Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:774

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201505030/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2014 heeft de minister een door [appellant] ingediend verzoek om informatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505030/1/A3.

Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2015 in zaak nr. 14/6001 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2014 heeft de minister een door [appellant] ingediend verzoek om informatie afgewezen.

Bij besluit van 26 augustus 2014 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard, het besluit van 28 april 2014 deels herroepen, het verzoek om informatie deels alsnog afgewezen en zich op het standpunt gesteld dat hij geen dwangsom verschuldigd is.

Bij uitspraak van 27 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2016, waar [appellant], en de minister, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. J.C. Menken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Bij fax van 16 april 2014 heeft [appellant] de minister onder vermelding van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) voor zover thans van belang verzocht om informatie over een standaardsituatie in verband met opsluiting, over een tabel voor schade-uitkeringen, over het driemaal moeten produceren van schone ontlasting en over de term "kort verblijf".

2. Bij besluit van 26 augustus 2014 heeft de minister het door [appellant] gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard, omdat bij besluit van 28 april 2014 ten onrechte niet op het gehele verzoek om informatie is besloten. Voorts heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat informatie over de standaardsituatie als bedoeld in artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering en over een tabel voor schade-uitkeringen bij het Openbaar Ministerie reeds openbaar is en hij niet over meer documenten beschikt. De minister beschikt ook niet over informatie over het driemaal moeten produceren van schone ontlasting. Voor zover [appellant] heeft verzocht om informatie over de term "kort verblijf", heeft de minister gesteld dat het Openbaar Ministerie beschikt over een document van januari 2012. Dit document weigert de minister op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c en d, van de Wob openbaar te maken, omdat reizigers die drugs willen smokkelen hun voordeel zouden kunnen doen met de informatie opgenomen in dit document. Hierom heeft de minister het verzoek om informatie in zoverre alsnog afgewezen. Tot slot heeft de minister in het besluit van 26 augustus 2014 gesteld dat hij geen dwangsom is verschuldigd, omdat hij tijdig op het verzoek en op het bezwaar heeft beslist.

3. De rechtbank heeft overwogen dat de stelling van de minister, dat documenten over het driemaal moeten produceren van schone ontlasting niet onder hem berusten, niet ongeloofwaardig is en [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de documenten wel onder de minister berusten. Voorts heeft de minister volgens de rechtbank in redelijkheid de openbaarmaking van het document van januari 2012 kunnen weigeren. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat, voor zover de minister in het besluit van 26 augustus 2014 stelt dat hij geen dwangsom is verschuldigd, dit geen besluit op bezwaar is, zodat [appellant] daartegen bezwaar had moeten maken alvorens hij beroep kon instellen.

Het hoger beroep

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de stelling van de minister, dat documenten over het driemaal moeten produceren van schone ontlasting niet onder hem berusten, niet ongeloofwaardig is. Daartoe voert hij aan dat de Wob ook ziet op informatie die op andere wijze dan in documenten is vastgelegd.

4.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wob wordt in deze wet onder document verstaan een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

4.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de stelling van de minister, dat documenten over het driemaal moeten produceren van schone ontlasting niet onder hem berusten, niet ongeloofwaardig is. Ter zitting van de Afdeling is namens de minister toegelicht dat bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie en bij het Openbaar Ministerie geen informatie in een schriftelijk stuk, dan wel in ander materiaal vastgelegde gegevens, over het driemaal moeten produceren van schone ontlasting is aangetroffen. Naar het de minister voorkomt, is het driemaal moeten produceren van schone ontlasting een feitelijke handelwijze van de Koninklijke Marechaussee. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarover wel documenten onder de minister berusten.

Het betoog faalt.

5. Verder voert [appellant] aan dat het in strijd is met het legaliteitsbeginsel om documenten niet openbaar te maken, dat de rechtbank tot haar oordeel is gekomen omdat zij precedentwerking vreest, dat preventief fouilleren aan regels gebonden is en niet onbeperkt kan plaatsvinden en dat de handelwijze van de Koninklijke Marechaussee in strijd is met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en discriminerend is. [appellant] heeft niet gemotiveerd waarom deze standpunten volgens hem moeten leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak in deze thans voorliggende zaak. Reeds daarom geven zij daartoe geen aanleiding.

6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte geen kennis heeft genomen van de inhoud van het document van januari 2012 en hem niet om toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb heeft gevraagd.

6.1. Ingevolge artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, kunnen partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de rechtbank mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.

Ingevolge het derde lid beslist de rechtbank of de in het eerste lid bedoelde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Ingevolge het vijfde lid, eerste volzin, kan de rechtbank, indien zij heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen.

6.2. In het verweerschrift in hoger beroep heeft de minister toegelicht dat hij het document van januari 2012 aan de rechtbank heeft overgelegd onder de mededeling dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis mag nemen. Nu de minister het document naar aanleiding van het Wob-verzoek van [appellant] heeft geweigerd openbaar te maken, is het een op de zaak betrekking hebbend stuk en was de minister verplicht het aan de rechtbank over te leggen. Volgens artikel 13, tweede lid, van de Procesregeling bestuursrecht 2013 handelt de rechtbank, indien het verzoek om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb ziet op stukken waarvan de openbaarmaking op grond van de Wob is geweigerd en het beroep tegen die weigering is gericht, alsof het verzoek om beperking van de kennisneming is ingewilligd.

