Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:882

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
201509189/1/R3 en 201509189/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "De Klaver (ong.), Haaren" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201509189/1/R3 en 201509189/2/R3.

Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te Haaren, en anderen,

en

de raad van de gemeente Haaren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "De Klaver (ong.), Haaren" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

[appellant] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen en de raad hebben een nader stuk ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 februari 2016, waar [appellant] en anderen, in de personen van [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door C. van Nuland, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

[appellant] en anderen en de raad hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Woonveste heeft dat bij afzonderlijke brief gedaan.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan voorziet onder meer in een blok van twaalf rijwoningen op gronden die op een afstand van ongeveer 25 m ten zuiden van de Klaver liggen, ten westen van de kern van Haaren. Deze gronden liggen thans nog braak. In het vorige bestemmingsplan "Kom Haaren" is reeds in woningbouw op deze locatie voorzien, maar de thans geplande woningen passen niet binnen de vigerende bouwvlakken. [appellant] en anderen wonen aan de Burgemeester den Oudenstraat. Hun woningen staan achter en in de nabijheid van de twaalf woningen die ten zuiden van de Klaver zijn voorzien. Zij zijn op zichzelf niet tegen nieuwe woningen op deze gronden, maar wel tegen de bouwmogelijkheden die voor deze woningen in het plan zijn opgenomen. [appellant] en anderen vrezen voor een onaanvaardbare aantasting van hun woongenot.

4. [appellant] en anderen voeren aan dat hun privacy en uitzicht onaanvaardbaar zullen worden aangetast en dat zij geluidhinder zullen ondervinden als gevolg van de nieuwe woningen. Daarbij wijzen zij erop dat deze woningen, anders dan in het vorige plan, aaneengesloten en op een afstand van 6 m tot 8 m tot de achtergrens van hun percelen zullen worden gebouwd.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant] en anderen geen onaanvaardbare overlast zullen ondervinden van de nieuwe woningen. Daarbij wijst de raad erop dat het vorige bestemmingsplan reeds bouwmogelijkheden bood en dat de thans voorziene woningbouw past binnen stedelijk gebied.

4.2. Aan de gronden tussen de Klaver en de gronden ten zuiden van de Klaver waarop twaalf woningen zijn voorzien is de bestemming "Verkeer" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder b, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor parkeer-, groen-, en speelvoorzieningen.

Aan de gronden ten zuiden van de Klaver waarop twaalf woningen zijn voorzien zijn de bestemming "Wonen", "specifieke vorm van wonen - nultredenwoning" en "aaneengebouwd" toegekend.

Ingevolge artikel 1, onder 1.34, wordt in deze regels onder een nultredenwoning verstaan een woning waarvan de woonkamer van de woning op de woonruimte vanaf de straat te bereiken is zonder traplopen (externe toegankelijkheid) en waar vanuit de woonkamer de keuken, het toilet, de badkamer en ten minste één slaapkamer zonder traplopen te bereiken zijn.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen, met ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" aangeduide maximum aantal wooneenheden, in de vorm van aaneengebouwde woningen ter plaatse van de aanduiding "aaneengebouwd".

b. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - nultredenwoning": uitsluitend nultredenwoningen.

Ingevolge lid 6.2.1, voldoen hoofdgebouwen aan de volgende kenmerken:

[…];

d. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - nultredenwoning" bedraagt de bouwhoogte, voor het bouwdeel op een afstand kleiner dan 8,0 m gemeten vanaf de voorgevel:

1. maximaal 8,0 m indien het hoofdgebouw met een plat dak wordt afgewerkt, waarbij maximaal twee bouwlagen gerealiseerd mag worden;

2. maximaal 10,0 m indien het hoofdgebouw met een schuine kap met een dakhelling van minimaal 30º en maximaal 55º wordt afgewerkt, waarbij maximaal twee bouwlagen gerealiseerd mogen worden;

e. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - nultredenwoning" bedraagt de bouwhoogte, voor het bouwdeel op en afstand groter dan 8,0 m gemeten vanaf de voorgevel maximaal 4,0 m.

4.3. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat hun privacy en uitzicht uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar zullen worden aangetast of dat zij onaanvaardbare geluidhinder zullen ondervinden als gevolg van het plan. Daarbij is van belang dat de nieuwe woningen op de gronden ten zuiden van de Klaver in een reeds bebouwde omgeving komen te staan. Daarnaast bedraagt de kortste afstand vanaf het bouwvlak voor deze woningen tot het bouwvlak voor de woningen van [appellant] en anderen ongeveer 18 m en tot de achtertuinen van hun woningen ongeveer 8 m. Voorts bedraagt de bouwhoogte van de nieuwe woningen maximaal 10 m. Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat het vorige bestemmingsplan niet voorzag in aaneengebouwde woningen die het uitzicht belemmeren, wordt overwogen dat het plan inderdaad voorziet in een meer compacte en aaneengesloten woonbebouwing, maar dat dit niet leidt tot het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt tot een goede ruimtelijke ordening. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat en dat de raad op basis van gewijzigde planologische inzichten kan kiezen voor een andere bestemming. Het betoog faalt.

