Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:848

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
201505466/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:6112, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 april 2014 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een omgevingsvergunning voor het veranderen van de woning [locatie] te Den Haag tot vijf woningen buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505466/1/A1.

Datum uitspraak: 30 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te 's-Gravenhage,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 mei 2015 in zaak nr. 14/8719 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2014 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een omgevingsvergunning voor het veranderen van de woning [locatie] te Den Haag tot vijf woningen buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 5 augustus 2014 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2016, waar [appellante], bijgestaan door mr. P. Rijpstra, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Amerongen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De aanvraag heeft betrekking op de legalisering van het veranderen van de eengezinswoning [locatie] tot vijf wooneenheden. Het college heeft [appellante] bij brief van 18 oktober 2013 om aanvullende gegevens verzocht en haar tot en met 22 november 2013 in de gelegenheid gesteld deze in te dienen. Deze termijn is door het college vervolgens drie maal verlengd tot en met uiteindelijk 4 april 2014. [appellante] heeft op 9 april 2014 aanvullende gegevens ingediend. Het college heeft de aanvraag vervolgens bij het besluit van 17 april 2014 buiten behandeling gesteld, omdat [appellante] niet alle benodigde aanvullende gegevens had ingediend.

2. Volgens de bijlage bij het besluit van 17 april 2014 ontbraken met betrekking tot de activiteit bouwen de volgende gegevens en bescheiden:

1. Tekeningen die het gebruik als eengezinswoning weergeven.

2. Een situatietekening met daarop aangegeven de afmetingen van het perceel, de bebouwing en de ontsluiting naar de openbare weg.

3. Tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, met daarop aangegeven de te openen delen en ventilatievoorzieningen.

4. Detailtekeningen van de woningscheidende constructiedelen en de constructiedelen tussen de woningen en de gemeenschappelijke verkeersruimte.

5. Foto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing.

6. Gegevens en bescheiden waaruit blijkt dat het bouwwerk voldoet aan de gestelde eisen in relatie tot:

a. De ventilatievoorzieningen van ruimten en de voorzieningen betreffende de afvoer van verbrandingsgassen.

b. De brandvoortplantingsklasse en de rookklasse van de toegepaste materialen in het trappenhuis.

c. De aanduiding van de meterkasten.

Verder ontbraken volgens de bijlage met betrekking tot de activiteit "Monument regulier" de volgende gegevens en bescheiden:

1. Overzichts- en detailfoto’s monument.

2. Aanvullende tekeningen zoals detail- en doorsnedetekeningen.

3. [appellante] heeft in hoger beroep de vraag opgeworpen of zij voldoende belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van

5 augustus 2014. Zij heeft geen belang bij het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de vijf woningen, omdat zij als verkrijger te goeder trouw van het pand niet als overtreder kan worden aangemerkt van het verbod een illegaal opgericht bouwwerk in stand te laten, waarbij zij wijst op de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2010 in zaak nr. 200901588/1/H1. Daaruit volgt dat zij niet als overtreder kan worden aangemerkt, aldus [appellante].

3.1. [appellante] heeft een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend, zodat in beginsel moet worden aangenomen dat zij belang heeft bij een oordeel over de rechtmatigheid van het besluit op die aanvraag. Of, zoals [appellante] stelt, aan haar geen last onder dwangsom bij besluit van 29 augustus 2013 kon worden opgelegd, omdat zij niet als overtreder van het verbod een illegaal opgericht bouwwerk in stand te laten kan worden aangemerkt, betreft een vraag die in deze procedure niet aan de orde.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om haar aanvraag niet in behandeling te nemen. Daartoe voert zij aan dat toen zij het pand kocht reeds sprake was van vijf wooneenheden en zij niet wist dat deze wooneenheden zonder vergunning waren gerealiseerd. Het college heeft niet gemotiveerd welk doel is gediend met het verzoek om tekeningen van de oude situatie, waarover zij bovendien niet beschikt. Volgens [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de tekeningen nodig zijn, omdat het zonder die tekeningen niet mogelijk is een goed overzicht te krijgen van alle constructieve wijzigingen waarvoor vergunning is gevraagd en toetsing aan het bestemmingsplan en de bouwverordening wordt bemoeilijkt. Voor een aanvraag om bouwvergunning in 2010 waren geen tekeningen van de bestaande toestand vereist en zij mocht daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat deze tekeningen ook niet ingediend hoefde te worden voor de onderhavige aanvraag. Het college kan ook op andere wijze, bijvoorbeeld door middel van een inspectie, de benodigde gegevens verkrijgen en het was in dit geval, gelet op het verleden, ook redelijk als het college dat had gedaan. Voorts dient bij de beoordeling van de vraag of het college redelijkerwijs de aanvraag buiten behandeling heeft kunnen stellen, mede te worden betrokken dat de gemeente haar jarenlang op het verkeerde been heeft gezet en haar veel schade heeft berokkend. Zij is te goeder trouw afgegaan op een mededeling van de zijde van de gemeente, dat een omgevingsvergunning was vereist en zij zonder omgevingsvergunning de woningen niet mocht verhuren. Naar achteraf blijkt ten onrechte, nu zij niet als overtreder van het verbod om een illegaal opgericht bouwwerk in stand te laten kan worden aangemerkt. Zij wijst er tenslotte op dat door haar twee enveloppen bij de gemeente zijn afgegeven, die de gemeente stelt niet te hebben ontvangen en zij meermalen heeft aangeboden de benodigde stukken nogmaals ter beschikking te stellen, aldus [appellante].

