15, tweede lid, van de Wav en het bedrag van de aan [appellante sub 3] opgelegde boete vast te stellen op € 12.500,00, dat wil zeggen een boete van € 8.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav en een boete van € 4.500,00 wegens overtreding van artikel 15, eerste lid, van de Wav - bestaande uit het hiervoor onder 7 genoemde bedrag van € 3.000,00 en het onder 11 genoemde bedrag van € 1.500,00 - en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 9 juli 2014.

15. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] gegrond;

III. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 3] gegrond;

IV. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 januari 2015 in zaken nrs. 14/7892, 14/9039, 14/9040 en 14/9041;

V. vernietigt de besluiten van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 juli 2014, kenmerken WBJA/JA-WAV/1.2014.0314.001/BOB, WBJA/JA-WAV/1.2014.0421.001/BOB, WBJA/JA-WAV/1.2014.0422.001/BOB en WBJA/JA-WAV/1.2014.0424.001/BOB;

VI. herroept de besluiten van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 januari 2014, kenmerken 071306859/03, 071306861/03, 071306862/03 en 071306863/03;

VII. bepaalt dat het bedrag van de aan [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] opgelegde boetes worden vastgesteld op elk € 6.500,00 (zegge: zesduizend vijfhonderd euro);

VIII. bepaalt dat het bedrag van de aan [appellante sub 3] opgelegde boete worden vastgesteld op € 12.500,00 (zegge: twaalfduizend vijfhonderd euro);

IX. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 9 juli 2014;

X. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.984,00 (zegge: negentienhonderdvierentachtig euro, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XI. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellante sub 3] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.984,00 (zegge: negentienhonderdvierentachtig euro, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XII. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en [appellante sub 2C] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van drie maal € 328,00, in totaal € 984,00 (zegge: negenhonderdvierentachtig euro), voor de behandeling van het beroep vergoedt;

XIII. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante sub 3] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, griffier.

w.g. Sevenster w.g. Woestenburg-Bertels

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016

501.