Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:912

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
201505013/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:3335, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 11 maart 2014 heeft [appellant] het college in gebreke gesteld, omdat het college een van rechtswege verleende vergunning niet bekend heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505013/1/A1.

Datum uitspraak: 6 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 mei 2015 in zaken nrs. 14/2435, 14/5652 en 14/5653 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij brief van 11 maart 2014 heeft [appellant] het college in gebreke gesteld, omdat het college een van rechtswege verleende vergunning niet bekend heeft gemaakt.

Bij brief van 25 maart 2014 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekend maken van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning.

Bij brief van 16 april 2014 heeft het college de ingebrekestelling afgewezen.

Bij besluit van 20 juni 2014 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 24 juni 2014 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van aanlegsteigers aan de Terbregse Rechter Rottekade te Rotterdam.

Bij uitspraak van 12 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het niet tijdig bekend maken van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning (AWB 14/2435) en de door hem ingestelde beroepen tegen de besluiten van 20 juni 2014 (AWB 14/5653) en 24 juni 2014 (AWB 14/5652) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de Bewonersorganisatie "Terbregge's Belang" een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[partijen] (hierna: [partij] en anderen) en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2016, waar [appellant], vergezeld van [persoon], bijgestaan door mr. J. Geelhoed, advocaat te Delft, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.J. van der Vlist, J.W. Wisse, mr. N. Chiang San Lin-Harpel, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Ter zitting zijn tevens gehoord de Bewonersorganisatie, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en [partij] en anderen. Aan de zijde van de Bewonersorganisatie is tevens verschenen J.F. Mani, deskundige.

Overwegingen

Inleiding

1. Het hoger beroep is beperkt tot de aangevallen uitspraak in zaak nr. 14/5652.

2. Het bouwplan voorziet in een aanlegsteiger met een lengte van ongeveer 95 m, evenwijdig aan de oever. De aanlegsteiger kan via een houten loopplank vanaf de oever worden bereikt. De aanlegsteiger heeft 16 zijsteigers, die plaats bieden aan 32 boten. De Bewonersorganisatie en [partij] en anderen vrezen dat realisering van het bouwplan leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat.

3. De relevante bepalingen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en de beheersverordening "Molenlaankwartier" zijn opgenomen in de bijlage die integraal onderdeel is van deze uitspraak.

4. [appellant] heeft op 30 oktober 2013 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend. Het college heeft zich in het besluit van 24 juni 2014 op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met de beheersverordening. Hoewel aanlegsteigers zijn toegestaan ingevolge de bestemming "Water II", is hetgeen met de aanvraag wordt beoogd, hiermee in strijd. Gelet op de grootte, het aantal ligplaatsen en de bedoeling de ligplaatsen commercieel te exploiteren, wordt het gebruik gezien als jachthaven en dat is niet toegestaan op deze bestemming, aldus het college. Het college is niet bereid om in afwijking van de beheersverordening omgevingsvergunning te verlenen.

De rechtbank heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met de beheersverordening. Zij heeft verder overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het geen omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo kan verlenen. De rechtbank heeft tevens overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo te verlenen.

Strijd met de beheersverordening

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met de beheersverordening. Onder verwijzing naar hetgeen volgens hem in het normale spraakgebruik onder 'aanlegsteigers' en 'jachthaven' wordt verstaan, voert [appellant] aan dat het bouwplan moet worden gekwalificeerd als 'aanlegsteiger' en niet als 'jachthaven'. Volgens hem voorziet de aanvraag uitsluitend in het bouwen van aanlegsteigers. De maatvoering van het bouwwerk dan wel veronderstellingen over zijn bedoeling maken dit niet anders. Er is geen sprake van een haven voor jachten met daarbij behorende voorzieningen, aldus [appellant].

5.1. De gronden waarop de aanlegsteigers zullen worden gebouwd, zijn bestemd voor onder meer verkeersdoeleinden te water. Op deze gronden zijn aanlegsteigers toegestaan. De beheersverordening bevat noch van "aanlegsteigers" noch van "jachthaven" een definitie. Voorts wordt in de beheersverordening geen beperking of nadere karakterisering van het gebruik van de aanlegsteigers voor verkeersdoeleinden te water gegeven, noch zijn daarin voorschriften opgenomen over het aantal aanlegsteigers en de toegestane afmetingen daarvan.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [appellant] voornemens is de aanlegsteigers waarin het bouwplan voorziet, te verhuren aan personen die met hun boot willen varen op onder meer de Rotte en daartoe hun boot aan deze steigers willen leggen. Naar het oordeel van de Afdeling worden de aanlegsteigers aldus gebruikt voor verkeersdoeleinden te water, zodat er reeds daarom geen strijd bestaat met de beheersverordening. De Afdeling wijst er in dit verband nog op dat in het vóór de beheersverordening ter plaatse geldende bestemmingsplan "Molenlaankwartier" op de gronden ook de bestemming "Water II" rustte en de gronden evenzeer bestemd waren voor verkeersdoeleinden te water. Tot augustus 2012 waren ter plaatse aanlegsteigers aanwezig voor, zoals de rechtbank heeft overwogen, 35 schepen. In dit verband wordt mede verwezen naar de door Hoogheemraadschap van Schieland bij besluit, verzonden op 31 juli 2001, verleende keurvergunning voor het behouden en onderhouden van steigers gelegen in de Rotte, tussen hectometerpaal 134.55 en hectometerpaal 133.50 aan de Terbregse Rechter Rottekade. Het bouwplan van [appellant] wijkt in zoverre niet af van de voorheen bestaande situatie.