5. Voorts voeren [appellant] en anderen aan dat woningen met een bouwhoogte van maximaal 10 m uit stedenbouwkundig oogpunt niet passen in de omgeving. Zij wijzen erop dat de woningen die ten westen van het plangebied liggen een aanzienlijk lagere feitelijke bouwhoogte hebben.

5.1. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat een bouwhoogte van maximaal 10 m niet in de omgeving past. De raad heeft in zijn keuze voor deze bouwhoogte in aanmerking mogen nemen dat de maximaal toegestane bouwhoogte voor de woningen ten westen van het plangebied eveneens 10 m bedraagt. Dat de feitelijke hoogte van deze woningen lager ligt, neemt niet weg dat de raad van de bestaande planologische bouwmogelijkheden heeft mogen uitgaan. Voorts heeft de raad in aanmerking mogen nemen dat het plan in een geleidelijke overgang naar de woningen ten oosten en ten zuiden van het plangebied voorziet waar een bouwhoogte van maximaal 9 m onderscheidenlijk 7,5 m is toegestaan. Het betoog faalt.

6. [appellant] en anderen voeren aan dat het bestreden plandeel ten onrechte een brandgang langs hun achtertuinen mogelijk maakt. Dit achterpad zal voor hen tot een sociaal onveilige situatie leiden. Zij wijzen erop dat een achterpad volgens het politiekeurmerk "Veilig wonen" onwenselijk is en dat de raad niet zonder meer voorbij mag gaan aan de aanbevelingen van de politie. Zij vrezen voorts dat de bomen die in hun achtertuinen staan zullen moeten worden gekapt, omdat de takken van deze bomen over het achterpad komen te hangen.

6.1. Dat het plan een brandgang of achterpad niet uitsluit, betekent niet dat het plan daarom niet had mogen worden vastgesteld. Naar uit het bestreden besluit blijkt, heeft de raad de aanbevelingen van de politie in zijn afweging betrokken. Voor zover een achterpad wordt aangelegd dient dit volgens de raad op grond van de aanbevelingen niet meer dan één hoek of kruising te hebben en breder dan 1,5 m en doodlopend te zijn. De raad stelt dat een achterpad aan deze aanbevelingen kan voldoen. De voorzieningenrechter overweegt dat niet is gebleken dat deze stelling onjuist is. Ook heeft de raad nog gewezen op de mogelijkheid van afsluiting door middel van een poort, maar dat dit, naar de raad terecht stelt, niet in een bestemmingsplan kan worden geregeld.

Vast staat dat de bomen op de percelen van [appellant] en anderen niet in het plangebied staan. Voorts heeft de raad aan de hand van kaartmateriaal toegelicht dat deze bomen door de gemeente niet zijn aangemerkt als waardevolle bomen. Wat ook zij van het betoog dat de bomen gekapt of takken gesnoeid zullen moeten worden, heeft de raad in redelijkheid geen overwegende betekenis hoeven toe te kennen aan de aanwezigheid van deze bomen. Het betoog faalt.

7. [appellant] en anderen betogen dat de raad zijn bezwaren tegen de drie door hen aangedragen alternatieven onvoldoende heeft gemotiveerd en geen rekening heeft gehouden met hun belangen. Ter weerlegging van het standpunt van de raad over het eerste alternatief, waarbij een groenstrook achter de woningen wordt aangelegd, voeren zij onder meer aan dat het belang van een groenstrook achter de woningen zwaarder weegt dan het belang van een groenstrook aan de voorzijde. Daarnaast heeft de raad niet aannemelijk gemaakt dat er extra kosten zijn gemoeid met het onderhoud van een openbare groenstrook achter de woningen. Over het tweede alternatief, waarbij de bergingen aan de voorzijde van de nieuwe woningen komen te staan en de achtertuinen bij deze woningen worden verruimd, voeren [appellant] en anderen onder meer aan dat de plaatsing van de bergingen aan de voorzijde geen problemen oplevert voor de zichtbaarheid. Daarnaast hebben tuinen een grotere ecologische waarden dan openbaar groen. Over het derde alternatief, waarbij de woningen ten opzichte van de Klaver haaks worden gesitueerd, voeren zij onder meer aan dat de overlast daarbij voor hen minder zal zijn, met name omdat in dat geval geen achterpad zal behoeven te worden aangelegd. Ook stellen zij dat een dergelijke situering van woningen vaker voorkomt in de omgeving. Volgens [appellant] en anderen is niet duidelijk waarom de raad heeft gekozen voor de door Woonveste gewenste bouwmogelijkheden.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bouwmogelijkheden voor het bestreden plandeel niet veel afwijken van de bouwmogelijkheden die reeds in het vorige bestemmingsplan waren opgenomen. Bij het bestreden besluit heeft de raad ter onderbouwing van deze stelling een schets opgenomen met een vergelijking van deze mogelijkheden. De raad acht de in het plan voorziene bouwmogelijkheden in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.

