Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:927

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
201507389/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:5881, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van zijn in de basisregistratie personen (hierna: brp) geregistreerde persoonsgegevens afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module GBA 2016/1151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507389/1/A3.

Datum uitspraak: 6 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 augustus 2015 in zaak nr. 14/8893 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van zijn in de basisregistratie personen (hierna: brp) geregistreerde persoonsgegevens afgewezen.

Bij besluit van 11 november 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 augustus 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. N. El-Ghazi, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door T.J. de Bruin, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.8, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen (hierna: de Wet brp) worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

2. [appellant] is in de brp op basis van een verklaring onder belofte geregistreerd als [appellant], geboren op [..-..-….] te [plaats], China. Op 9 december 2013 heeft [appellant] het college verzocht deze gegevens te wijzigen in [appellant], geboren op [..-..-….] te [plaats], Fujian Province, China. Daartoe heeft hij een Chinees paspoort, een huishoudregistratieboekje (hierna: hukou) en een notarial certificate overgelegd.

Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 10 april 2014 heeft het college dit verzoek afgewezen, omdat niet onomstotelijk vaststaat dat de overgelegde documenten aan [appellant] toebehoren en het derhalve niet zeker is dat hij de persoon [appellant] is van wie in de overgelegde documenten de gegevens zijn vermeld.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de afwijzing van zijn verzoek om wijziging van zijn persoonsgegevens in de brp terecht heeft gehandhaafd. Zij heeft miskend dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij dezelfde persoon is als degene die in de door hem overgelegde stukken is vermeld. Uit het paspoort, in samenhang bezien met de andere overgelegde documenten, volgt dat hij [appellant] is en dat de in de brp geregistreerde gegevens derhalve onjuist zijn. Ook uit het in hoger beroep door hem overgelegde vingerafdrukkenonderzoek blijkt dat hij de in de overgelegde documenten vermelde [appellant] is. Het paspoort is bovendien een brondocument dat hoger in rang is dan de eerder onder belofte afgelegde verklaring. Gelet op de bijzondere omstandigheden van zijn geval had van de vaste jurisprudentie dat met het overleggen van een geboorteakte en paspoort nog niet is aangetoond dat de betrokkene dezelfde persoon is als degene die in de documenten staat vermeld, desnoods moeten worden afgeweken. Tot slot wijst hij erop dat in andere gemeenten in vergelijkbare gevallen een verzoek tot wijziging wel wordt ingewilligd.

3.1. Weliswaar is [appellant] verhuisd van de gemeente Rotterdam naar de gemeente Haarlem en heeft het college van de gemeente Haarlem een verzoek van [appellant] om wijziging van zijn persoonsgegevens inmiddels ingewilligd, maar dit neemt niet weg dat [appellant] belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Daartoe is redengevend dat hij in bezwaar heeft verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 10 februari 2016 in zaak nr. 201503281/1/A3) zal voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens, gelet op het systeem van de Wet brp, onomstotelijk moeten vaststaan dat deze gegevens onjuist zijn.

[appellant] is in de brp geregistreerd op grond van een op 10 juni 1998 afgelegde verklaring onder belofte. Ook tijdens het eerste gehoor bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst op 22 juli 1997 heeft hij de later in de brp geregistreerde persoonsgegevens opgegeven. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit het Chinese paspoort, de hukou en het notarial certificate welke [appellant] heeft overgelegd niet kan worden geconcludeerd dat de van hem in de brp geregistreerde persoonsgegevens onjuist zijn. Met het overleggen van die documenten heeft [appellant] niet aangetoond dat deze documenten op hem betrekking hebben. De door [appellant] overgelegde documenten houden hieromtrent immers niets in, maar vermelden slechts gegevens van een zekere [appellant], van wie [appellant] stelt dat hij die persoon is. Ook met het in hoger beroep overgelegde vingerafdrukkenonderzoek heeft hij niet aangetoond dat de documenten op hem betrekking hebben. Uit dit onderzoek kan slechts de conclusie getrokken worden dat [appellant] dezelfde persoon is als degene van wie de politie destijds vingerafdrukken heeft afgenomen bij binnenkomst in Nederland, maar niet dat [appellant] de gestelde [appellant] is. Nu niet vaststaat dat het Chinese paspoort op [appellant] betrekking heeft, is ook niet van belang dat het paspoort een brondocument is dat hoger is dan een onder belofte afgelegde verklaring.

Voorts heeft de rechtbank gelet op het overwogene in de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014 in zaak nr. 201305273/1/A3) terecht overwogen dat het betoog van [appellant] dat het college zijn belangen onvoldoende heeft betrokken in de besluitvorming niet slaagt. De Wet brp kent geen hardheidsclausule waarop [appellant] een beroep kan doen en laat gelet op het gesloten systeem van brondocumenten geen ruimte voor een belangenafweging.

Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de rechtbank terecht niet gehonoreerd. Daartoe heeft zij terecht verwezen naar de uitspraak van 16 mei 2012 van de Afdeling in zaak nr. 201107228/1/A3. Hieruit volgt dat het feit dat een gemeente persoonsgegevens van een persoon in de brp heeft ingeschreven op grond van documenten niet kan leiden tot het opnemen van persoonsgegevens van een andere persoon in een andere gemeente op grond van vergelijkbare documenten, indien dit in strijd zou zijn met de Wet brp.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college de afwijzing van het verzoek van [appellant] om wijziging van zijn persoonsgegevens in de brp terecht heeft gehandhaafd.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Borman w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016

582-805.