Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:928

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
201507372/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:5832, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 februari 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van zijn in de basisregistratie personen (hierna: brp) geregistreerde persoonsgegevens afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module GBA 2016/1148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507372/1/A3.

Datum uitspraak: 6 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 augustus 2015 in zaak nr. 14/8779 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van zijn in de basisregistratie personen (hierna: brp) geregistreerde persoonsgegevens afgewezen.

Bij besluit van 11 november 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 augustus 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. N. El-Ghazi, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door T.J. de Bruin, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.8, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen (hierna: de Wet brp) worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

2. [appellant] is in de brp op basis van een verklaring onder belofte geregistreerd als [appellant], geboren op [..-..-….] te onbekend, China, gehuwd met [partner], in 1986 te [plaats], China. Op 1 juli 2013 heeft [appellant] het college verzocht deze gegevens te wijzigen in [naam], geboren op [..-..-….] te [plaats], China.

Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 24 februari 2014 heeft het college dit verzoek afgewezen, omdat niet onomstotelijk vaststaat dat de overgelegde documenten aan [appellant] toebehoren en het derhalve niet zeker is dat hij de persoon [naam] is van wie in de overgelegde documenten de gegevens zijn vermeld. De documenten die [appellant] had overgelegd zijn een huishoudregistratieboekje (hierna: hukou), een notarial certificate, een trouwboekje en een Chinees paspoort.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de afwijzing van zijn verzoek om wijziging van zijn persoonsgegevens in de brp terecht heeft gehandhaafd. Zij heeft miskend dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij dezelfde persoon is als degene die in de door hem overgelegde stukken is vermeld. Uit het paspoort, in samenhang bezien met de andere overgelegde documenten, volgt dat hij [naam] is en dat de in de brp geregistreerde gegevens derhalve onjuist zijn. Ook uit het in hoger beroep door hem overgelegde vingerafdrukkenonderzoek blijkt dat hij de in de overgelegde documenten vermelde [naam] is. Het paspoort is bovendien een brondocument dat hoger in rang is dan de eerder onder belofte afgelegde verklaring. [appellant] wijst erop dat hij niet op de hoogte was van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) (hierna: RANOV) op grond waarvan hij destijds gemakkelijk zijn persoonsgegevens kon laten wijzigen. Het oordeel van de rechtbank dat hij de thans moeilijke bewijspositie over zichzelf heeft afgeroepen is onredelijk omdat hij niet eerder wist dat hij zijn persoonsgegevens kon wijzigen. [appellant] voert verder aan dat de rechtbank gelet op de bijzondere omstandigheden van zijn geval desnoods van de vaste jurisprudentie dat met het overleggen van een geboorteakte en paspoort nog niet is aangetoond dat de betrokkene dezelfde persoon is als degene die in de documenten staat vermeld, had moeten afwijken. Tot slot wijst hij erop dat in andere gemeenten in vergelijkbare gevallen een verzoek tot wijziging wel wordt ingewilligd.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 10 februari 2016 in zaak nr. 201503281/1/A3) zal voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens, gelet op het systeem van de Wet brp, onomstotelijk moeten vaststaan dat deze gegevens onjuist zijn.

[appellant] is in de brp geregistreerd op grond van een op 6 november 2008 afgelegde verklaring onder belofte. Tijdens het eerste gehoor op 8 oktober 1995 en het nader gehoor op 9 november 1995 bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft hij de later in de brp geregistreerde persoonsgegevens opgegeven. Ook in het verslag van 20 november 1995 waarin aanvullingen op het verslag van het nader gehoor zijn opgenomen, zijn de gegevens van [appellant] vermeld zoals geregistreerd in de brp. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit het Chinese paspoort, de hukou, het notarial certificate en het trouwboekje welke [appellant] heeft overgelegd niet kan worden geconcludeerd dat de van hem in de brp geregistreerde persoonsgegevens onjuist zijn. Met het overleggen van die documenten heeft hij niet aangetoond dat deze documenten op hem betrekking hebben. De door [appellant] overgelegde documenten houden hieromtrent immers niets in, maar vermelden slechts gegevens van een zekere [naam], van wie [appellant] stelt dat hij die persoon is. Ook met het in hoger beroep overgelegde vingerafdrukkenonderzoek heeft hij niet aangetoond dat de documenten op hem betrekking hebben. Uit dit onderzoek kan slechts de conclusie getrokken worden dat [appellant] dezelfde persoon is als degene van wie de Centrale Recherche Informatiedienst destijds vingerafdrukken heeft afgenomen bij binnenkomst in Nederland, maar niet dat [appellant] de gestelde [naam] is. Nu niet vaststaat dat het Chinese paspoort op [appellant] betrekking heeft, is ook niet van belang dat het paspoort een brondocument is dat hoger is dan een onder belofte afgelegde verklaring. Verder heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat discrepantie bestaat tussen wat [appellant] heeft verklaard en de door hem overgelegde documenten. Hij heeft gesteld met [partner] te zijn getrouwd. In het trouwboekje, afgegeven op 19 februari 1986, is vermeld dat [naam] is getrouwd met [partner]. In de hukou waarin [partner] als registratiehouder is vermeld, staat dat zij weduwe is. Verder heeft [appellant] ter zitting bij de rechtbank verklaard zijn familie al twintig jaar niet te hebben gezien, terwijl in de hukou is vermeld dat hij is verhuisd om bij zijn vrouw te gaan wonen op 11 maart 2013.

Vaststaat dat aan [appellant] op grond van de RANOV een verblijfsvergunning is verleend. Dat hij destijds geen gebruik heeft gemaakt van de in die regeling vermelde gelegenheid de persoonsgegevens te wijzigen, hetgeen nu niet meer mogelijk is, komt voor zijn rekening, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen.

Voorts heeft de rechtbank terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014 in zaak nr. 201305273/1/A3 overwogen dat het betoog van [appellant] dat het college zijn belangen onvoldoende heeft betrokken in de besluitvorming niet slaagt. De Wet brp kent geen hardheidsclausule waarop [appellant] een beroep kan doen en laat gelet op het gesloten systeem van brondocumenten geen ruimte voor een belangenafweging.

Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de rechtbank terecht niet gehonoreerd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2012 in zaak nr. 201107228/1/A3 volgt dat het feit dat een gemeente persoonsgegevens van een persoon in de brp heeft ingeschreven op grond van documenten niet kan leiden tot het opnemen van persoonsgegevens van een andere persoon in een andere gemeente op grond van vergelijkbare documenten, indien dit in strijd zou zijn met de Wet brp.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college de afwijzing van het verzoek van [appellant] om wijziging van zijn persoonsgegevens in de brp terecht heeft gehandhaafd.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Borman w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016

582-805.