Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:837

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
201505918/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2015 heeft het dagelijks bestuur locaties in de wijk Noord Pijp aangewezen voor de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers, waaronder locatie 4-10 ter hoogte van het perceel Eerste Jan van der Heijdenstraat 85A-F.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505918/1/A4.

Datum uitspraak: 30 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Amsterdam,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid (thans: het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Zuid) van de gemeente Amsterdam.

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2015 heeft het dagelijks bestuur locaties in de wijk Noord Pijp aangewezen voor de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers, waaronder locatie 4-10 ter hoogte van het perceel Eerste Jan van der Heijdenstraat 85A-F.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2016, waar [appellant], in persoon, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.P. Peters en G. Westerbos, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Situatie

1. [appellant] bewoont een appartement aan de [locatie]. De aangewezen locatie 4-10, waarop twee ondergrondse afvalcontainers zijn voorzien, ligt op een afstand van ongeveer 3 m van de gevel van het appartement. In het souterrain bevindt zich de slaapkamer. [appellant] vreest voor hinder bij het gebruik van de ondergrondse afvalcontainers op korte afstand van het raam van het souterrain.

Nota

2. Ingevolge artikel 4, vierde lid, van de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Amsterdam, kan het college van burgemeester en wethouders aanwijzen met behulp van welke al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of met behulp van welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de Verordening op de bestuurscommissies 2013 van de gemeente Amsterdam, gelezen in verbinding met onderdeel D.3 van bijlage 3 bij die verordening, is de in artikel 4, vierde lid, van de Afvalstoffenverordening bedoelde bevoegdheid door het college gedelegeerd aan het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Zuid. Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie heeft deze bevoegdheid bij het Mandaatbesluit algemeen bestuur aan dagelijks bestuur gemandateerd aan het dagelijks bestuur.

2.1. Het dagelijks bestuur hanteert bij het aanwijzen van een locatie voor ondergrondse afvalcontainers de uitgangspunten, zoals vastgelegd in de nota "Beleidsregels project Ondergrondse Afvalinzameling: Plaatsingscriteria ondergrondse afvalinzamelsystemen stadsdeel Zuid" van 25 februari 2014. Blijkens het verweerschrift is van de nota kennisgegeven in de Stadsdeelkrant van 6 maart 2014.

Ingevolge artikel 2 neemt het dagelijks bestuur bij de aanwijzing van locaties 13 algemene criteria in acht. Zo is onder meer bepaald dat de loopafstand vanaf een woning tot een locatie maximaal 75 m bedraagt, dat een locatie onderdeel uitmaakt van een locatienetwerk en dat bomen worden ontzien bij het aanwijzen van een locatie. Er worden in principe geen bomen gekapt. Verder is bepaald dat de te plaatsen ondergrondse afvalcontainers op de locaties geen gevaar mogen veroorzaken voor de verkeersveiligheid (zichthinder) en dat de afstand tussen een locatie (rand van de container) en de gevel minimaal 2 meter is. Het aanwijzen van locaties ten koste van parkeerplaatsen wordt zoveel mogelijk voorkomen. Bij het aanwijzen van een locatie wordt het omleggen van het hoofdleidingentracé zoveel mogelijk vermeden. Bij het bepalen van een locatie wordt rekening gehouden met de ondergrondse en bovengrondse infrastructuur.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, wordt als bij de aanwijzing van een locatie zich de keuze voordoet tussen de aanwijzing van een locatie voor een gebouw met een woning op de begane grond, of voor een gebouw met op de begane grond een niet-woonfunctie, als locatie aangewezen het gebouw met de niet-woonfunctie op de begane grond.