7.2. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

Het vorige bestemmingsplan voor het plangebied voorzag in ongeveer elf woningen op grote en diepe kavels, die niet zijn gerealiseerd. Met het oog op andere doelgroepen die speerpunt zijn van het gemeentelijke woonbeleid, waaronder starters en senioren, is daarom gekeken naar een andere invulling van het plangebied met kleinere kavels. Het resultaat van de onderhandelingen met Woonveste, die bereid is de woningen te bouwen, is dat in het plangebied onder meer twaalf nultredenwoningen voor één- en tweepersoonshuishoudens worden gebouwd. Ten opzichte van het vorige bestemmingplan blijft meer onbebouwde ruimte over. De raad heeft ervoor gekozen om die ruimte aan de voorzijde van de woningen te voorzien, omdat deze situering de beleving van de openbare ruimte ten goede komt, onderhoud van de gronden mogelijk maakt en oneigenlijk gebruik van die gronden voorkomt.

[appellant] en anderen hebben in hun zienswijze tegen het ontwerp van het plan drie alternatieven aangedragen. In het eerste alternatief is een openbare groenstrook als bufferzone opgenomen achter de nieuwe woningen ter plaatse van de gronden voor een achterpad. In het tweede alternatief staan de bergingen aan de voorzijde van de nieuwe woningen en zijn de achtertuinen bij deze woningen, ten koste van een achterpad, verruimd tot aan de achtertuinen van [appellant] en anderen. In het derde alternatief staan drie bouwblokken van vier woningen haaks ten opzichte van de Klaver, zodat deze woningen geen aaneengesloten geheel vormen.

De raad heeft de voor- en nadelen van elk door [appellant] en anderen aangedragen alternatief afgewogen. Over het eerste alternatief stelt de raad dat het aanleggen van een openbare groenstrook achter de woningen onwenselijk is, onder meer omdat het groen door minder mensen kan worden beleefd. Daarnaast is een groenstrook achter de woningen moeilijker te beheren en speelt het oneigenlijk gebruik van gronden in de hand. De voorzieningenrechter overweegt dat de raad overwegende betekenis heeft mogen toekennen aan deze bezwaren. Daarnaast is er geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van de raad dat de kosten van het beheer van een groenstrook achter de woningen hoger liggen dan bij een groenstrook vóór de woningen. Volgens de raad heeft het tweede alternatief onder meer als nadeel dat achtertuinen niet worden ontsloten. Daarnaast is het uit een stedenbouwkundig oogpunt onwenselijk om bergingen aan de voorzijde van de woningen, ten koste van openbaar groen, te plaatsen. De voorzieningenrechter overweegt dat de raad deze bezwaren zwaarder heeft mogen laten wegen. Voorts heeft het derde alternatief volgens de raad als nadelen dat de woningen dichter bij de zijdelingse erfgrens komen te staan en zijtuinen in aanraking komen met achtertuinen. Bovendien wijkt deze stedenbouwkundige opzet af van de bestaande opzet in de omgeving. De voorzieningenrechter overweegt dat de raad ook deze bezwaren zwaarder heeft mogen laten wegen. Daarbij is van belang dat [appellant] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat woningen die haaks ten opzichte van de weg staan in de omgeving passen.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de raad zijn bezwaren tegen de drie door [appellant] en anderen aangedragen alternatieven onvoldoende heeft gemotiveerd en geen rekening heeft gehouden met hun belangen. Het betoog faalt.

8. [appellant] en anderen voeren aan dat de voorbereiding van het plan gebrekkig is verlopen. Zij klagen onder meer over de wijze waarop met hen over het ontwerp van het plan is gecommuniceerd.

8.1. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat het plan niet met inachtneming van de voor de totstandkoming van een bestemmingsplan geldende wettelijke regels is vastgesteld. De klacht over de gebrekkige communicatie is onvoldoende om tot het oordeel te leiden dat het plan dusdanig onzorgvuldig tot stand is gekomen dat het niet in stand kan blijven. Het betoog faalt.

9. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

10. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Man

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

629.