Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:846

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
201506330/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2009 vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506330/1/A2.

Datum uitspraak: 30 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2015 in zaak nr. 15/2408 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2009 vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 18 maart 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 26 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.P. Sanchez Montoto, advocaat te Wassenaar, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, aldaar werkzaam, zijn verschenen.

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1. [appellante] maakte in 2009 voor haar twee kinderen gebruik van gastouderopvang via [gastouderbureau]. Daarvoor heeft zij kinderopvangtoeslag aangevraagd en vervolgens die toeslag in de vorm van voorschotten ontvangen. Na controle is de kinderopvangtoeslag van [appellante] bij het in het procesverloop vermelde besluit van 27 mei 2014 vastgesteld op nihil.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit van 18 maart 2015, waarbij het door [appellante] tegen het besluit van 27 mei 2014 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, ten grondslag gelegd dat het besluit van 27 mei 2014 op de gebruikelijke wijze naar het adres van [appellante] dat bekend is bij de gemeente is verzonden. Voorts zijn er in de periode van belang geen problemen bij de verzending van besluiten geweest. Dat brengt mee dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij het besluit niet heeft ontvangen en verder heeft zij geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding aangevoerd.

Hoger beroep

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij in verzuim is geweest bij de overschrijding van de bezwaartermijn. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit van 27 mei 2014 op of omstreeks die datum aan [appellante] is verzonden. Het besluit is niet aangetekend verzonden. Uit het dossier kan slechts worden opgemaakt dat de Belastingdienst/Toeslagen een duplicaat van het besluit op 27 januari 2015 aan [appellante] heeft verzonden. Zij heeft het besluit niet eerder ontvangen. Dit blijkt volgens [appellante] uit de omstandigheid dat zij de Belastingdienst/Toeslagen op 13 januari 2015 door tussenkomst van haar toenmalige gemachtigde in gebreke heeft gesteld vanwege het uitblijven van de definitieve vaststelling kinderopvangtoeslag over 2009. Het is niet aannemelijk dat zij het besluit van 27 mei 2014 zou hebben ontvangen en vervolgens de Belastingdienst/Toeslagen in januari 2015 in gebreke zou stellen wegens het uitblijven van een besluit, aldus [appellante].

Wettelijk kader

3. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:7 bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 35 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan op de dag na die van dagtekening van de beschikking, tenzij de dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking.

Oordeel van de Afdeling

4. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 mei 2011 in zaak nr. 201010777/1/V1, terecht vooropgesteld dat de hoogste bestuursrechters alle als uitgangspunt hanteren dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt met zich dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres.

Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

4.1. Vast staat dat het besluit van 27 mei 2014 niet aangetekend is verzonden. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de geautomatiseerde verwerking en verzending van besluiten met betrekking tot kinderopvangtoeslag in beroep bij de rechtbank toegelicht. De toelichting komt overeen met de toelichting die is gegeven in het geval dat aan de orde was in de uitspraak van 21 maart 2012 in zaak nr. 201106974/1/A2. In die uitspraak heeft de Afdeling geaccepteerd dat met deze werkwijze de juiste verzending aannemelijk kan worden gemaakt. De werkwijze houdt onder meer in dat, nadat de medewerker van de Belastingdienst/Toeslagen een beslissing in het systeem heeft ingevoerd, deze op een centrale locatie wordt verwerkt tezamen met duizenden andere beslissingen. Daarna wordt de beslissing ingelezen in het zogenoemde - door de Ontvanger van de Belastingdienst gehanteerde - DACAS-systeem, op welk moment ook een dagtekening aan de beslissing wordt gegeven. Na de verwerking in de systemen wordt de beslissing zo spoedig mogelijk verzonden, maar in ieder geval vóór of op de dagtekening. De datum van daadwerkelijke verzending is afhankelijk van de capaciteit van de printstraat, welke behalve voor de beslissingen over kinderopvangtoeslag ook voor andere onderdelen van de Belastingdienst wordt gebruikt. Zodra de beslissing wordt uitgeprint en ter verzending aan de postbezorger wordt aangeboden, wordt een kopie ervan opgeslagen in het Digitaal Archief Systeem (DAS).

4.2. Blijkens de bij het verweerschrift in beroep gevoegde printafdrukken heeft het in geding zijnde besluit in DACAS de dagtekening 27 mei 2014 en is het op 20 mei 2014 in DAS gearchiveerd. Nu verder van onjuiste tenaamstelling en adressering en van verzendproblemen in de betreffende periode niet is gebleken heeft de rechtbank terecht overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen hiermee de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, zodat het aan [appellante] is om feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Hierin is [appellante], naar de rechtbank evenzeer terecht heeft geoordeeld, niet geslaagd. De enkele stelling van [appellante] dat het niet aannemelijk is dat zij het besluit van 27 mei 2014 zou hebben ontvangen omdat zij anders de Belastingdienst/Toeslagen niet in januari 2015 in gebreke had gesteld vanwege het uitblijven van een besluit is hiertoe onvoldoende.

Conclusie

5. Het betoog van [appellante] faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Kramer w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2016

18-809.