Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:818

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201508927/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 april 2014 heeft het college aan Emma Hotel een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw op het perceel aan de Sarphatistraat 102-104 en de Spinozastraat 51-53-55 (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508927/2/A1.

Datum uitspraak: 18 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoeker], wonend te Amsterdam, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Amsterdam,

2. de commanditaire vennootschap Emma Hotel C.V., gevestigd te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2015 in zaken nrs. 14/3464, 14/3419 en 14/3494 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en anderen

[verzoeker]

[persoon]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2014 heeft het college aan Emma Hotel een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw op het perceel aan de Sarphatistraat 102-104 en de Spinozastraat 51-53-55 (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 27 oktober 2015 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en anderen, [verzoeker] en [persoon] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 30 april 2014 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en anderen en Emma Hotel hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 10 december 2015 heeft het college een aangepaste omgevingsvergunning verleend aan Emma Hotel. In dit besluit is een aanvullende motivering gegeven op de verlening van de vergunning naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank.

[verzoeker] is tegen dat besluit bij de rechtbank in beroep gekomen. De rechtbank heeft dat beroepschrift ter behandeling naar de Afdeling bestuursrechtspraak doorgezonden. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 maart 2016, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. I.F.M. Kwint, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.D. Hosper, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn Emma Hotel, vertegenwoordigd door mr. M.A. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam en [appellanten], ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Emma Hotel heeft de omgevingsvergunning aangevraagd voor het oprichten van een hotel met 211 kamers, conferentie faciliteiten, een bar, een restaurant, een gym en een ondergrondse parkeergarage met overkapte entree. Naast de entree van de parkeergarage is een laad- en losplaats voorzien voor leveranciers. Het perceel, waarop voorheen het Emma Kinderziekenhuis was gevestigd, is gelegen in de binnenstad van Amsterdam. Het perceel grenst aan de Spinozastraat en aan de Sarphatistraat. [verzoeker] is mede-eigenaar van het pand aan de Sarphatistraat [nummer] en woont op de tweede verdieping van dat pand. Omdat de bouwhoogte van het beoogde gebouw en de ondergrondse garage met overkapping en de laad- en losplaats in strijd zijn met de planregels van het bestemmingsplan "Oostelijke binnenstad" heeft het college een omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 30, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Partijen houdt verdeeld de vraag of aan de besluiten van 30 april 2014 en 10 december 2015 een goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt.

3. Ter zitting van de voorzieningenrechter is gebleken dat het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening alleen ziet op het bouwen van de overkapping en de laad- en losplaats. [verzoeker] heeft ter zitting toegelicht dat hij zich realiseert dat het spoedeisend belang wat betreft het hotelgebouw is vervallen, omdat dit deel van het bouwplan, inclusief ondergrondse parkeergarage, inmiddels al is gerealiseerd. De overkapping van de entree van de parkeergarage en de laad- en losplaats zijn nog niet gebouwd.

4. [verzoeker] betoogt dat de overkapping en de laad- en losplaats tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat zal leiden. De parkeergarage is volgens hem niet nodig om parkeeroverlast in de omgeving van het perceel tegen te gaan. [verzoeker] vreest juist overlast vanwege de inrit van de garage en de laad- en losplaats. De overkapping houdt die overlast slechts gedeeltelijk tegen en brengt bovendien volgens [verzoeker] wel een ernstige vermindering van zon- en daglichttoetreding en een verslechtering van het uitzicht met zich voor hem en andere omwonenden. [verzoeker] stelt dat een geschikte alternatieve locatie voor de laad- en losplaats bestaat.

4.1. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het woon- en leefklimaat op alle verdiepingen van het pand van [verzoeker] ten gevolge van het bouwplan in meer of mindere mate zal worden aangetast. Daartegenover staat echter dat met het voltooien van het bouwplan ook belangen zijn gemoeid. Ter zitting heeft Emma Hotel toegelicht dat het niet realiseren van de overkapping tot wateroverlast kan leiden in de ondergrondse parkeergarage. Daarnaast ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de gevolgen van de realisering van de overkapping onomkeerbaar zijn. Daarbij wijst de voorzieningenrechter erop dat een houder van een verleende vergunning, zolang deze niet in rechte onaantastbaar is, op eigen risico daarvan gebruik maakt, ook als een verzoek als thans aan de orde wordt afgewezen. Verder ziet de voorzieningenrechter in hetgeen door [verzoeker] is aangevoerd op voorhand geen grond voor het oordeel dat het besluit van 10 december 2015 voor wat betreft de overkapping en de situering van de inrit en laad- en losplaats onrechtmatig is. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in de ruimtelijke onderbouwing en de aanvullende motivering naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank behorende bij het besluit van 10 december 2015 wordt verwezen naar verkeersdeskundige onderzoeken van Goudappel Coffeng van 15 augustus 2014 en 6 november 2015 waarin is uiteengezet, dat veiligheidsoverwegingen voor deze situering van de inrit pleiten. Daarbij komt dat de voorzieningenrechter het aannemelijk acht dat het ontbreken van een overkapping voor omwonenden eveneens bezwaren met zich zou brengen. Ten slotte is van belang dat het perceel is gelegen in een stedelijke omgeving waardoor enige overlast op voorhand niet onaanvaardbaar dient te worden geacht.

Gelet op het voorgaande geeft hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de bij besluit van 10 december 2015 verleende omgevingsvergunning, voor zover het betreft de overkapping van de entree van de parkeergarage en de laad- en losplaats, niet mocht worden verleend.

5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Polak w.g. Vermeulen

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2016

700.