Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:773

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201503920/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:3721, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van de van hem in de gemeentelijke basisadministratie geregistreerde gegevens (hierna: gba, thans basisregistratie personen, hierna: brp) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module GBA 2016/1153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503920/1/A3.

Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Leiderdorp,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 april 2015 in zaak nr. 14/3533 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp.

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van de van hem in de gemeentelijke basisadministratie geregistreerde gegevens (hierna: gba, thans basisregistratie personen, hierna: brp) afgewezen.

Bij besluit van 18 maart 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door J.C. Borst en A.J.C. van den Berg, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 21 januari 2001 is [appellant] in Nederland binnengekomen. Op 12 december 2001 heeft hij een verklaring onder ede afgelegd over zijn identiteit. In de verklaring onder ede heeft [appellant] verklaard dat zijn naam [appellant] is en dat hij op 28 maart 1992, te [plaats] in Angola, is geboren. Deze gegevens zijn in de gba geregistreerd. Op grond van de zogenoemde Generaal Pardonregeling uit 2007 heeft [appellant] een verblijfsvergunning gekregen. [appellant] stelt in deze zaak dat de van hem in de gba geregistreerde persoonsgegevens onjuist zijn. Op 7 mei 2013 heeft [appellant] het college verzocht de over hem in de gba geregistreerde gegevens te wijzigen in [naam], geboren op [--.--.----] te [plaats] in Angola. Daartoe heeft hij een geboorteakte overgelegd.

Het college heeft dit verzoek afgewezen bij het besluit van 27 september 2013. In bezwaar heeft het deze afwijzing gehandhaafd. [appellant] heeft volgens het college niet aannemelijk gemaakt dat hij dezelfde persoon is als degene die vermeld staat op de geboorteakte. Dat [appellant] ten tijde van het afleggen van de verklaring minderjarig was maakt niet dat deze verklaring onjuist is. Bij het afleggen van de verklaring was namelijk een tolk aanwezig en de verklaring is ondertekend door een bevoegde ambtenaar, door de verzorger van [appellant], door zijn zus en door [appellant] zelf.

Verder zijn in bezwaar een paspoort en in beroep de uitkomsten van een moederschapsonderzoek overgelegd.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet onomstotelijk vaststaat dat de van [appellant] geregistreerde persoonsgegevens feitelijk onjuist zijn. Daartoe voert hij aan dat niet van de juistheid van de door hem afgelegde verklaring onder ede kan worden uitgegaan gelet op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK). Hij was destijds negen jaar en had geen wetenschap van wat de eed inhield en welke gevolgen deze kon hebben. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij dezelfde persoon is als degene van wie de naam en geboortedatum zijn vermeld op de overgelegde geboorteakte en het overgelegde paspoort. Hij wijst daartoe op het overgelegde moederschapsonderzoek, waaruit volgt dat zijn moeder [moeder] is, op de omstandigheid dat zijn ouders op de overgelegde geboorteakte staan vermeld en op een in hoger beroep overgelegde schoolpas met foto waarop de naam [naam] is vermeld met die van zijn ouders.

3. De rechtbank is het college terecht gevolgd in het standpunt dat van de juistheid van de in de brp geregistreerde gegevens van [appellant] dient te worden uitgegaan. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat geen dan wel minder waarde aan de onder ede afgelegde verklaring moest worden gehecht gelet op de minderjarigheid van [appellant]. Een minderjarige van destijds negen jaar wordt geacht te weten wat zijn naam en geboortegegevens zijn. Bovendien werd [appellant] bij het afleggen van die verklaring begeleid door een persoon van Stichting Opbouw, waaraan destijds de voogdij over [appellant] was verleend en zijn zus. Ook was een tolk aanwezig. In artikel 12, eerste lid, van het IVRK is bepaald dat de staat het kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen moet verzekeren, het recht die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid. In het tweede lid is bepaald dat het kind in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht. Dat [appellant] ten tijde van het afleggen van de verklaring mogelijk de betekenis van de eed niet besefte neemt niet weg dat hij als negenjarige wel moet hebben geweten wat zijn persoonsgegevens waren. Door de door hem genoemde persoonsgegevens te registreren heeft het college niet gehandeld in strijd met artikel 12 van het IVRK.

De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2011 in zaak nr. 201010100/1/H3 overwogen dat voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens, gelet op het systeem van de Wet brp, onomstotelijk zal moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn. Zij heeft terecht geoordeeld dat [appellant] er niet in is geslaagd aan te tonen dat de van hem in de brp geregistreerde persoonsgegevens onjuist zijn. Weliswaar zijn de door [appellant] overgelegde documenten hogere brondocumenten dan de afgelegde verklaring onder ede, maar met de geboorteakte en het paspoort heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij dezelfde persoon is als degene die onder de naam [naam], met geboortedatum 14 juni 1992, is vermeld op die documenten. Het door [appellant] overgelegde moederschapsonderzoek maakt dit niet anders. Hieruit blijkt slechts de familierechtelijke band tussen hem en [moeder], zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. De band met [vader], van wie [appellant] stelt dat hij zijn vader is, heeft hij niet aangetoond. Ook met de in hoger beroep overgelegde schoolpas waarop de naam [naam] en die van diens ouders is vermeld, heeft [appellant] niet aangetoond dat hij [naam] is en dat derhalve de in de brp van hem geregistreerde gegevens onjuist zijn.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Polak

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

382-805.