Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:841

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
201505524/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:6271, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2014 heeft het college [appellant] een vergunning verleend voor een standplaats op het marktterrein aan de Herman Costerstraat te Den Haag (hierna: de Haagse markt).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505524/1/A3.

Datum uitspraak: 30 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 juni 2015 in zaak nr. 15/651 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2014 heeft het college [appellant] een vergunning verleend voor een standplaats op het marktterrein aan de Herman Costerstraat te Den Haag (hierna: de Haagse markt).

Bij besluit van 18 december 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.C. van Meppelen Scheppink, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.N. Sloote, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Na herinrichting van de Haagse markt heeft het college ambtshalve nieuwe standplaatsvergunningen verleend aan ondernemers aan wie voorafgaand aan deze herindeling een standplaatsvergunning was verleend. De bij het besluit van 11 juli 2014 aan [appellant] vergunde standplaats nr. 6.24 is in front, dan wel oppervlakte meer dan 33% kleiner dan de vóór de herinrichting aan [appellant] vergunde standplaats nr. 396.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat vóór de herinrichting één standplaats aan hem was vergund. Standplaats nr. 396 is in 2005 uit samenvoeging van standplaatsen nrs. 376 en 377 ontstaan, zodat hij voorafgaand aan de herinrichting met standplaats nr. 396 in feite twee standplaatsen innam. Het college heeft hem na de herinrichting ten onrechte geen twee standplaatsen vergund, aldus [appellant].

2.1. Volgens de op 21 januari 2014 vastgestelde en op 30 januari 2014 in werking getreden beleidsregel uitdelingscriteria nieuwe Haagse markt 2013 (hierna: de beleidsregel) worden standplaatshouders na de herontwikkeling, met toepassing van het zogenoemde doorprikmodel, weer op de Haagse markt teruggeplaatst. Het is daarbij niet mogelijk om iedereen op exact dezelfde plaats terug te plaatsen, omdat de standplaatsen in de oude situatie, anders dan in nieuwe situatie, verschillende afmetingen hadden. Sommige standplaatshouders zullen in de nieuwe situatie een grotere standplaats krijgen, andere een kleinere.

2.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] voorafgaand aan de herindeling over een vergunning voor één standplaats beschikte. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Vreugd volgens de beleidsregel voor één standplaats in aanmerking kwam.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat hij niet met een tweede standplaats hoeft te worden gecompenseerd voor het verlies aan verkoopruimte ten opzichte van de situatie vóór de herinrichting. Hij verwijst in dit verband naar de brief van het college van 13 januari 2014, waarin hij over zijn standplaats ná de herinrichting is geïnformeerd. Het beleid waarmee het college op deze brief is teruggekomen is onduidelijk en niet gebaseerd op de beleidsregel. Verder stelt [appellant] dat hij na de herinrichting 41% minder verkoopruimte heeft, hetgeen in zijn branche, verkoop van koffers, tassen en lederwaren, wegens de ruimte die deze producten innemen, een grote achteruitgang is, aldus [appellant]. Hij verwijst naar de 'verklaring marktkamerleden indeling nieuwe standplaatsen Haagse markt' van 29 september 2014.

3.1. Volgens voormelde brief van het college van 13 januari 2014 wordt aan standplaatshouders met een vergunning voor één standplaats, indien zij in de situatie na herinrichting in front en/of oppervlakte meer dan 33% erop achteruitgaan ten opzichte van de situatie vóór herinrichting, ter compensatie een tweede standplaats aangeboden.

Volgens voormelde verklaring van 29 september 2014 bevestigen de leden van de marktkamer dat zij akkoord zijn met het zogenoemde doorprikmodel. Tevens bevestigen de leden dat zij een achteruitgang van meer dan 33% in front en/of oppervlakte niet per definitie onacceptabel achten. Per geval is met de gemeente bezien of een tweede standplaats kon worden toegewezen, waarbij het dan moest gaan om één standplaats, alsmede om bijzondere omstandigheden waarbij met name is gekeken naar de mate van achteruitgang, de ligging van de standplaats en de vraag of de bedrijfsvoering van de ondernemer (branche, uitstraling kraam) onderscheidend is. Het is niet wenselijk dat de gevallen waarin geen compensatie heeft plaatsgevonden alsnog worden gecompenseerd, aldus deze verklaring.

