Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:772

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201501608/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 november 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Proeftuin van Holland" vastgesteld. Hieraan ligt ten grondslag het besluit van 17 december 2013 van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, kenmerk PHZ-2013-433684222, waarbij ontheffing is verleend op grond van artikel 21, eerste lid, van de op dat moment geldende Verordening Ruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501608/2/R4.

Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Boskoop,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Proeftuin van Holland" vastgesteld. Hieraan ligt ten grondslag het besluit van 17 december 2013 van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, kenmerk PHZ-2013-433684222, waarbij ontheffing is verleend op grond van artikel 21, eerste lid, van de op dat moment geldende Verordening Ruimte.

Tegen deze besluiten hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellant B] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 augustus 2015, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, werkzaam bij DAS, en de raad, vertegenwoordigd door R.H. Noorhoff, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Proba B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], beiden directeur, als partij gehoord.

Bij tussenuitspraak van 9 september 2015 in zaak nr. 201501608/1/R4 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 27 november 2014 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 17 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Proeftuin van Holland" opnieuw, gewijzigd vastgesteld.

[appellant A] en [appellant B] zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop het gebrek is hersteld. Van deze gelegenheid hebben zij gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het besluit van 27 november 2014

1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de gestelde actuele regionale behoefte aan het voorziene aantal van 4 zorgpaviljoens met maximaal 24 zorgeenheden niet toereikend in de plantoelichting is beschreven en dat het plan in zoverre in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening is vastgesteld. Daarnaast heeft de Afdeling overwogen dat de raad onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij tot het aantal van 200 extra motorvoertuigbewegingen per etmaal als gevolg van het plan is gekomen en dat het plan in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is vastgesteld. Het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit 27 november 2014 is gegrond, zodat dit besluit dient te worden vernietigd.

Het besluit van 17 december 2015

2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 27 november 2015 te herstellen door:

- te beschrijven dat de in het plan mogelijk gemaakte 24 zorgeenheden voorzien in een actuele regionale behoefte; en

- het aantal extra motorvoertuigbewegingen per etmaal op het Rijneveld en de Spoelwijkerlaan bij een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden inzichtelijk te maken.

Zo nodig diende de raad het besluit, zonder dat daarbij toepassing behoefde te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb, te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

3. De raad heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak bij besluit van 17 december 2015 het bestemmingsplan "Proeftuin van Holland" opnieuw, gewijzigd vastgesteld. Dit besluit is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van het geding.

Actuele regionale behoefte

4. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad in paragraaf 2.1.4 van de plantoelichting een gewijzigde beschrijving van de actuele regionale behoefte aan de in het plan mogelijk gemaakte 24 zorgeenheden opgenomen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raad gewezen op de door hem op 24 september 2015 vastgestelde "Countourennotitie Alphense Woonagenda" (hierna: Contourennotitie). Hierin staat onder meer dat in 2020 een tekort van 2.500 woningen voor mensen met een zorgbehoefte lijkt te ontstaan in de gemeente en dat bij realisatie van de in het plan voorziene zorgeenheden het genoemde tekort minder wordt. Daarnaast heeft de raad een namens Gemiva-SVG Groep ondertekende intentieverklaring aan het herstelbesluit ten grondslag gelegd. Hierin staat onder meer dat Gemiva-SVG Groep het initiatief ondersteunt en de intentie heeft om deze ontwikkeling mede te ontwikkelen. Deze intentieverklaring is als bijlage 7 bij de plantoelichting opgenomen.

4.1. [appellant A] en [appellant B] betogen in hun zienswijze dat de intentieverklaring niet de actuele regionale behoefte aantoont, nu daarin Gemiva-SVB Groep slechts de intentie uitspreekt om deze ontwikkeling mede te ontwikkelen. Hieruit volgt volgens [appellant A] en [appellant B] dat het kennelijk noodzakelijk is dat ook andere partijen participeren, terwijl daarvan nog niets is gebleken.

4.2. De Afdeling overweegt dat [appellant A] en [appellant B] niet hebben bestreden dat uit de Contourennotitie volgt dat in 2020 een tekort van 2.500 woningen voor mensen met een zorgbehoefte lijkt te ontstaan en dat het plan met de voorziene 24 zorgeenheden deels in die behoefte voorziet. Gelet hierop geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat niet toereikend is beschreven dat de in het plan mogelijk gemaakte 24 zorgeenheden voorzien in een actuele regionale behoefte. Het betoog faalt.

