Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:923

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
201505496/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:6440, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 augustus 2014 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505496/1/A1.

Datum uitspraak:6 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juni 2015 in zaak nr. 15/582 in het geding tussen:

[appellant]

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (lees: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna het CBR)

Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2014 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.

Bij besluit van 17 december 2014 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2016, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.A. Launspach, werkzaam bij het CBR, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De politie Haaglanden heeft op 8 oktober 2013 een mededeling gedaan aan het CBR, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Volgens die mededeling is [appellant] op 23 september 2013 als bestuurder van een motorvoertuig aangehouden waarbij, na onderzoek, een alcoholgehalte dan 350 µg/l is geconstateerd. Voorts is gebleken dat [appellant] in de voorgaande periode van 4 jaar eerder is aangehouden, te weten op 9 januari 2010 en 26 september 2011 waarbij een alcoholgehalte van onderscheidenlijk 860 µg/l en 500 µg/l is geconstateerd.

Naar aanleiding van deze mededeling heeft het CBR [appellant] een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd. Dit onderzoek heeft plaats gevonden op 24 mei 2014 en is uitgevoerd door L. Luif, arts, en J.W. Peterse, psychiater. Het onderzoek heeft bestaan uit lichamelijk, psychiatrisch en laboratoriumonderzoek. In het verslag van bevindingen hebben de keurend arts en psychiater geconcludeerd dat er onvoldoende aanwijzingen aanwezig zijn om te kunnen concluderen dat er ten tijde van de aanhouding op 23 september 2013 sprake was van alcoholmisbruik of alcoholafhankelijkheid volgens de DSM-IV-TR, maar dat op basis van alle relevante gegevens de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin gesteld kan worden. De keurend arts en psychiater achten het niet aannemelijk dat [appellant] met het alcoholmisbruik is gestopt. Het CBR heeft het verslag van bevindingen aan zijn besluit ten grondslag gelegd en geconcludeerd dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid, waarna het zijn rijbewijs ongeldig heeft verklaard.

De rechtbank heeft geen grond gevonden voor het oordeel dat het CBR zich bij zijn besluitvorming niet op het verslag van bevindingen heeft mogen baseren en de rechtbank heeft overwogen dat het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van [appellant] heeft mogen overgaan. [appellant] verzet zich tegen de ongeldigverklaring.

2. De relevante bepalingen van de Wegenverkeerswet 1994, de Regeling maatregelen en rijvaardigheid en geschiktheid 2011 en de Regeling eisen geschiktheid 2000 zijn opgenomen in de bijlage die integraal onderdeel is van deze uitspraak.

Het geschil

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het CBR ten onrechte zijn rijbewijs ongeldig heeft verklaard. Hiertoe voert hij aan dat het CBR zich bij de besluitvorming ten onrechte heeft gebaseerd op het verslag van bevindingen. Met het verslag van bevindingen is volgens [appellant] de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin niet althans onvoldoende onderbouwd, nu uit het door het Medisch Centrum Haaglanden (hierna: het MCH) op 4 juli 2014 uitgevoerde onderzoek blijkt dat bij hem uitsluitend sprake is van een verhoogd MCV, hetgeen kan wijzen op een leveraandoening.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 januari 2013 in zaak nr. 201202701/1/A3), bestaat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld, slechts aanleiding om de ongeldigverklaring niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

3.2. Volgens het verslag van bevindingen is aan de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin ten grondslag gelegd dat waarschijnlijk sprake is van onderrapportage, omdat het door [appellant] opgegeven alcoholgebruik ten tijde van de laatste aanhouding niet overeenkomt met het bij hem vastgestelde alcoholgehalte. Voorts is in het verslag van bevindingen vermeld dat aanwijzingen bestaan voor een verhoogde alcoholtolerantie, aangezien [appellant] zich goed in staat voelde te rijden met het bij hem vastgestelde verhoogd promillage. Daarbij komt dat [appellant] heeft verklaard dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor belangrijke sociale verplichtingen. Door toch te rijden onder invloed riskeerde hij problemen met betrekking tot deze sociale verplichtingen, hetgeen volgens de psychiater een aanwijzing vormt voor alcoholmisbruik. Voorts vormt het bij laboratoriumonderzoek geconstateerde verlaagde erytrocytengetal met een verhoogd MCV volgens de keurend psychiater een aanwijzing voor recent, langdurig en overmatig alcoholgebruik, nu deze waarden niet door een lichamelijke ziekte of medicatiegebruik worden verklaard. Naast vorenstaand zijn de drie aanhoudingen binnen vier jaar eveneens in de beoordeling betrokken.

3.3. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het verslag van bevindingen naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is. Dat bij het door het MCH uitgevoerde onderzoek niet dezelfde bloedwaarden zijn vastgesteld als bij het aan het verslag van bevindingen ten grondslag liggende laboratoriumonderzoek, leidt niet tot de conclusie dat sprake is van een onjuist uitgevoerd onderzoek dan wel een onjuiste interpretatie door de keurend artsen van de uitslagen. Hierbij heeft de rechtbank terecht mede in aanmerking genomen dat het door het MCH uitgevoerde onderzoek van latere datum was en het bovendien op de weg van [appellant] had gelegen een tweede onderzoek te verzoeken indien hij twijfelde aan de juistheid van de laboratoriumuitslagen.

De rechtbank heeft voorts terecht in de stelling van [appellant] dat de verhoogde MCV-waarde mogelijk het gevolg is van een leveraandoening geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de in het verslag van bevindingen opgenomen conclusie. De rechtbank heeft in dit kader terecht overwogen dat [appellant] deze stelling niet heeft onderbouwd en de overige geconstateerde bloedwaarden geen aanwijzing voor een leverziekte bevatten. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin niet alleen is gesteld op basis van een verhoogd MCV, maar ook op basis van de overige bevindingen uit het onderzoek en de aanhoudingsgeschiedenis.

Het betoog faalt.

Conclusie

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016

604.

BIJLAGE

Wegenverkeerswet 1994

Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 134, tweede lid, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Ingevolge artikel 27, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de Wegenverkeerswet 1994, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

Regeling eisen geschiktheid 2000

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In de Bijlage is in hoofdstuk 8: "Psychiatrische stoornissen" in paragraaf 8.8. "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.