In haar uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat "verweerder stelt te beschikken over een document van januari 2012". Deze zinsnede doet vermoeden dat de rechtbank van de inhoud van het document geen kennis heeft genomen. Ook is het evenwel zo dat de rechtbank over het document heeft geoordeeld, namelijk dat de minister het in het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Door de Afdeling kan niet worden vastgesteld of de rechtbank kennis heeft genomen van de inhoud van het document van januari 2012 en mede op grondslag daarvan uitspraak heeft gedaan.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 september 2006 in zaak nr. 200602097/1), volgt uit artikel 8:29 van de Awb dat de procespartij die geen kennis mag nemen van stukken waarvan de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is geacht, daadwerkelijk door de rechtbank in de gelegenheid moet worden gesteld om al dan niet de toestemming als bedoeld in het vijfde lid van dat artikel te verlenen. Uit de aangevallen uitspraak, noch uit het dossier van de rechtbank, kan worden opgemaakt dat de rechtbank [appellant] om toestemming heeft gevraagd. Voor zover de rechtbank ten behoeve van haar uitspraak van 27 mei 2015 van de inhoud van het document van januari 2012 kennis heeft genomen, heeft zij dat ten onrechte zonder door [appellant] gegeven toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gedaan. Voor zover de rechtbank van de inhoud van het document van januari 2012 geen kennis heeft genomen, geldt dat zij, nu het document een op de zaak betrekking hebbend stuk is, waarvan de minister stelt het te hebben overgelegd, ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om [appellant] om toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb te vragen.

Het betoog slaagt.

7. Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over het besluit van 26 augustus 2014, voor zover de minister daarbij heeft besloten dat hij geen dwangsom verschuldigd is.

7.1. Ingevolge artikel 4:19, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

7.2. In zijn beroepschrift heeft [appellant] betoogd dat hij recht heeft op een dwangsom en dat de minister dit bij het besluit van 26 augustus 2014 heeft miskend. Gelet op het bepaalde in artikel 4:19, eerste lid, van de Awb heeft het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 26 augustus 2014 derhalve mede betrekking op dit besluit, voor zover de minister daarbij heeft besloten dat hij geen dwangsom verschuldigd is. [appellant] stelt terecht dat de rechtbank dit ten onrechte niet heeft onderkend.

Het betoog slaagt.

8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de door [appellant] ingestelde beroepen beoordelen.

De beroepen

9. In beroep heeft [appellant] betoogd dat de minister het document van januari 2012 niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

9.1. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten.

9.2. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van het door de minister overgelegde document van januari 2012. Nu kennis van de inhoud van dit document het reizigers die drugs willen smokkelen gemakkelijker kan maken om de drugs te verbergen, heeft de minister in redelijkheid het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van openbaarmaking van het document.

Het betoog faalt.

10. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 26 augustus 2014, voor zover de minister daarbij op het bezwaar heeft beslist, alsnog ongegrond verklaren.

11. [appellant] heeft in beroep betoogd dat de minister ten onrechte heeft besloten dat hij geen dwangsom verschuldigd is. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de minister met het besluit van 28 april 2014 niet volledig op zijn verzoek heeft beslist.

11.1. Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wob beslist het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk op het verzoek om informatie, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.

11.2. Het besluit van de minister van 28 april 2014 op het door [appellant] ingediende verzoek van 16 april 2014 is binnen vier weken en derhalve tijdig genomen. Dat de minister volgens [appellant] met dat besluit niet volledig op het verzoek heeft beslist, doet daar niet aan af. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 oktober 2013 in zaak nr. 201300809/1/A3), eist artikel 4:13, eerste lid, van de Awb louter dat binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn een besluit wordt genomen. Dit staat los van de beoordeling van de juistheid van het genomen besluit. De juistheid kan worden bestreden door tegen het besluit bezwaar te maken, hetgeen [appellant] heeft gedaan. Nu de minister bij brief van 2 juli 2014 de termijn om op het door [appellant] ingediende bezwaarschrift te beslissen met zes weken heeft verdaagd, heeft de minister eveneens tijdig op het bezwaar beslist.

De minister heeft zich in het besluit van 26 augustus 2014 derhalve terecht op het standpunt gesteld dat hij geen dwangsom verschuldigd is.

Het betoog faalt.

12. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 26 augustus 2014, voor zover de minister daarbij heeft besloten dat hij geen dwangsom verschuldigd is, alsnog ongegrond verklaren.

Proceskosten

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2015 in zaak nr. 14/6001;

III. verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 26 augustus 2014, voor zover de minister daarbij op het door [appellant] gemaakte bezwaar heeft beslist, ongegrond;

IV. verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 26 augustus 2014, voor zover de minister daarbij heeft besloten dat hij geen dwangsom verschuldigd is, ongegrond;

V. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 248,00 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

317-819.