Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:792

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201506746/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:5218, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 februari 2015 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) voor het verkrijgen van een chauffeurskaart afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506746/1/A3.

Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 augustus 2015 in zaak nr. 15/2953 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2015 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) voor het verkrijgen van een chauffeurskaart afgewezen.

Bij besluit van 21 april 2015 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 augustus 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2016, waar [appellant] en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. T.J. Sterkenburg, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] werkte als taxichauffeur. Ten behoeve van de aanvraag voor een nieuwe chauffeurskaart heeft hij een VOG aangevraagd. Uit de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: de Wjsg) blijkt dat een VOG een verklaring is dat uit een onderzoek naar het gedrag van de aanvrager, waarbij op hem betrekking hebbende justitiële gegevens worden betrokken, niet is gebleken van bezwaren tegen hem.

2. Ingevolge het bepaalde in artikel 35, eerste lid, van de Wjsg dient een VOG te worden geweigerd indien in het Justitieel Documentatiesysteem (hierna: het JDS) met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat bij herhaling, gezien het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, in de weg zal staan aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd.

3. De minister van Veiligheid in Justitie heeft voor het beoordelen van aanvragen om afgifte van een VOG beleidsregels opgesteld.

Volgens paragraaf 3 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (Stcrt. 2013, 5409) wordt, wanneer een aanvrager in het JDS voorkomt, de beoordeling of een VOG kan worden afgegeven verricht aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium. De toetsing aan het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die over de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. In het kader van het subjectieve criterium wordt beoordeeld of de omstandigheden van het geval aanleiding geven om toch over te gaan tot afgifte van de VOG.

Bij de vaststelling van het risico maakt de staatssecretaris gebruik van zogenaamde screeningsprofielen. Volgens het screeningsprofiel ‘Taxibranche; chauffeurskaart’ is de houder van de chauffeurskaart verantwoordelijk voor het welzijn en de veiligheid van de passagiers. Eén van de risico’s is dat de veiligheid van de passagiers en medeweggebruikers in gevaar wordt gebracht. Dit risico kan worden veroorzaakt door rijden onder invloed, overschrijding van de maximumsnelheid, gevaarlijk rijgedrag en/of agressief gedrag. Als er een één op één relatie is, kunnen de passagiers in een tijdelijke afhankelijkheidspositie verkeren ten opzichte van de chauffeur. Het risico bestaat van geweld- en zedendelicten, afpersing, chantage (afdreiging), diefstal, verduistering of vervalsing, aldus het screeningsprofiel.

4. Aan het in beroep bestreden besluit van 21 april 2015 heeft de staatssecretaris de volgende, [appellant] betreffende registraties in het JDS ten grondslag gelegd:

- een op 18 november 2014 bij strafbeschikking opgelegde geldboete van € 750,00 wegens rijden onder invloed;

- een op 24 april 2014 bij strafbeschikking opgelegde geldboete van € 630,00 wegens bedreiging en huisvredebreuk;

- een sepot ("oud feit") van 27 september 2012 wegens het niet gebruiken of niet (volledig) invullen van de dagrittenstaat;

- een op 10 april 2012 bij strafbeschikking opgelegde geldboete van € 790,00 wegens het niet voldoen aan een ambtelijk bevel en het beledigen van een ambtenaar in functie;

- een op 7 februari 2012 bij strafbeschikking opgelegde geldboete van € 110,00 wegens het niet bij zich hebben en/of het niet zichtbaar hebben van een chauffeurskaart.

Volgens de staatssecretaris vormen deze feiten, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur, zodat aan het objectieve criterium is voldaan. Voorts heeft de staatssecretaris zich in het kader van het subjectieve criterium op het standpunt gesteld dat het belang van beperking van de risico’s van de samenleving zwaarder weegt dan het belang bij toewijzing van een VOG. De omstandigheden van het geval geven geen aanleiding om toch een VOG af te geven.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank het besluit van 21 april 2015 ten onrechte in stand heeft gelaten. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij niet eerder met justitie in aanraking is gekomen wegens rijden onder invloed. Ook heeft dit feit niet tijdens de uitoefening van de functie van taxichauffeur plaatsgevonden. Voorts beschrijft hij de omstandigheden waaronder dit feit heeft plaatsgevonden. Hij verwijst naar een proces-verbaal betreffende zijn aangifte van mishandeling, die voorafging aan het rijden onder invloed. Verder heeft de rechtbank volgens hem ten onrechte aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat hij recentelijk is bestraft wegens huiselijk geweld (lees: bedreiging en huisvredebreuk). Dit is ter zitting bij de rechtbank niet aan de orde gekomen. Ook is hij daarvoor niet eerder met justitie in aanraking gekomen. Voorts heeft de rechtbank niet onderkend dat hij wat betreft de overige strafbare feiten, die hij in de uitoefening van de functie van taxichauffeur heeft gepleegd, destijds aan de betrokken ambtenaren heeft uitgelegd dat de op dat moment geldende regels in de praktijk niet werkten en dat inmiddels de desbetreffende regelgeving is gewijzigd. Voorts wijst hij erop dat hij al vanaf zijn vijftiende werkt en hij, met uitzondering van de relatief korte periode waarop de registraties in het JDS zien, niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Wat betreft het beledigen van een ambtenaar in functie brengt hij naar voren dat hij naar de desbetreffende ambtenaar anders had moeten reageren. Nu voorts de regels in het Besluit personenvervoer 2000 zijn gewijzigd, verwacht hij niet zo vaak meer met justitie in aanraking te komen. Als hij weer een VOG krijgt, kan hij de aflossing van de auto en de hypotheek betalen en in zijn levensonderhoud voorzien, aldus [appellant].

