Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:898

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
201506921/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "2e partiële herziening bestemmingsplan Oosteindsepolder en Warmoeziersweg (woonwagencentrum Bosland)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506921/1/R4.

Datum uitspraak: 6 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Bergschenhoek, gemeente Lansingerland,

en

de raad van de gemeente Lansingerland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "2e partiële herziening bestemmingsplan Oosteindsepolder en Warmoeziersweg (woonwagencentrum Bosland)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2016, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door J.P. Janse, en de raad, vertegenwoordigd door drs. W.L. Zwijnenburg en mr. R. Kazem, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft bij uitspraak van 20 mei 2015 in zaak nr. 201310937/2/R4 het besluit van de raad van 26 september 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Oosteindsepolder en Warmoeziersweg" vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen - Woonwagenstandplaats". Voorts heeft de Afdeling de raad opgedragen om uiterlijk 22 juli 2015 met inachtneming van hetgeen in die uitspraak en de uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 8 oktober 2014 ten aanzien van het betreffende plandeel is overwogen, een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. Met het besluit van 9 juli 2015 heeft de raad beoogd te voldoen aan de in de uitspraak van 20 mei 2015 opgenomen opdracht. Het besluit is zonder het opnieuw toepassen van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht vastgesteld.

2. Het plan voorziet in de herinrichting van het woonwagencentrum aan de Bosland in Bergschenhoek. In de plantoelichting is vermeld dat het plan uitgaat van een herschikking van de woonwagens op het westelijke deel van het terrein, zodat uiteindelijk zeven woonwagenstandplaatsen ter plaatse mogelijk zijn. Voorts is in de plantoelichting vermeld dat op het oostelijke deel van het terrein de bedrijfsbebouwing wordt herschikt.

3. [appellant] en anderen zijn allen bewoners van het woonwagencentrum aan de Bosland in Bergschenhoek. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover de zevende woonwagenstandplaats door middel van een wijzigingsbevoegdheid wordt mogelijk gemaakt en voor zover uitsluitend bedrijven in de milieucategorie 1 en 2, zoals bedoeld in de als bijlage bij de planregels bijgevoegde ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’, zijn toegestaan.

4. [appellant] en anderen betogen dat de zevende woonwagenstandplaats ten onrechte door middel van een wijzigingsbevoegdheid wordt mogelijk gemaakt. Volgens hen dient de zevende woonwagenstandplaats eveneens bij recht te worden toegestaan. Daartoe voeren [appellant] en anderen aan dat behoefte bestaat aan een zevende woonwagenstandplaats nu er onder meer al jarenlang een tekort aan woonwagenstandplaatsen is in het woonwagencentrum.

4.1. De raad stelt dat zes woonwagenstandplaatsen bij recht worden mogelijk gemaakt en een zevende woonwagenstandplaats door middel van een wijzigingsbevoegdheid wordt mogelijk gemaakt. Volgens de raad is een zevende woonwagenstandplaats ruimtelijk inpasbaar als op het oostelijke deel van het terrein de bedrijfsbebouwing wordt herschikt en de behoefte aan een zevende woonwagen is aangetoond.

4.2. Blijkens de verbeelding is, voor zover hier van belang, aan het westelijke deel van het terrein de bestemming "Wonen - Woonwagenstandplaats" met zeven bouwvlakken toegekend. Ter plaatse van één bouwvlak is blijkens de verbeelding tevens de aanduiding "wetgevingzone - wijzigingsgebied" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn de voor "Wonen - Woonwagenstandplaats" aangewezen gronden bestemd voor ten hoogste zeven woonwagenstandplaatsen, met dien verstande dat per woonwagenstandplaats maximaal één woonwagen is toegestaan, en voor woonwagens, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroep of bedrijf.

Ingevolge lid 3.2.2, onder a, van de planregels is een woonwagen uitsluitend toegestaan binnen een bouwvlak.

Ingevolge lid 3.6.1 van de planregels is ter plaatse van de aanduiding "wetgevingzone - wijzigingsgebied" het college van burgemeester en wethouders, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, bevoegd het plan te wijzigen door aan de bestemming "Wonen - Woonwagenstandplaats" een bouwvlak toe te voegen.

4.3. Gelet op de verbeelding en artikel 3, lid 3.1.1, aanhef en onder a en b, van de planregels in samenhang gelezen met lid 3.2.2, onder a, van de planregels stelt de Afdeling vast dat, anders dan partijen veronderstellen, zeven woonwagenstandplaatsen en woonwagens bij recht zijn toegestaan. Het betoog mist derhalve feitelijke grondslag en faalt.

5. [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte ter plaatse van de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijvigheid" uitsluitend bedrijven in de milieucategorie 1 en 2 zoals bedoeld in de als bijlage bij de planregels bijgevoegde ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’ zijn toegestaan. Zij voeren aan dat ter plaatse een autosloperij/demontagebedrijf was gevestigd. Volgens [appellant] en anderen was in het bestemmingsplan "Buitengebied" een hogere milieucategorie toegestaan. Met het overgangsrecht had derhalve rekening moeten worden gehouden in het plan, aldus [appellant] en anderen.

5.1. De Afdeling stelt vast dat de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijvigheid", die bedrijven in de milieucategorie 1 en 2 zoals bedoeld in de als bijlage bij de planregels bijgevoegde ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’ toestaat, ook in het besluit van 26 september 2013 waarbij het bestemmingsplan "Oosteindsepolder en Warmoeziersweg" gewijzigd is vastgesteld was opgenomen. [appellant] en anderen hebben deze beroepsgrond niet aangevoerd tegen het oorspronkelijke besluit van 26 september 2013. Hiermee hebben [appellant] en anderen hun beroepsgronden uitgebreid met een nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgrond. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede de rechtszekerheid van de andere partij, kan niet worden aanvaard dat nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2015 in zaak nr. 201407503/1/R2. Dit betekent dat deze beroepsgrond, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Lodeweges

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016

625.