3.2. Bij het besluit van 18 december 2014 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het, gezien de ruimte op de Haagse markt na herinrichting, feitelijk onmogelijk is gebleken om iedere standplaatshouder die in front en/of oppervlakte meer dan 33% erop is achteruitgegaan met een extra standplaats te compenseren. In het merendeel van die gevallen kan derhalve geen compensatie plaatsvinden. Bij de toekenning van een extra standplaats komt betekenis toe aan de vraag, of zich bijzondere omstandigheden voordoen. Maar gezien de beperkte ruimte op de Haagse markt zal zelfs niet in alle gevallen, waarin zich bijzondere omstandigheden voordoen, een extra standplaats kunnen worden aangeboden. Bij een grote achteruitgang in oppervlakte kunnen bijvoorbeeld bijzondere omstandigheden zijn gelegen in het type branche en de mate waarin de bedrijfsvoering zich van die van andere standplaatshouders onderscheidt. Een standplaatshouder met een meer uniek product komt daarom eerder in aanmerking voor een tweede standplaats. Dit vooral om de diversiteit in aanbod op de Haagse markt in stand te houden, dan wel te vergroten. Ten aanzien van [appellant] doen zich geen bijzondere omstandigheden voor, omdat zijn branche op de Haagse markt goed is vertegenwoordigd en niet is gebleken dat zijn bedrijfsvoering overigens als bijzonder moet worden aangemerkt, aldus het besluit.

3.3. Het college hanteert een vaste gedragslijn ter compensatie van door toepassing van het in de beleidsregel neergelegde doorprikmodel veroorzaakte achteruitgang in front en/of oppervlakte. Deze vaste gedragslijn is begunstigend voor standplaatshouders op de Haagse markt. De wijziging van de in de brief van het college van 13 januari 2014 vermelde vaste gedragslijn als gevolg van ruimtegebrek op de Haagse markt, dat alleen tot compensatie wordt overgegaan indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, is niet onredelijk te achten. Voorts heeft het college in redelijkheid aspecten als branchering, ondernemerschap en meerwaarde voor de Haagse markt heeft kunnen betrekken bij de beoordeling of zich bijzondere omstandigheden voordoen die het aanbieden van een extra standplaats rechtvaardigen. Bij deze beoordeling kwam het college beoordelingsvrijheid toe. De rechtbank heeft het besluit van 18 december 2014 op dit punt terecht terughoudend getoetst. [appellant] heeft het standpunt van het college, dat zijn branche goed is vertegenwoordigd op de Haagse markt en dat niet is gebleken dat zijn bedrijfsvoering overigens als bijzonder moet worden aangemerkt, in beroep noch in hoger beroep bestreden. De door het college gehanteerde vaste gedragslijn, als weergegeven in het besluit van 18 december 2014, noch voormelde verklaring van 29 september 2014, biedt een aanknopingspunt voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] niet met een tweede standplaats hoeft te worden gecompenseerd.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank niet heeft onderkend dat onduidelijk is gebleven, waarom de standplaatshouders aan wie het college een tweede standplaats heeft vergund, anders dan hij, daarvoor in aanmerking zijn gekomen. Hij verwijst daartoe naar het door het college overgelegde overzicht van 11 februari 2014 van gevallen waarin het college standplaatshouders ter compensatie een tweede standplaats heeft aangeboden dan wel zal aanbieden.

5. In het overzicht van 11 februari 2014 zijn zeven gevallen vermeld waarin het college een tweede standplaats heeft aangeboden, dan wel zal aanbieden. Het betoog faalt, reeds omdat [appellant] ter zitting van de Afdeling te kennen heeft gegeven zich niet op het standpunt te stellen dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Robben

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2016

610.