5.1. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat is voldaan aan het objectieve en subjectieve criterium.

5.2. Bij de toepassing van het objectieve criterium dient de staatssecretaris te onderzoeken of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat. Anders dan waarvan [appellant] uitgaat, zijn de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd in dit kader niet relevant. Ook is niet van doorslaggevend belang dat de strafbare feiten niet zijn gepleegd tijdens of in verband met het functioneren als taxichauffeur. Evenmin is van belang dat [appellant] niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Binnen de in het desbetreffende screeningsprofiel gestelde terugkijktermijn van vijf jaren zijn in het JDS vijf [appellant] betreffende feiten geregistreerd. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt mogen stellen dat rijden onder invloed, indien herhaald in de functie van taxichauffeur, een risico vormt voor het welzijn en de veiligheid van personen. Dit risico bestaat uit het in gevaar brengen van passagiers en andere weggebruikers. Zoals blijkt uit het specifieke screeningsprofiel ‘taxibranche; chauffeurspas’ is een taxichauffeur belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen en geldt het in gevaar brengen van de veiligheid van personen als een van de risico’s in de taxibranche. Rijden onder invloed is bij uitstek niet te verenigen met de functie van taxichauffeur. Dit geldt evenzo voor bedreiging. Hoewel, naar [appellant] stelt, de strafbeschikking wegens bedreiging en huisvredebreuk ter zitting bij de rechtbank niet expliciet is besproken, leidt dit niet tot het oordeel dat de rechtbank deze niet bij de beoordeling heeft mogen betrekken, nu de staatssecretaris deze mede aan het besluit van 21 april 2015 ten grondslag heeft gelegd. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt mogen stellen dat bedreiging, indien herhaald in de functie van taxichauffeur, een risico vormt voor het welzijn en de veiligheid van passagiers, die immers in een tijdelijke afhankelijkheidspositie verkeren ten opzichte van de taxichauffeur. Dat voorts, naar [appellant] aanvoert, inmiddels de desbetreffende regelgeving is gewijzigd, neemt niet weg dat de staatssecretaris de strafbeschikking en het sepot wegens overtreding van het Besluit personenvervoer 2000 door het niet gebruiken dan wel niet (volledig) invullen van de dagrittenstaat en het niet bij zich hebben dan wel het niet zichtbaar hebben van een chauffeurskaart, bij de beoordeling heeft mogen betrekken. Daartoe heeft de staatssecretaris zich op het standpunt mogen stellen dat het niet voldoen aan de in het Besluit personenvervoer 2000 gestelde eisen nadelige gevolgen kan hebben voor de veiligheid van passagiers en voor controlerende instanties, waarbij het risico voor concurrentievervalsing in de taxibranche bestaat. Hetgeen [appellant] op dit punt heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat de staatssecretaris zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de desbetreffende feiten een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat is voldaan aan het objectieve criterium.

5.3. Volgens de Beleidsregels ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. In het geval dat de staatssecretaris na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.

De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat is voldaan aan het subjectieve criterium. Hiertoe is van belang dat de staatssecretaris, gelet op het aantal antecedenten en het geringe tijdsverloop tussen het laatste in het JDS geregistreerde feit en de datum van beoordeling van de VOG-aanvraag, een zwaarder gewicht mocht toekennen aan het belang van de samenleving dan aan het belang van [appellant] bij afgifte van de VOG. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, gezien hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen, de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat zich een risico voor de samenleving voordoet. Dat [appellant], naar hij stelt, sinds zijn vijftiende werkt, niet eerder met justitie in aanraking is geweest en verwacht in de toekomst minder met justitie in aanraking te komen, neemt niet weg dat hij binnen de terugkijktermijn maar liefst vijf maal met justitie in aanraking is geweest, waarbij viermaal een strafbeschikking is opgelegd. De staatssecretaris hoefde aan het door [appellant] gestelde niet zodanig gewicht toe te kennen dat hij alsnog tot afgifte van de VOG diende over te gaan. Voorts heeft de rechtbank de omstandigheid dat [appellant] door de weigering van de afgifte van de VOG financiële gevolgen ervaart, terecht niet geduid als een bijzondere omstandigheid in verband waarmee de staatssecretaris de belangenafweging niettemin in het voordeel van [appellant] had moeten laten uitvallen.

Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de staatssecretaris na weging van de omstandigheden van het geval de afgifte van de VOG niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren en zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij hem geen twijfel bestaat over de vraag of de VOG kon worden afgegeven. Gelet hierop was de staatssecretaris niet gehouden de omstandigheden waaronder de in het JDS geregistreerde feiten zijn gepleegd, welke omstandigheden [appellant] ter zitting nader heeft toegelicht, in de beoordeling of is voldaan aan het subjectieve criterium te betrekken.

5.4. De conclusie is dat de rechtbank het besluit van 21 april 2015 terecht in stand heeft gelaten.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Mossel, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Van Mossel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

741.