Ingevolge het tweede lid wegen in de situatie dat met inachtneming van de bovengenoemde criteria een locatie wordt aangewezen voor een woning en binnen de kaders van deze beleidsregel geen alternatieve locatie mogelijk is, de belangen die zijn gediend met het aanbieden van een laagdrempelig afvalinzamelsysteem door realisering van een locatienetwerk met een maximale loopafstand van 75 m vanaf een woning, alsmede het belang dat is gediend met het bereiken van een sluitend locatienetwerk met een evenredige inzamelcapaciteit in relatie tot het afvalaanbod, zwaarder dan het belang van omwonenden bij de aanwijzing van een locatie voor hun woning.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, is het dagelijks bestuur bevoegd af te wijken van de maximale loopafstand in artikel 2, aanhef en onder 1, tot een loopafstand van maximaal 85 m indien ten opzichte van een locatie met een loopafstand van 75 m tot een woning binnen een afstand van 10 m een locatie is gelegen waar de ondergrondse afvalcontainer(s) gesitueerd kan (kunnen) worden voor een blinde muur, nabij een hoek van een straat of voor een gebouw waarin op de begane grond geen woning is gevestigd.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, wordt onder blinde muur verstaan: een op de begane grond gelegen stuk muur van een gebouw zonder ramen, dan wel een stuk muur van een gebouw dat ramen bevat die geen direct zicht op de locatie bieden.

3. [appellant] betoogt dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid locatie 4-10 heeft kunnen aanwijzen vanwege de nadelige gevolgen die hij en andere omwonenden zullen ondervinden van de ondergrondse afvalcontainers. [appellant] stelt stank- en geluidhinder te vrezen. Hij wijst erop dat de ondergrondse containers op zeer korte afstand van zijn slaapkamer zijn voorzien en dat voor ventilatie van zijn woning alleen gebruik kan worden gemaakt van ramen aan de straatzijde. [appellant] stelt te hebben waargenomen dat ook bij de nieuwe versie van de afvalcontainers, zoals geplaatst in de Apollobuurt, ernstige hinder optreedt. [appellant] wijst er verder op dat hij ook reeds hinder ondervindt van het gebruik door bewoners van een nabije garage-ingang en door woordenwisselingen tussen gebruikers van de garage en bestuurders van bestelwagens die de in- en uitrit gebruiken als laad- en losplaats. Verder betoogt [appellant] dat vanwege de ondergrondse afvalcontainers op het trottoir te weinig ruimte resteert voor een gemakkelijke doorgang.

[appellant] betoogt tot slot dat de ondergrondse afvalcontainers, in strijd met de nota, te dicht bij een boom zijn voorzien.

3.1. De nota bevat criteria die het dagelijks bestuur bij de aanwijzing van locaties in acht moet nemen, regels die aangeven onder welke omstandigheden van de criteria mag worden afgeweken, en regels omtrent de belangenafweging ingeval meer locaties aan de criteria voldoen.

Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 juli 2015 in zaak nr. 201408725/1/A4) bevat de nota regels die beleidsregels zijn in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in verbinding met artikel 4:81, vierde lid, van die wet. De Afdeling overwoog dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de in deze nota neergelegde beleidsregels kennelijk onredelijk zijn. De Afdeling ziet thans geen aanleiding voor een ander oordeel.

3.2. In artikel 4:84 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig zijn beleidsregels. Aangezien de aangewezen locatie op ongeveer 3 m van de gevel van de woning van [appellant] ligt, wordt wat betreft de afstand tot gevels voldaan aan het in artikel 2 van de nota neergelegde criterium van minimaal 2 m. Volgens de toelichting op de nota wordt met deze afstand een voldoende vrije doorgang op het trottoir behouden. Niet is aannemelijk geworden dat, zoals [appellant] heeft gesteld, vanwege een aanwezige rozenhaag de doorgang feitelijk minder dan 2 m breed is, wat daar verder overigens ook van zij.

De ondergrondse afvalcontainers worden in de nabijheid van een jonge boom geplaatst. Het dagelijks bestuur heeft onweersproken gesteld dat de afstand van de ondergrondse afvalcontainers tot het hart van de boom ongeveer 2 m bedraagt. Gezien deze afstand, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plaatsing van de afvalcontainers niet ten koste zal gaan van een boom.

In het aangevoerde bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat locatie 4-10 in zoverre niet voldoet aan de criteria van artikel 2 van de nota.

Het betoog faalt.

