Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:790

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201505349/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:3612, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2009 heeft het college het op naam van [belanghebbende] staande uitsluitend recht tot begraven en bijzetten voor de grafruimte gelegen in vak 4/N/1/- op de algemene begraafplaats Vredehof (hierna: het grafrecht) op naam van [appellante] overgeschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2016/4932
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505349/1/A3.

Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2015 in zaak nr. 14/484 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2009 heeft het college het op naam van [belanghebbende] staande uitsluitend recht tot begraven en bijzetten voor de grafruimte gelegen in vak 4/N/1/- op de algemene begraafplaats Vredehof (hierna: het grafrecht) op naam van [appellante] overgeschreven.

Bij besluit van 12 december 2013 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 24 juni 2009 herroepen.

Bij uitspraak van 26 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2016, waar [appellante], bijgestaan door mr. H.P.J.G. Berkers, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, is verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. H.P.J. van der Eerden, advocaat te Den Haag, gehoord.

Overwegingen

1. Het grafrecht ziet op het graf waarin onder anderen de moeder van de zussen [appellante] en [belanghebbende] is begraven. Het college heeft bij brief van 23 april 2009 aan [belanghebbende] een formulier aanvraag overboeking uitsluitend recht toegezonden. Zowel in de brief als op het formulier staat vermeld dat het formulier ingevuld en ondertekend aan het college moet worden teruggezonden met een kopie van een geldig legitimatiebewijs van zowel de rechthebbende van het grafrecht als van de persoon op wie het grafrecht wordt overgedragen. Op basis van het teruggestuurde formulier en de kopieën van de legitimatiebewijzen heeft het college bij besluit van 24 juni 2009 het grafrecht van [belanghebbende] overgeschreven op naam van [appellante].

2. Aan het besluit van 12 december 2013 heeft het college ten grondslag gelegd dat bij het formulier een kopie is overgelegd van een niet geldig legitimatiebewijs van [belanghebbende]. Het gekopieerde legitimatiebewijs was reeds op 13 juni 2007 verlopen. De overschrijving van het grafrecht is derhalve op onjuiste gronden tot stand gekomen, aldus het college.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het besluit van 24 juni 2009 op grond van de overlegging van een kopie van een ongeldig legitimatiebewijs heeft mogen herroepen. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank, door te overwegen dat het vereiste dat bij de aanvraag tot overschrijving van het grafrecht een kopie van een geldig legitimatiebewijs van de rechthebbende moet worden overgelegd niet onrechtmatig is, een onjuiste afweging heeft gemaakt. De rechtbank had moeten beoordelen of de weigering het grafrecht over te schrijven op basis van dit vereiste een juridische grondslag kent. Dit is niet het geval, aldus [appellante]. Uit artikel 1, aanhef en onder 1, van de Wet op de identificatieplicht (hierna: Wid) blijkt niet dat een Nederlandse identiteitskaart niet verlopen mag zijn om geldig te zijn. Daarbij komt dat het vereiste van een kopie van een geldig legitimatiebewijs ziet op de vaststelling dat diegene die toestemt met de overschrijving van het grafrecht ook de oorspronkelijke rechthebbende daarvan is. Dit kan ook met een verlopen legitimatiebewijs, aldus [appellante]. Voorts stelt zij dat het niet geldig zijn van het legitimatiebewijs aanvankelijk geen reden is geweest om het verzoek tot overschrijving te weigeren. Dit kan dan nadien niet meer als weigeringsgrond dienen, aldus [appellante]. Voorts voert [appellante] aan dat geen zwaarwegende belangen zijn gesteld die de herroeping van het besluit van 24 juni 2009 kunnen rechtvaardigen.

3.1. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Verordening algemene begraafplaatsen Ridderkerk, zoals die gold ten tijde van belang, kan het recht op een eigen graf op aanvraag van de rechthebbende worden overgeschreven ten name van de meerderjarige echtgenoot of levenspartner dan wel een bloedverwant of aanverwant tot en met de derde graad van zowel de rechthebbende als een der in het graf begraven overledenen.

3.2. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen stelt de Verordening niet als vereiste dat een kopie van een geldig legitimatiebewijs van de oorspronkelijke rechthebbende moet worden overgelegd. Het is echter wel aan het college na te gaan of aan de in artikel 18, eerste lid, van de Verordening gestelde eisen wordt voldaan. Kan het college dat niet vaststellen, dan kan het grafrecht niet worden overgeschreven.

Het college heeft in reactie op door de rechtbank schriftelijk gestelde vragen toegelicht dat, indien de rechthebbende niet bij de indiening van de aanvraag om overschrijving aanwezig is, door overlegging van een kopie van een legitimatiebewijs kan worden geverifieerd of de aanvraag door de rechthebbende is gedaan. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de indiener van de aanvraag niet zonder toestemming van de rechthebbende over diens legitimatiebewijs kan beschikken. Ook kan de handtekening op het legitimatiebewijs dienen ter verificatie van de handtekening op het aanvraagformulier, aldus het college. De Afdeling acht het vereiste dat een kopie van het legitimatiebewijs moet worden overgelegd niet onredelijk.

Het college heeft voorts terecht gesteld dat een kopie van een geldig legitimatiebewijs meer zekerheid biedt dan een kopie van een legitimatiebewijs dat is verlopen. Anders dan [appellante] heeft betoogd, is een legitimatiebewijs alleen dan geldig wanneer de geldigheidsduur daarvan niet is verstreken (zie ook het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2014 in zaak nr. 201401244/1/A2). Het college heeft voor de vaststelling of de aanvraag door de rechthebbende is gedaan het vereiste dat een kopie van een geldig legitimatiebewijs moet worden overgelegd dan ook mogen stellen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het stellen van dit vereiste niet onrechtmatig is.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de in dit geval overgelegde kopie van een identiteitskaart, nu hiervan de geldigheidsduur op 13 juni 2007 is verlopen, niet voldoet aan het door het college gestelde vereiste. De omstandigheid dat, naar [appellante] stelt en wat daar ook van zij, met een verlopen legitimatiebewijs kan worden gestemd omdat ook met een verlopen legitimatiebewijs de identiteit van de drager daarvan kan worden vastgesteld, maakt niet dat het college in dit geval een verlopen legitimatiebewijs had moeten accepteren.

3.3. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het in bezwaar bestreden besluit plaatsvindt. [belanghebbende] heeft er in bezwaar op gewezen dat een kopie is overgelegd van een ten tijde van de aanvraag reeds verlopen legitimatiebewijs. Het college was derhalve gehouden opnieuw te beoordelen of op grond van de overgelegde stukken kon worden vastgesteld dat de aanvraag door de rechthebbende is gedaan. In het tweede lid van artikel 7:11 is bepaald dat het bestuursorgaan het bestreden besluit herroept voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft. De omstandigheid dat het college bij besluit van 24 juni 2009 geen aanleiding heeft gezien de overschrijving van het grafrecht te weigeren, maakt derhalve niet, anders dan [appellante] heeft betoogd, dat het college daarop in heroverweging niet heeft mogen terugkomen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

176-773.