Het betoog slaagt. Het subsidiaire betoog van [appellant], dat uitgaat van situatie dat het bouwplan wel in strijd is met de beheersverordening, behoeft geen bespreking meer.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak in zaak nr. 14/5652 dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 24 juni 2014 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

Beroep tegen het besluit van 24 juni 2014

7. [appellant] heeft betoogd dat het college niet bevoegd was een inhoudelijk besluit te nemen op de aanvraag om omgevingsvergunning. Hij heeft in dat kader aangevoerd dat het bouwplan niet in strijd is met de beheersverordening en daarom op de voorbereiding van het besluit op de aanvraag de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. Volgens [appellant] is inmiddels van rechtswege omgevingsvergunning ontstaan.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 oktober 2013, in zaak nr. 201302047/1/A1), dient het bestuursorgaan na ontvangst van een aanvraag om omgevingsvergunning tijdig te bezien welke procedure daarop ingevolge de Wabo van toepassing is. De beantwoording van de vraag of op een aanvraag om omgevingsvergunning de reguliere dan wel de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, is, gelet op artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd. Indien, voor zover thans van belang, de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van deze wet is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing.

7.2. Het college heeft de aangevraagde activiteit aangemerkt als een activiteit, waarop ingevolge artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Zoals hiervoor is overwogen, bestaat er echter geen strijd met de beheersverordening, zodat op de voorbereiding van het besluit op de aanvraag de reguliere procedure van toepassing is.

Uit artikel 3.9, derde lid, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb, volgt dat de omgevingsvergunning van rechtswege is verleend, als niet binnen de daarvoor geldende beslistermijn een besluit op de aanvraag wordt genomen. Bij brief van 23 december 2013 heeft het college de beslistermijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag op 30 oktober 2013 ingevolge artikel 3.9, tweede lid, van de Wabo met zes weken verlengd. Het heeft evenwel niet binnen deze termijn op de aanvraag beslist, zodat van rechtswege vergunning is verleend. Gelet hierop heeft het college, na het van rechtswege ontstaan van de omgevingsvergunning, ten onrechte op 24 juni 2014 alsnog op de aanvraag beslist. Het betoog slaagt.

8. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 24 juni 2014 is gegrond. Dit besluit komt wegens strijd met artikel 3.9, derde lid, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb, voor vernietiging in aanmerking. Nu het college geen uitvoering aan artikel 4:20c, eerste lid, van de Awb heeft gegeven, dient het alsnog binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak bekend te maken dat van rechtswege aan [appellant] omgevingsvergunning is verleend.

9. Het college dient ten aanzien van [appellant] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Samenvatting

10. De Afdeling heeft geoordeeld dat het bouwplan niet in strijd is met de beheersverordening. Omdat het college niet binnen de wettelijke termijn een besluit op de aanvraag heeft genomen, is van rechtswege een omgevingsvergunning ontstaan. De Afdeling heeft het college opgedragen om deze binnen twee weken bekend te maken. Hiertegen kan bezwaar worden gemaakt.

De thans bij de Afdeling aanhangige procedure had alleen betrekking op de vraag of het bouwplan in strijd is met de beheersverordening. De bij omwonenden bestaande en ter zitting van de Afdeling geuite bezwaren tegen realisering van het bouwplan zijn in deze procedure niet aan de orde. Deze bezwaren kunnen pas aan de orde komen in een eventuele procedure naar aanleiding van de bekendmaking van de vergunning van rechtswege.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 mei 2015 in zaak nr. 14/5652;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 24 juni 2014, kenmerk 1051393/OMV.13.10.00456SB gegrond;

IV. vernietigt dat besluit;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam op om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken dat de door [appellant] op 30 oktober 2013 gedane aanvraag om verlening van omgevingsvergunning van rechtswege is verleend;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.984,00 (zegge: negentienhonderdvierentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan H. [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 413,00 (zegge: vierhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Slump w.g. Pieters

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016

473.

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

[…]

Artikel 3.7

1. Deze paragraaf is van toepassing op de voorbereiding van besluiten, tenzij paragraaf 3.3 daarop van toepassing is.

[…].

Artikel 3.9

1. Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. […]

2. Het bevoegd gezag kan de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Het maakt zijn besluit daartoe bekend binnen de eerstbedoelde termijn. […]

3. Paragraaf. 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is, met uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f, van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag. […]

Artikel 3.10

1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:

a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°.

[…]

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:20b

1. Indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven.

[…]

Artikel 4:20c

1. Het bestuursorgaan maakt de beschikking bekend binnen twee weken nadat zij van rechtswege is gegeven.

[…]

Beheersverordening "Molenlaankwartier"

Artikel 2

In het verordeningsgebied gelden de volgende regels:

Artikel 2.1

Ten aanzien van het gebruik, het bouwen en het uitvoeren van werkzaamheden geldt de regeling zoals opgenomen in bijlage 1 en de daarbij behorende kaart zoals opgenomen in bijlage 2.

Artikel 22 van bijlage 1

[…]

2. De gronden aangewezen voor "Water II" zijn bestemd voor water, ten behoeve van verkeersdoeleinden te water, alsmede ten behoeve van de waterberging c.q. de waterhuishouding.

[…]

3.1. Op de gronden bedoeld in het tweede lid mag niet worden gebouwd, behoudens in de bestemming passende bouwwerken - geen gebouwen zijnde - van waterbouwkundige aard, te weten aanlegsteigers, keerwanden, beschoeiingen, duikers, met dien verstande dat bruggen niet zijn toegestaan.