3.3. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd betreffende stank- en geluidhinder betreft omstandigheden die moeten worden geacht te zijn verdisconteerd in de in de nota neergelegde beleidsregels. Het zijn geen criteria waaraan het dagelijks bestuur, in aanvulling op de criteria van artikel 2 van de nota, diende te toetsen. Voor zover [appellant] heeft beoogd te betogen dat in de nota geen rekening kan zijn gehouden met de geur- en geluidhinder, die wordt veroorzaakt door nieuwe afvalcontainers die eerst vanaf mei 2015 zijn geplaatst, wordt overwogen dat het dagelijks bestuur heeft gesteld navraag te hebben gedaan en dat geen klachten zijn ontvangen over hinder van deze afvalcontainers, waarvan er inmiddels 65 zijn geplaatst in de Apollobuurt. De door [appellant] gestelde omstandigheid dat aanzienlijke stank- en geluidhinder is waargenomen, is onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de nieuwe afvalcontainers meer geluid- en stankhinder veroorzaken dan waarvan bij het opstellen van de nota is uitgegaan.

Wat betreft de door [appellant] gestelde omstandigheid dat reeds veel hinder wordt ondervonden van het gebruik van de nabije garage-ingang, overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat het woon- en leefklimaat van inwoners van Amsterdam kan worden beïnvloed door geluidhinder van verschillende aard, moet worden geacht te zijn verdisconteerd in de in de nota neergelegde beleidsregels.

Het door [appellant] aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur locatie 4-10 niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen.

Het betoog faalt.

Handhaving

4. De stelling van [appellant] dat buurtbewoners grof vuil zullen plaatsen bij de ondergrondse afvalcontainers en dat huishoudelijk restafval niet op juiste wijze ter inzameling wordt aangeboden, waardoor volgens hem zwerfvuil zal ontstaan en de omgeving van de afvalcontainers zal verloederen, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de locatie niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen. Indien grof vuil wordt geplaatst bij de vulopeningen van de ondergrondse afvalcontainers of huishoudelijk restafval niet op juiste wijze ter inzameling wordt aangeboden, betreft dat een kwestie van handhaving.

Het betoog faalt.

Alternatieve locaties

5. [appellant] betoogt dat het dagelijks bestuur had moeten afzien van aanwijzing van locatie 4-10 omdat er alternatieve locaties bestaan die volgens hem geschikter zijn. Hij wijst op onder meer de locatie ter hoogte van de woning Eerste Jan van der Heijdenstraat 83. Deze locatie ligt voor een blinde muur en er bevindt zich geen boom in de nabijheid daarvan, zo stelt hij. Daarnaast wijst [appellant] op drie locaties ter hoogte van de woningen Eerste Jan van der Heijdenstraat 56 en 58.

Volgens [appellant] heeft het dagelijks bestuur uit zichzelf onvoldoende naar mogelijke alternatieven gekeken en evenmin voldoende meegedacht met de door hem voorgestelde alternatieven. Ter onderbouwing hiervan wijst hij erop dat de inhoud van de nota niet bij iedereen bekend is en stelt dat het dagelijks bestuur inwoners actief had moeten informeren over de nota.

[appellant] betoogt tot slot dat het dagelijks bestuur in strijd met het gelijkheidsbeginsel de in het ontwerpbesluit opgenomen locatie 1-11 ter hoogte van het perceel Tweede Jan Steenstraat 114 heeft laten vervallen vanwege het bestaan van een alternatieve locatie en locatie 4-10 niet.

5.1. Het dagelijks bestuur heeft te kennen gegeven bij de keuze voor locaties van ondergrondse afvalcontainers alternatieven te betrekken en te kiezen voor de minst bezwarende locaties. Volgens het dagelijks bestuur bevinden zich op de door [appellant] genoemde locatie ter hoogte van de woning Eerste Jan van der Heijdenstraat 83, in de stukken aangeduid als alternatief 1, zowel een lage druk gasleiding als een datakabel van KPN. Op de aangewezen locatie ligt alleen de gasleiding. Volgens het dagelijks bestuur bevindt de door [appellant] genoemde locatie zich, anders dan [appellant] stelt, niet voor een blinde muur.

