Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:800

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201505657/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:4178, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 februari 2014 heeft het college aan Ebag Helicopters B.V. een generieke ontheffing verleend van het verbod om buiten een luchthaven te landen en op te stijgen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet luchtvaart
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/255
JB 2016/94
Milieurecht Totaal 2016/6345
AB 2016/248 met annotatie van M. Rus-van der Velde, K.E. Haan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505657/1/A3.

Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Vleuten, gemeente Utrecht, en de stichting Stichting Helihinder Utrecht, gevestigd te De Meern, gemeente Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 juni 2015 in zaak nr. 14/6820 in het geding tussen:

[appellant] en Helihinder

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2014 heeft het college aan Ebag Helicopters B.V. een generieke ontheffing verleend van het verbod om buiten een luchthaven te landen en op te stijgen.

Bij besluit van 15 oktober 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk en het door Helihinder daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] en Helihinder daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en Helihinder hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2016, waar [appellant] en Helihinder, vertegenwoordigd door [voorzitter] onderscheidenlijk [secretaris] van Helihinder, bijgestaan door drs. C. van Oosten, werkzaam onder de naam Bureau Rechtsbescherming, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Tilstra, werkzaam bij de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft Ebag op haar verzoek voor het jaar 2014 een ontheffing als bedoeld in artikel 8a.51, eerste lid, van de Wet luchtvaart verleend. Met deze ontheffing mag Ebag met een helikopter opstijgen van en landen op terreinen die geen luchthaven zijn. Het betreft een zogenoemde generieke ontheffing, nu de ontheffing niet is verleend voor een bepaald terrein, maar voor nader te bepalen terreinen in de provincie Utrecht. Aan de ontheffing zijn voorschriften verbonden. Op grond van deze voorschriften zijn maximaal tweemaal twee vliegbewegingen per dag gedurende maximaal twaalf vliegdagen per jaar per terrein toegestaan. Dit maximum geldt voor alle ontheffinghouders tezamen. Verder mag de start- en landingslocatie niet zijn gelegen in een Natura 2000- of stiltegebied. Voorts moet tussen 7.00 uur en 19.00 uur een afstand van 305 m en tussen 19.00 en 23.00 uur een afstand van 433 m worden aangehouden tussen enerzijds de landings- of opstijglocatie en anderzijds woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in de zin van de Wet geluidhinder. Een voornemen om de ontheffing te gebruiken moet ten minste 48 uur van tevoren worden gemeld bij het college, de burgemeester van de betrokken gemeente, de Dienst Luchtvaartpolitie en de Inspectie Leefomgeving en Transport. Meldingen van vluchten op zondag dienen op de daaraan voorafgaande vrijdag voor 12.00 uur te worden ingediend.

2. [appellant] woont in Vleuten en is eigenaar van een aldaar gelegen manege. Zijn woning en bedrijf zijn op betrekkelijk geringe afstand van het bedrijf van Ebag gelegen. Hij vreest onder meer voor overlast van opstijgende en landende helikopters.

Helihinder heeft ten doel om geluidhinder van helikopters binnen de provincie Utrecht te voorkomen.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zijn bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert aan dat de omstandigheid dat bij een generieke ontheffing niet bekend is op welke terreinen mogelijk zal worden geland, er ten onrechte toe leidt dat geen enkele natuurlijke persoon belanghebbende is.

3.1. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] geen terrein in de nabije omgeving van zijn woning en bedrijf heeft kunnen aanwijzen waar - met inachtneming van de in de ontheffing opgenomen afstandseisen - een helikopter mag landen en opstijgen.

[appellant] heeft ter zitting bij de Afdeling te kennen gegeven dat het voetbalveld van DESTO mogelijk een dergelijk terrein is, dat de afstand tussen zijn bedrijf en dit voetbalveld naar zijn schatting ongeveer 600 m is en dat de afstand tussen het voetbalveld en woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen naar zijn schatting meer dan de in de ontheffing opgenomen 305 m is.

Het college heeft ter zitting bij de Afdeling te kennen gegeven dat is bezien op welke terreinen in de omgeving van de woning en het bedrijf van [appellant] opgestegen en geland mag worden en dat daaruit naar voren is gekomen dat het dichtstbijzijnde geschikte terrein op ongeveer 1,97 km van diens woning en bedrijf is gelegen.

