Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:789

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201502428/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Vakantiepark Boschvoort, Koeveringsedijk Sint-Oedenrode" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502428/2/R3.

Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Sint-Oedenrode,

appellant,

en

de raad van de gemeente Sint-Oedenrode,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Vakantiepark Boschvoort, Koeveringsedijk Sint-Oedenrode" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. D. van de Weerdt, en de raad, vertegenwoordigd door C. van den Bogaard, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is ter zitting, [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als belanghebbende gehoord.

Bij tussenuitspraak van 9 september 2015 in zaak nr. 201502428/1/R3 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 18 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 29 januari 2015 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 17 december 2015 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Vakantiepark Boschvoort Koeveringsedijk Sint-Oedenrode" gewijzigd vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het besluit van 29 januari 2015

1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 10.1 vastgesteld dat in het inrichtingsplan het zwembad, de horeca, de receptie, de campingwinkel en het parkeerterrein zijn gesitueerd in de zuidoostelijke hoek van het plangebied. In het akoestisch onderzoek van DPA Cauberg-Huygen B.V. van 25 augustus 2014, waarin wordt geconcludeerd dat het plan wat betreft het aspect geluid niet zal leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden, is deze inrichting van het plangebied als uitgangspunt genomen. De Afdeling heeft vastgesteld dat in de verbeelding van het plan geen aanduidingen voor de verschillende onderdelen zijn opgenomen en voormelde functies van het vakantiepark derhalve in het hele plangebied mogen komen. De Afdeling heeft geoordeeld dat gelet hierop niet gewaarborgd is dat het plan wat betreft het aspect geluid geen onaanvaardbare gevolgen zal hebben voor het woon- en leefklimaat van [appellant] en het plan in zoverre onzorgvuldig is voorbereid. Voorts heeft de Afdeling geoordeeld dat de maximale oppervlakte van het zwembad had moeten worden vastgelegd in het plan, nu in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een zwembad met een oppervlakte van maximaal 100 m2.

2. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 29 januari 2015 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep tegen het besluit van 29 januari 2015 is gegrond en dit besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij niet de locatie van het zwembad, de horeca, de receptie, de campingwinkel en het parkeerterrein en de maximale oppervlakte van het zwembad zijn vastgelegd.

Het besluit van 17 december 2015

3. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak de raad de opdracht gegeven in het plan vast te leggen waar het zwembad, de horeca, de receptie, de campingwinkel en het parkeerterrein mogen komen. Indien daarbij wordt gekozen voor een andere inrichting van het plangebied dan waarvan in het akoestisch onderzoek wordt uitgegaan dient een aanvullend akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Verder dient de raad de maximale oppervlakte van het zwembad in het plan vast te leggen.

4. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 17 december 2015 het plan gewijzigd vastgesteld.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Het besluit van 17 december 2015 is een besluit tot wijziging van het besluit van 29 januari 2015 en ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel van dit geding. Het beroep van [appellant] is van rechtswege gericht tegen dit besluit.

5. Volgens [appellant] staan op het inrichtingsplan twee gebouwen voor ondergeschikte horeca die niet bij het akoestisch onderzoek zijn meegenomen. Verder lijken de gebouwen volgens [appellant] groter te zijn dan de 50 m2 die het plan toestaat. [appellant] stelt dat de raad gelet hierop heeft gekozen voor een andere inrichting van het plangebied dan waarvan in het akoestisch onderzoek is uitgegaan en daarom, gelet op de opdracht die de Afdeling in de tussenuitspraak aan de raad heeft gegeven, een aanvullend akoestisch onderzoek had moeten worden uitgevoerd.

5.1. In de verbeelding van het gewijzigde plan is in de zuidoostelijke hoek van het plangebied een zone opgenomen met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - algemene voorzieningen". In artikel 4, lid 4.2.1., onder d, van de planregels staat dat de algemene voorzieningen en het parkeerterrein van het vakantiepark alleen ter plaatse van voormelde aanduiding mogen worden gerealiseerd, met dien verstande dat een zwembad alleen bij de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - zwembad" mag worden opgericht. Onder algemene voorzieningen worden volgens artikel 1 van de planregels voorzieningen verstaan ten dienste van en ondergeschikt aan de verblijfsrecreatie, zoals een ontvangstkantoor/receptie, kampeerwinkel, ruimtes voor vermaak, sport- en speelvoorzieningen, een zwembad, of horeca.

6. Anders dan [appellant] stelt heeft de raad bij het vastleggen van de locatie van het zwembad, de horeca, de receptie, de campingwinkel en het parkeerterrein in het plan, gekozen voor dezelfde inrichting als waarvan in het akoestisch onderzoek is uitgegaan. Net als in het inrichtingsplan mogen de algemene voorzieningen en het parkeerterrein immers alleen in de zuidoostelijke hoek van het plangebied komen. Wat betreft het betoog van [appellant] dat de twee horecagebouwen in het inrichtingsplan groter zijn dan de 50 m2 die het plan toestaat en derhalve niet voor dezelfde inrichting is gekozen, overweegt de Afdeling dat, wat hier ook van zij, dit zou betekenen dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een groter oppervlakte aan horeca dan wat het plan toestaat, zodat sprake zal zijn van een overschatting van de geluidsbelasting. Dit verschil zal derhalve geen nadelige gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat van [appellant]. De Afdeling is van oordeel dat in het gewijzigde plan voldoende is gewaarborgd dat het voorziene vakantiepark wat betreft geluid geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon-en leefklimaat van [appellant]. De raad heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak.

Voor zover [appellant] beoogt te betogen dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de ondergeschikte horeca die het plan mogelijk maakt, had [appellant] dit betoog kunnen en moeten aanvoeren in zijn beroep tegen het oorspronkelijke besluit. Gelet op het belang van een efficiënte geschillenbeslechting alsmede de rechtszekerheid van de andere partij, kan in het licht van een goede procesorde niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen [appellant] in dit opzicht aanvoert, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

De betogen falen.

7. Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het besluit van 17 december 2015 ongegrond.

Proceskosten

8. Nu het beroep van [appellant] tegen het besluit van 29 januari 2015 gegrond is dient de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Sint-Oedenrode van 29 januari 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Vakantiepark Boschvoort, Koeveringsedijk Sint-Oedenrode" gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Sint-Oedenrode van 29 januari 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Vakantiepark Boschvoort, Koeveringsedijk Sint-Oedenrode", voor zover daarbij niet de locatie van het zwembad, de horeca, de receptie, de campingwinkel en het parkeerterrein en de maximale oppervlakte van het zwembad zijn vastgelegd;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 17 december 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Vakantiepark Boschvoort, Koeveringsedijk Sint-Oedenrode" ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Sint-Oedenrode tot vergoeding van bij [appellant] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Sint-Oedenrode aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Brock, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Brock

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

603.