Plaatsing van afvalcontainers op de als alternatief 2 aangeduide locatie ter hoogte van de woning(en) met nummer 56-58 gaat volgens het dagelijks bestuur ten koste van een parkeerplaats. Voorts heeft het gesteld dat daar eveneens meer ondergrondse leidingen liggen dan op de aangewezen locatie. De als alternatief 3 aangeduide locatie ter hoogte van die woning met nummer 56 ligt volgens het dagelijks bestuur in strijd met de nota op te korte afstand, minder dan 2 m, van de gevel. Verder is volgens het dagelijks bestuur wat betreft de als alternatief 4 aangeduide locatie ter hoogte van genoemde woning de verkeersveiligheid in het geding. De vulopeningen van de afvalcontainers zouden het zicht op het verkeer ontnemen en een afvalcontainer zou ter hoogte van een oversteekplaats komen te liggen. Bovendien gaat aanwijzing van de locatie ten koste van een parkeerplaats. Ter zake van de laatste twee alternatieven speelt ook dat ter plaatse een hoogspanningskabel is gelegen, aldus het dagelijks bestuur.

5.2. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling geen aanleiding de stellingen van het dagelijks bestuur omtrent de bezwaren tegen de door [appellant] naar voren gebrachte alternatieve locaties onjuist te achten. Het aanwijzen van de alternatieve locaties zou onder meer op gespannen voet staan met artikel 2, achtste lid, onder b, van de beleidsregels waarin is vermeld dat rekening moet worden gehouden met ondergrondse infrastructuur. De alternatieven 2 en 4 zouden op gespannen voet staan met de nota, waarin is bepaald dat het aanwijzen van locaties ten koste van parkeerplaatsen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Voorts wordt de minimumafstand tot een gevel bij alternatief 3 niet in achtgenomen en zal bij het plaatsen van een ondergrondse afvalcontainer op de locatie, aangeduid als alternatief 4, vanwege zichthinder mogelijk gevaar veroorzaken voor de verkeersveiligheid. Een en ander is niet in overeenstemming met de nota. Gelet op het vorenoverwogene heeft het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt gesteld dat de door [appellant] genoemde alternatieve locaties niet geschikter zijn dan de aangewezen locatie.

Voor zover [appellant] ter zitting erop heeft gewezen dat indien de door hem genoemde alternatieve locaties enigszins zouden worden verplaatst en het trottoir wordt verbreed dan wel parkeervakken worden gewijzigd, de door het dagelijkse bestuur genoemde bezwaren zich niet of in mindere mate zouden voordoen, wordt overwogen dat het dagelijks bestuur bij het beoordelen van de in zienswijzen naar voren gebrachte alternatieve locaties in beginsel heeft mogen uitgaan van de door degene die zienswijzen naar voren heeft gebracht, genoemde concrete locaties. Voorts heeft het college bij het beoordelen van deze alternatieven het bestaande straatbeeld tot uitgangspunt mogen nemen. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het dagelijks bestuur in dit geval het bestaan van alternatieven onvoldoende bij zijn besluit tot aanwijzing van locaties heeft betrokken. In dit verband wordt nog overwogen dat voor het dagelijks bestuur geen verplichting bestond de nota actief onder de aandacht van inwoners te brengen.

Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de omstandigheden van locatie 1-11, zoals die in het ontwerpbesluit is opgenomen, en die van locatie 4-10 in relevant opzicht gelijk zijn. Het dagelijks bestuur heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de bij het besluit aangewezen locatie 1-11, gelegen ter hoogte van de woning Tweede Jan Steenstraat 121, zich voor een blinde muur in de zin van de nota bevindt. De Afdeling overweegt dat, anders dan waarvan [appellant] uitgaat, de woning Eerste Jan van der Heijdenstraat 83 geen blinde muur heeft als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de nota. Het op de begane grond gelegen stuk muur van het woongebouw bevat ramen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de ramen geen direct zicht op de locatie bieden.

Gezien het vorenoverwogene heeft het dagelijks bestuur in hetgeen naar voren is gebracht ten aanzien van alternatieve locaties reeds hierom geen aanleiding moeten zien om locatie 4-10 niet aan te wijzen.

Het betoog faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Steendijk w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2016

163.