Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:804

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201504770/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:3957, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de betonnen perceelafscheiding op het perceel [locatie 1] te Schagerbrug (hierna: het perceel) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2016-0065
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504770/1/A1.

Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en ander, beiden wonend te Schagerbrug, gemeente Schagen,

appellanten (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 mei 2015 in zaak nr. 14/4070 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schagen.

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de betonnen perceelafscheiding op het perceel [locatie 1] te Schagerbrug (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 19 augustus 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende A] en [belanghebbende B] hebben daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.G. Wemmers, advocaat te Alkmaar, en het college, vertegenwoordigd door J.A. Keuning, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende A], bijgestaan door ing. M.J.H. van den Berg, gehoord.

Overwegingen

1. [appellant] woont op het perceel [locatie 2]. Hij heeft bezwaar tegen de door [belanghebbende A] in 2013 zonder omgevingsvergunning gebouwde perceelafscheiding, omdat deze zijn vrije doorzicht vanuit zijn woning ontneemt op het buitengebied.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zijn verzoek om handhavend op te treden ten onrechte heeft afgewezen. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor de perceelafscheiding geen omgevingsvergunning is vereist. Daartoe voert hij aan dat de perceelafscheiding hoger is dan twee meter. Volgens hem heeft het college de hoogte van de perceelafscheiding ten onrechte gemeten vanaf het niveau van het aansluitend afgewerkt terrein, nu de gronden ter plaatse van de perceelafscheiding in de jaren negentig van de vorige eeuw kunstmatig zijn opgehoogd met grond die vrij kwam bij de aanleg van een sloot. Voorts voert [appellant] aan dat de perceelafscheiding niet in een functionele relatie staat met de schuur op het perceel.

2.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en twaalfde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan één m, of

b. niet hoger dan twee m, en

1. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat,

2. achter de voorgevelrooilijn, en

3. op meer dan één m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, worden, tenzij anders bepaald, hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein gemeten, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven.

2.2. Vast staat en niet in geschil is dat de hoogte van de perceelafscheiding, gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, maximaal 1,95 m is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat de grond kunstmatig is opgehoogd voor de bouw van de perceelafscheiding. Dat, als gesteld door [appellant], het perceel ter plekke van de perceelafscheiding in de jaren negentig van de vorige eeuw kunstmatig is opgehoogd, kan hem, wat daarvan ook zij, niet baten, nu die ophoging geen verband houdt met de bouw van de perceelafscheiding. Daarbij is van belang dat uit de Nota van toelichting bij artikel 1, tweede lid, van bijlage II van het Bor (Stb. 2010, 143 p. 138) volgt dat het criterium, dat plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk buiten beschouwing blijven, is toegevoegd om te voorkomen dat terreinen, tijdens de afwerking na voltooiing van de bouw op ongewenste wijze opgehoogd kunnen worden.

Nu de gestelde ophoging geen verband houdt met de bouw van de perceelafscheiding en daaraan derhalve geen betekenis toekomt bij het bepalen van de hoogte van de perceelafscheiding, ziet de Afdeling geen reden om het verzoek van [appellant] om een deskundige te benoemen voor het instellen van nader onderzoek naar deze ophoging te honoreren.

Het betoog faalt in zoverre.

2.3. De rechtbank is voorts tot het juiste oordeel gekomen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er een functionele relatie bestaat tussen de perceelafscheiding en de schuur op het perceel. Daaraan heeft de rechtbank terecht ten grondslag gelegd dat ingevolge het ten tijde van het besluit van 19 augustus 2014 ter plaatse geldende bestemmingplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" de perceelafscheiding is gebouwd op gronden met de bestemming "Agrarische productiegebieden I", welke gronden zijn bestemd voor agrarische bedrijfsvoering, en dat deze bestemming soortgelijk is aan de bestemming "Agrarische bebouwingsvakken", waarop de schuur is gebouwd, welke bestemming dient tot de bedrijfsvoering van grondgebonden of niet-grondgebonden agrarische bedrijven. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2010 in zaak nr. 200905133/1/H1. Het beroep van [appellant] op de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2008 in zaak nr. 200708440/1/A1, waarin is geoordeeld dat tussen de woning en de rond het weiland geplaatste terreinafscheiding geen functionele relatie kon worden aangenomen, kan hem niet baten. De bestemmingen "Landgoed" en "Natuurgebieden" waarop onderscheidenlijk de woning en de terreinafscheiding stonden en die niet als soortgelijk zijn aangemerkt, zijn niet vergelijkbaar met de agrarische bestemmingen in deze zaak. Het standpunt van [appellant], dat uit voormelde uitspraak van 20 augustus 2008 en de Nota van toelichting bij artikel 2, aanhef en twaalfde lid, van bijlage II van het Bor (Stb. 2010, 143 p. 149) volgt dat voor het antwoord op de vraag of een functionele relatie bestaat niet alleen het planologische regime van belang is, maar ook het gebruik, de ligging en de bebouwingsmogelijkheden van het perceel, alsmede de bedoeling van de planwetgever, wordt niet gevolgd. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 25 april 2014 in zaak nrs. 201402685/1/A1 en 201402685/2/A1 heeft overwogen, komt bij de beoordeling of sprake is van een functionele relatie doorslaggevende betekenis toe aan de voor het perceel geldende planologische regeling. Evenmin wordt het standpunt van [appellant] gevolgd dat geen functionele relatie bestaat tussen de perceelafscheiding en de schuur, omdat de perceelafscheiding geen agrarisch doel dient maar alleen is gebouwd om hem het vrije doorzicht vanuit zijn woning op het buitengebied te ontnemen, reeds omdat niet het bestaan van een feitelijke, maar het bestaan van een planologische relatie tussen deze bouwwerken is vereist.

Het betoog faalt ook in zoverre.

3. Onder verwijzing naar de artikelen 13 en 15 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) betoogt [appellant] dat [belanghebbende A] met het plaatsen van de perceelafscheiding misbruik van recht heeft gemaakt, omdat deze enkel is geplaatst om hem het vrije doorzicht vanuit zijn woning op het buitengebied te ontnemen.

3.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het BW kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.

Ingevolge het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daar wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

Ingevolge artikel 15 vindt artikel 13 buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

3.2. Er bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat [belanghebbende A] de perceelafscheiding heeft geplaatst met geen ander doel dan [appellant] te schaden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [belanghebbende A] heeft gesteld dat de perceelafscheiding onder meer dient ter reducering van wind, het tegenhouden van overwaaiend onkruid en het voorkomen van overlast door werkzaamheden op het perceel.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Wortmann

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

531-757.