4.1. Ingevolge artikel 4.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) verstrekt de aanvrager, onverminderd artikel 4.2, tweede lid, van de Awb en voor zover dat naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is voor het nemen van de beslissing op de aanvraag, bij de aanvraag de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens en bescheiden ten aanzien van de activiteiten binnen het project waarop de aanvraag betrekking heeft.

Ingevolge het tweede lid behoeven deze gegevens en bescheiden niet te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag reeds over die gegevens of bescheiden beschikt.

Ingevolge artikel 2.3 van de Regeling omgevingsrecht (hierna: Mor) verstrekt de aanvrager, in of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit, de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van de toetsing aan het bestemmingsplan of de beheersverordening, en, voor zover van toepassing, de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening:

a. de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekening voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie;

[..]

d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak, alsmede de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde, de wijze waarop het terrein ontsloten wordt, de aangrenzende terreinen en de daarop voorkomende bebouwing en het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;

[..]

h. overige gegevens en bescheiden welke samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan een bestemmingsplan, beheersverordening dan wel een besluit als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening;

[..].

4.2. Het betoog biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de door het college gevraagde gegevens en bescheiden niet nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning, dan wel dat zij daarover niet redelijkerwijs kon beschikken. Uit artikel 2.3, aanhef en onder a en d, van het Mor volgt dat door de aanvrager bij de aanvraag tekeningen van de bestaande situatie moeten worden overgelegd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] niet kan worden gevolgd in haar standpunt, dat de tekeningen van de bestaande situatie niet nodig zijn voor toetsing aan planologische en stedenbouwkundige voorschriften. Haar stelling in hoger beroep, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het zonder de tekening van de oude situatie niet mogelijk is een goed overzicht te krijgen van alle constructieve wijzigingen waarvoor vergunning wordt gevraagd en als gevolg hiervan de toetsing aan het bestemmingsplan en de bouwverordening wordt bemoeilijkt, is onvoldoende voor een ander oordeel. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft de regelgever de verantwoordelijkheid voor het indienen van de benodigde bescheiden in beginsel bij de aanvrager gelegd. De enkele stelling van [appellante] dat de door het college vereiste tekeningen niet voorhanden zijn is onvoldoende voor het oordeel dat zij daarover redelijkerwijs niet kon beschikken. [appellante] heeft in hoger beroep niet betwist dat het, zoals de rechtbank heeft overwogen, mogelijk is om met behulp van de tekeningen ten behoeve van de oorspronkelijke bouwvergunning van het pand die zich in het gemeentearchief bevinden een tekening van de oude situatie op de juiste schaal te laten maken. Voorts beperkt de bij het besluit van 17 april 2014 gevoegde lijst van nog ontbrekende en benodigde gegevens en bescheiden zich niet tot tekeningen van de oude situatie voorafgaand aan de realisering van de vijf woningen. [appellante] heeft met betrekking tot de overige gegevens en bescheiden niet betwist dat deze noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en zij hierover redelijkerwijs kan beschikken.

Dat [appellante], naar zij stelt, in het kader van de aanvraag twee enveloppen met alle benodigde stukken bij de gemeente heeft afgegeven, die de gemeente niet heeft ontvangen, is niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat zij dit heeft gedaan is onvoldoende. Voor zover [appellante] aanvoert dat zij meermalen heeft aangeboden de stukken nogmaals ter beschikking te stellen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college weliswaar bevoegd was buiten de termijn ingediende stukken in het kader van de heroverweging in bezwaar mee te nemen, maar dat dit een discretionaire bevoegdheid betreft die terughoudend dient te worden getoetst. Het door [appellante] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat het college gehouden was in te gaan op haar aanbod om alsnog stukken over te leggen en vervolgens deze buiten de termijn ingediende stukken in het in het kader van de heroverweging in bezwaar mee te nemen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de aan [appellante] in de brief van 18 oktober 2013 geboden termijn tot en met 22 november 2013 driemaal is verlengd tot en met uiteindelijk 4 april 2014 en het college bovendien de op 9 april 2014 en derhalve eigenlijk te laat ingediende stukken bij zijn beoordeling of alle benodigde stukken waren ingediend heeft betrokken.

Voor zover [appellante] stelt dat zij niet als overtreder van het verbod om een illegaal opgericht bouwwerk in stand te laten kan worden aangemerkt, wordt overwogen dat deze vraag zoals hiervoor, onder 4.1, is overwogen niet in deze procedure aan de orde is.

De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de aanvraag van [appellante] niet in behandeling te nemen.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2016

580.