Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:811

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201600936/1/V3 en 201600937/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:1059, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 20 januari 2016 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600936/1/V3 en 201600937/1/V3

Datum uitspraak: 15 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. [vreemdeling 1] en

2. [vreemdeling 2],

mede voor hun minderjarige kinderen,

tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 4 februari 2016 in zaken nrs. 16/1109 en 16/1113 in de gedingen tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 20 januari 2016 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij onderscheiden uitspraken van 4 februari 2016 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M. Spanens, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.

De staatssecretaris heeft verweerschriften ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Hetgeen in de eerste, tweede en derde grief is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraken leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.

2. In de vierde grief klagen de vreemdelingen dat de rechtbank niet is ingegaan op de beroepsgrond dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2015 in zaak nr. 201503958/1/V3, ten onrechte in de besluiten van 20 januari 2016 is bepaald dat de vreemdelingen Nederland onmiddellijk dienen te verlaten.

2.1. De klacht is terecht voorgedragen, zodat, gelet op voormelde uitspraak van de Afdeling, de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris in het besluiten van 20 januari 2016 ten onrechte heeft bepaald dat de vreemdelingen Nederland onmiddellijk dienen te verlaten. De grief slaagt derhalve.

3. De hoger beroepen zijn kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenstaande, de beroepen van de vreemdelingen tegen de besluiten van 20 januari 2016 alsnog gegrond verklaren. Deze besluiten komen voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij is bepaald dat de vreemdelingen Nederland onmiddellijk dienen te verlaten. Dat aan de vreemdelingen ten onrechte een vertrektermijn is opgelegd doet niet af aan de rechtmatigheid van de besluiten van 20 januari 2016, voor zover daarbij de aanvragen van de vreemdelingen niet in behandeling zijn genomen.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in die zin dat bij de vaststelling van de proceskosten wordt uitgegaan van één zaak.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 4 februari 2016 in zaken nrs. 16/1109 en 16/1113;

III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 20 januari 2016, V-nummers […], […], […], […], […] en […], voor zover daarbij is bepaald dat de vreemdelingen Nederland onmiddellijk dienen te verlaten;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van de beroepen en hoger beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.488,00 (zegge: veertienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Snijders

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2016

279