Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:895

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
201505003/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:3210, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2013 heeft het college het verzoek van [appellant sub 2] en anderen om handhavend op te treden tegen het gebruik van gronden op het perceel [locatie] te Soest (hierna: het perceel) voor opslagdoeleinden afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2016/66 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
JOM 2016/288
OGR-Updates.nl 2016-0088
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505003/1/A1.

Datum uitspraak: 6 april 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Soest,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Soest,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 mei 2015 in zaak nr. 13/4432 in het geding tussen:

[appellant sub 2] en anderen

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2013 heeft het college het verzoek van [appellant sub 2] en anderen om handhavend op te treden tegen het gebruik van gronden op het perceel [locatie] te Soest (hierna: het perceel) voor opslagdoeleinden afgewezen.

Bij besluit van 26 juli 2013 heeft het college het door [appellant sub 2] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 3 februari 2015 heeft het college het besluit van 26 juli 2013 ingetrokken, het door [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van 4 april 2013 gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard en dat besluit, onder wijziging van de motivering, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 11 mei 2015 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van 3 februari 2015 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover daarbij het handhavingsverzoek is afgewezen, en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] en anderen hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend.

[appellant sub 2] en anderen hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2016, waar het college, vertegenwoordigd door B. Akciger, werkzaam bij de gemeente, en [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 2], zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door G. Kerssies en M.G.A. Langendorff, gehoord.

Overwegingen

1. [appellant sub 2] en anderen wonen in het oude stationsgebouw van Soest, tegenover het perceel waarop [belanghebbende] is gevestigd. Dit bedrijf slaat bouwmaterialen op het perceel op en verhuurt een deel van het perceel aan [bedrijf], die goederen opslaat en overpakt in kleinere eenheden. [appellant sub 2] en anderen hebben bezwaar tegen de buitenopslag van goederen op het gedeelte van het perceel ter hoogte van de voormalige betonwarenfabriek. Het college heeft geweigerd om handhavend op te treden, omdat volgens het college geen sprake is van een overtreding van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het college komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het handhavingsverzoek van [appellant sub 2] en anderen ten onrechte is afgewezen.

Hoger beroep college

2. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het ter plaatse als bestemmingsplan geldende "Uitbreidingsplan in Hoofdzaak" (hierna: het uitbreidingsplan) niet meer op het betreffende gedeelte van het perceel van toepassing is, nu dat plan ingevolge artikel 9.3.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: Invoeringswet Wro) zijn rechtsgevolg heeft verloren. Dit heeft volgens het college tot gevolg dat op het betreffende gedeelte van het perceel geen planologisch regime van toepassing is en het gebruik van dat gedeelte van het perceel voor buitenopslag ten behoeve van het bouwbedrijf geen overtreding oplevert.

2.1. Ingevolge artikel 9.1.4, eerste lid, van de Invoeringswet Wro wordt een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) gelijkgesteld met een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

Ingevolge artikel 9.3.2, eerste lid, worden plannen, regelingen en voorschriften die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingevolge artikel 10 van de Overgangswet ruimtelijke ordening en volkshuisvesting of ingevolge enige andere wettelijke bepaling geacht werden bestemmingsplannen in de zin van de WRO te zijn, gelijkgesteld met plannen als bedoeld in artikel 9.1.4, vierde lid.

Ingevolge het tweede lid vervallen de plannen, regelingen en voorschriften, bedoeld in het eerste lid, vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 maart 2010 in zaak nr. 200907266/1/H1), moet uit de artikelen 9.3.2 en 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro, in onderlinge samenhang bezien, worden afgeleid dat de onder de Woningwet 1901 tot stand gekomen uitbreidingsplannen hun rechtsgevolg behouden tot vijf jaar na inwerkingtreding van de Wro. Dit betekent dat het uitbreidingsplan, dat in 1949 is vastgesteld, zijn rechtsgevolg per 1 juli 2013 heeft verloren. Gelet hierop gold ten tijde van het besluit op bezwaar van 3 februari 2015 geen planologisch regime meer voor het betreffende gedeelte van het perceel. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar van 3 februari 2015 dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het gebruik van het gedeelte van het perceel ter hoogte van de voormalige betonwarenfabriek voor buitenopslag geen overtreding oplevert, zodat het ook niet bevoegd is om daartegen handhavend op te treden.

Het betoog slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit op bezwaar van 3 februari 2015 gegrond is verklaard, dat besluit is vernietigd, voor zover daarbij het handhavingsverzoek is afgewezen, en het college is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 2] en anderen tegen dit besluit alsnog ongegrond verklaren.

Incidenteel hoger beroep [appellant sub 2] en anderen

4. [appellant sub 2] en anderen hebben de Afdeling bij brief van 8 januari 2016 verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen, voor zover daarin is bepaald dat het perceel voor bedrijfsdoeleinden mag worden gebruikt. Voor zover [appellant sub 2] en anderen met deze brief hebben beoogd incidenteel hoger beroep in te stellen, is dit niet tijdig ingediend, omdat het buiten de termijn als bedoeld in artikel 8:110, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is ingediend. [appellant sub 2] en anderen hebben geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim zijn geweest. De Afdeling zal het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen daarom niet-ontvankelijk verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Soest gegrond;

II. verklaart het door [appellant sub 2] en anderen ingestelde incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 mei 2015 in zaak nr. 13/4432, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 3 februari 2015 gegrond is verklaard, dat besluit is vernietigd, voor zover daarbij het handhavingsverzoek is afgewezen, en het college is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 3 februari 2015 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016

531.