3.2. De ter zitting door [appellant] naar voren gebrachte schattingen van afstanden zijn niet gebaseerd op enig onderzoek. Reeds daarom heeft hij daarmee niet aannemelijk gemaakt dat het DESTO voetbalveld een terrein is waar helikopters, uitgaande van de in de ontheffing opgenomen afstandseisen, mogen landen en opstijgen. Nu dit het enige terrein is waar [appellant] op heeft gewezen, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de nabije omgeving van zijn woning en bedrijf een terrein in voormelde zin is gelegen.

De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat niet is gebleken dat [appellant] een objectief bepaalbaar, persoonlijk en van anderen te onderscheiden belang heeft dat door de verlening van de ontheffing wordt geraakt. Evenzeer terecht heeft de rechtbank overwogen dat het college het bezwaar van [appellant] met juistheid niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep, voor zover het is ingediend door [appellant], is ongegrond.

Hierna wordt nog slechts het hoger beroep beoordeeld voor zover dat is ingediend door Helihinder.

5. Helihinder betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat binnen 48 uur na een melding een afdoende beoordeling met betrekking tot het desbetreffende terrein kan worden verricht. Dat is volgens haar te meer het geval omdat het college binnen dat tijdsbestek een terugkoppeling moet geven aan de gemeente waarin het betrokken terrein is gelegen.

Ook is de rechtbank er volgens haar ten onrechte aan voorbijgegaan dat een omwonende van het betrokken terrein binnen voormelde termijn geen adequate rechtsmiddelen kan aanwenden. Zij voert daartoe aan dat een voornemen om gebruik te maken van een terrein niet op een voor burgers kenbare wijze behoeft te worden bekendgemaakt, terwijl feitelijk pas na het melden van dit voornemen wordt besloten dat op een bepaald terrein mag worden geland en opgestegen, aldus Helihinder.

5.1. Op grond van voorschrift 7 van de ontheffing moet ten minste 48 uur van tevoren bij het college, de burgemeester van de betrokken gemeente, de Dienst Luchtvaartpolitie en de Inspectie Leefomgeving en Transport melding worden gemaakt van een voornemen om de ontheffing te gebruiken. In de melding dient onder meer de precieze plaats van landen en opstijgen te worden opgenomen.

5.2. Nu de melding ook aan de burgemeester van de betrokken gemeente dient te worden gericht, valt niet in te zien waarom het college binnen de termijn van ten minste 48 uur ook een terugkoppeling aan de betrokken gemeente dient te geven. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat binnen dit tijdsbestek geen algehele belangenafweging behoeft plaats te vinden, nu deze in beginsel reeds heeft plaatsgevonden bij de vaststelling van de Beleidsregels en de verlening van de ontheffing. Hetgeen Helihinder heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om ervan uit te gaan dat binnen dit tijdsbestek niet kan worden beoordeeld of er redenen zijn waarom een helikopter op het specifieke terrein niet mag landen of opstijgen. Het college behoeft na ontvangst van de melding immers slechts te beoordelen of aan de voorschriften uit de ontheffing wordt voldaan. Niet valt in te zien dat de door andere bestuursorganen na ontvangst van een melding te verrichten beoordeling dermate veelomvattend of tijdrovend is, dat deze beoordeling niet binnen een termijn van ten minste 48 uur kan worden verricht. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de ontheffing slechts betrekking heeft op het landen en opstijgen van helikopters en derhalve niet op - bijvoorbeeld - het overvliegen met helikopters en daarmee mogelijk gepaard gaande overlast.

5.3. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat er geen rechtsregel is die ertoe verplicht om de melding van het gebruik van de ontheffing ook op een voor omwonenden van een betrokken terrein kenbare wijze bekend te maken. Dat zij daardoor niet altijd weet zullen hebben van het gebruik van een terrein voor landen en opstijgen, waardoor zij geen rechtsmiddelen kunnen aanwenden om dat te voorkomen, heeft de rechtbank terecht niet geleid tot het oordeel dat er een gebrek kleeft aan de ontheffing. Voorts behoeft, anders dan Helihinder betoogt, het college of een ander bestuursorgaan na ontvangst van een melding geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht te nemen om het landen op of opstijgen vanaf een bepaald terrein toe te staan. Het landen en opstijgen is immers op grond van de ontheffing in beginsel reeds toegestaan. Anders dan Helihinder betoogt, is het stelsel van rechtsbescherming niet zodanig ingericht dat tegen alle handelingen van bestuursorganen bij de bestuursrechter moet kunnen worden opgekomen.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep, voor zover het is ingediend door Helihinder, is eveneens ongegrond.

7. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, griffier.

w.g. Michiels w.g. Herweijer

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

640.