Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:823

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201505243/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:4333, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 november 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505243/1/V2.

Datum uitspraak: 18 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 19 juni 2015 in zaak nr. 13/24398 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 juni 2015 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De door de vreemdeling overgelegde brief van een hoogleraar aan de Universiteit Leiden van 6 juli 2015 dateert van na de aangevallen uitspraak, die in de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) dwingend object van hoger beroep is. De vreemdeling heeft niet gesteld dat deze brief, die op haar verzoek is opgesteld, niet eerder had kunnen worden opgesteld en overgelegd, zodat deze niet bij de beoordeling van het hoger beroep kan worden betrokken.

2. Hetgeen in de eerste, tweede, derde en zesde grief is aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

3. In de vierde en vijfde grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten door te overwegen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris niet in redelijkheid van de vreemdeling kan verwachten dat zij zich onder de bescherming stelt van de Zuid-Koreaanse autoriteiten. De vreemdeling betoogt dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Noord-Koreaanse autoriteiten op de hoogte zullen raken van haar vestiging in Zuid-Korea en dat daardoor gevaar dreigt voor haar in Noord-Korea verblijvende familieleden, omdat zij geen hooggeplaatste, dan wel voor het Noord-Koreaanse regime waardevolle persoon is. De vreemdeling voert aan dat de staatssecretaris geloofwaardig heeft geacht dat zij in een wapenfabriek heeft gewerkt. Zij betoogt dat zij daardoor op de hoogte is van militaire informatie en dat zij bij haar ontslag negen geheimhoudingsverklaringen heeft moeten ondertekenen. Zij is derhalve wel een hooggeplaatste, dan wel voor het Noord-Koreaanse regime waardevolle persoon. Dat haar familieleden sinds haar vertrek uit Noord-Korea geen problemen hebben ondervonden, is niet relevant, omdat zij niet in Zuid-Korea heeft verbleven, aldus de vreemdeling.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraken van de 4 juni 2015 in zaken nrs. 201401048/1/V2 en 201402886/1/V2), volgt uit de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 6 november 2013, kenmerk DCM/MA-2013/257 - die de staatssecretaris zelf als uitgangspunt heeft genomen voor de beoordeling van de risico's van in Noord-Korea achtergebleven familieleden - dat de aandacht van Noord-Koreaanse spionnen in het bijzonder is gericht op de categorie hooggeplaatste, dan wel voor het Noord-Koreaanse regime waardevolle personen in Zuid-Korea en dat familieleden van deze categorie personen ernstige gevolgen kunnen ondervinden ingeval de desbetreffende persoon in Zuid-Korea wordt ontdekt.

3.2. In het besluit, zoals nader toegelicht in het verweerschrift in beroep en ter zitting bij de rechtbank, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet behoort tot de categorie hooggeplaatste, dan wel voor het Noord-Koreaanse regime waardevolle personen. Hieraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat hij weliswaar geloofwaardig acht dat de vreemdeling in Noord-Korea in een wapenfabriek heeft gewerkt en beschikt over militaire informatie, maar dat dat nog niet maakt dat zij voor het regime een hooggeplaatste of waardevolle persoon is, hetgeen ook volgt uit het feit dat de in Noord-Korea achtergebleven familieleden sinds haar vertrek uit dat land in 2007 geen problemen hebben ondervonden.

3.3. De staatssecretaris moet deugdelijk motiveren waarom de vreemdeling niet wegens haar werk in een wapenfabriek en het beschikken over militaire informatie behoort tot voormelde categorie hooggeplaatste of waardevolle personen. De rechtbank heeft niet onderkend dat hij dit met hetgeen in 3.2. is weergegeven, niet heeft gedaan. De vreemdeling voert terecht aan dat de omstandigheid dat haar familieleden geen problemen hebben ondervonden na haar vertrek uit Noord-Korea in dit verband onvoldoende is, omdat zij na haar vertrek niet in Zuid-Korea heeft verbleven (vergelijk voormelde uitspraken van 4 juni 2015).

Gelet op het vorenstaande heeft de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, ondeugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling, ondanks de bijzondere aandacht van Noord-Koreaanse spionnen voor hooggeplaatste, dan wel voor het Noord-Koreaanse regime waardevolle personen, geen reëel en voorzienbaar risico op ontdekking loopt indien zij zich in Zuid-Korea vestigt en dat daarom in redelijkheid van haar kan worden verwacht dat zij zich onder de bescherming stelt van de Zuid-Koreaanse autoriteiten.

De grieven slagen.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 3 november 2014 geheel in stand blijven. De staatssecretaris dient een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van hetgeen in 3.3. is overwogen.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 19 juni 2015 in zaak nr. 13/24398, voor zover zij daarbij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 3 november 2014 geheel in stand blijven;

III. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Graat

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2016

307-691.