Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:786

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201503983/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:2360, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2014 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van drie garageboxen op het perceel [locatie 1] te Wijchen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2016/88 met annotatie van Mr. A. Snijders
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7342
JOM 2016/253
OGR-Updates.nl 2016-0061
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503983/1/A1.

Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Wijchen,

2. [appellant sub 2], wonend te Wijchen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 april 2015 in zaak nr. 14/7124 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2014 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van drie garageboxen op het perceel [locatie 1] te Wijchen.

Bij besluit van 19 maart 2014 heeft het college aan L.J. [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van drie garageboxen op het perceel [locatie 2] te Wijchen.

Bij besluit van 27 augustus 2014 heeft het college het door [appellant sub 2] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 27 augustus 2014 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep en [appellant sub 2] incidenteel hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2016, waar het college, vertegenwoordigd door mr. I. de Keijzer, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. C. Lubben, zijn verschenen. Voorts zijn [vergunninghouder] en [belanghebbende] ter zitting als belanghebbenden gehoord.

Overwegingen

1. De verleende omgevingsvergunningen hebben betrekking op de uitbreiding van twee bestaande rijen garageboxen op de percelen [locatie 2] en [locatie 1] te Wijchen. De bestaande garageboxen zijn gerealiseerd met een onder een buitenplanse ontheffing verleende bouwvergunning. De voorziene garageboxen liggen achter de tuin van [appellant sub 2].

2. De voorziene garageboxen zijn in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Oost-Wijchen". Het college heeft de door [belanghebbende] en [vergunninghouder] gevraagde omgevingsvergunningen verleend met toepassing van artikel 4, aanhef en eerste lid, onder a, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor). Volgens het college zijn de nieuwe garageboxen bij de bestaande garageboxen bijbehorende bouwwerken en bestaan er geen ruimtelijke bezwaren tegen verlening van de vergunningen. [appellant sub 2] verzet zich tegen de bouw van de garageboxen.

3. De rechtbank heeft overwogen dat de bestaande garageboxen hoofdgebouwen zijn. De nieuw te bouwen garageboxen zijn volgens haar niet aan te merken als bijbehorende bouwwerken, maar als nieuwe hoofdgebouwen. Om die reden kon het college niet met toepassing van artikel 4, aanhef en eerste lid, onder a, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunningen verlenen, aldus de rechtbank.

4. Ingevolge artikel 4, aanhef en eerste lid, onder a, van Bijlage II van het Bor, zoals dat luidde ten tijde van belang, komt een bijbehorend bouwwerk binnen de bebouwde kom in aanmerking voor verlening van een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, wordt onder bijbehorend bouwwerk verstaan: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

Onder hoofdgebouw wordt verstaan: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

5. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de op de percelen [locatie 2] en 5 bestaande garageboxen hoofdgebouwen zijn en het college reeds daarom geen omgevingsvergunningen met toepassing van artikel 4 van bijlage II van het Bor kon verlenen. De garageboxen zijn niet noodzakelijk voor de verwezenlijking van de bestemming van het perceel, maar zijn zelfs daarmee in strijd, aldus [appellant sub 2]. Voorts zijn de bestaande garageboxen allemaal gelijk en dat brengt volgens [appellant sub 2] met zich dat geen enkel gebouw als hoofdgebouw kan worden aangemerkt. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de nieuw te bouwen garageboxen niet zijn aan te merken als bijbehorende bouwwerken. Volgens het college kan er maar één hoofdgebouw aanwezig zijn op een perceel. Omdat de percelen aan [locatie 2] en 5 tezamen zijn aan te merken als één perceel, is de grootste rij garageboxen aan [locatie 2] aan te merken als het hoofdgebouw, aldus het college. De nieuw te bouwen garageboxen zijn volgens het college een uitbreiding van dat hoofdgebouw en zijn daarmee functioneel verbonden nu zij dezelfde functie hebben.

5.1 [appellant sub 2] betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bestaande garageboxen hoofdgebouwen zijn. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor is een hoofdgebouw een gebouw dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel. De bestaande garageboxen zijn in strijd met de geldende bestemming "Verkeer - Verkeer en verblijf" met de nadere aanduiding "groen" en zijn daarom niet noodzakelijk voor de verwezenlijking van de geldende bestemming. Het college heeft gesteld dat bij de eerstvolgende herziening van het bestemmingsplan de bestaande garageboxen de bestemming "Verkeer - Autoboxen" zullen krijgen en de bestaande garageboxen noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van die bestemming. Enige indicatie op welke termijn bedoelde aanpassing van de bestemming metterdaad ter hand zal worden genomen, kon door het college evenwel niet worden verstrekt. Nu concrete aanwijzingen dat en wanneer die aanpassing valt te verwachten ontbreken, bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat de bestaande garageboxen noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de toekomstige bestemming.

Het betoog van [appellant sub 2] slaagt.

6. Nu de rechtbank terecht, zij het op andere gronden, het besluit van 27 augustus 2014 heeft vernietigd, behoeven de door het college aangevoerde hoger beroepsgronden geen bespreking.

7. Het hoger beroep van het college is ongegrond. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is gegrond. Nu echter de beslissing van de rechtbank juist is, dient de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

8. Het college dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wijchen tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.018,20 (zegge: duizendachttien euro en twintig cent), gedeeltelijk toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Wijchen een griffierecht van € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

414.