Verkeer

5. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad in paragraaf 3.4 van de plantoelichting bij het herstelbesluit een gewijzigde toelichting op de gevolgen van het plan voor de verkeersintensiteiten op het Rijneveld en de Spoelwijkerlaan opgenomen. Hiertoe heeft de raad het aantal extra motorvoertuigbewegingen per etmaal (hierna: mvt/etm) als gevolg van de nieuwe planologische mogelijkheden in een tabel uitgesplitst. Voor de toegelaten bedrijfsmatige recreatieve activiteiten heeft de raad een aantal van 65 mvt/etm becijferd. Het totaal aantal extra mvt/etm als gevolg van de nieuw toegelaten functies becijfert de raad op 200 mvt/etm. Deze toename acht de raad aanvaardbaar gelet op de verwachte intensiteit in 2025 van 843 mvt/etm op het Rijneveld en 615 mvt/etm op de Spoelwijkerlaan op basis van de bestaande situatie, inclusief het bestaande gebruik van de gronden aan het Rijneveld 153 te Boskoop. De extra verkeersbewegingen kunnen volledig door beide wegen worden opgevangen, maar zullen naar verwachting gelijk worden verdeeld over de wegen, aldus de raad.

5.1. [appellant A] en [appellant B] betogen in hun zienswijze dat de raad in zijn berekening van het aantal motorvoertuigbewegingen uit had moeten gaan van de maximale planologische mogelijkheden van de toegelaten functies. Daarbij wijzen [appellant A] en [appellant B] op een publicatie waarin staat dat er een aanvraag is gedaan voor het toestaan van zware horeca op het perceel.

Voorts betogen zij dat de raad nader had moeten omschrijven aan welke concrete nevenfuncties wordt gedacht bij de toegelaten bedrijfsmatige recreatieve activiteiten. Volgens hen kunnen recreatieve activiteiten als paintball of een klimparcours leiden tot veel extra verkeersbewegingen.

Daarnaast betogen zij dat in de tabel ten onrechte geen verkeersbewegingen zijn opgenomen die samenhangen met de toegestane horeca of de verkoop van streekeigen producten.

5.2. De Afdeling heeft de raad opgedragen het aantal extra mvt/etm op het Rijneveld en de Spoelwijkerlaan bij een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden inzichtelijk te maken. [appellant A] en [appellant B] hebben niet onderbouwd waarom in de door de raad gewijzigde toelichting niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte niet de maximale planologische mogelijkheden tot uitgangspunt heeft genomen bij de berekening van het aantal extra mvt/etm. Voor zover [appellant A] en [appellant B] in dit verband wijzen op een publicatie waarin staat dat een aanvraag is gedaan voor het toestaan van zware horeca op het perceel, stelt de Afdeling vast dat het gebruik van het perceel voor zware horeca, gelet op artikel 4, lid 4.1, onder c, van de planregels, in strijd is met het vastgestelde bestemmingsplan. Bij de besluitvorming over de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het toestaan van zware horeca zal moeten worden bezien wat de gevolgen zijn van zware horeca voor de verkeersintensiteiten ter plaatse.

In rechtsoverweging 9.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling reeds overwogen dat bedrijfsmatig recreatief gebruik slechts mogelijk is indien dit ondergeschikt is aan het uitoefenen van een sierteeltbedrijf alsmede de overige in artikel 3, lid 3.1, onder b, c en d, van de planregels genoemde hoofdfuncties. Daargelaten of paintball en een klimparcours als aan deze hoofdfuncties onderschikte bedrijfsmatige recreatieve activiteiten kunnen worden aangemerkt, bevat het aangevoerde geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het door de raad aan het bedrijfsmatig recreatief gebruik van de gronden toegerekende aantal van 65 mvt/etm zodanig afwijkt van hetgeen op basis van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden is te verwachten dat de raad hiervan niet in redelijkheid heeft mogen uitgaan.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder f, van de regels van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" voor de gronden met de bestemming "Agrarisch" was op deze gronden reeds de verkoop van streekeigen producten op maximaal 100 m2 toegestaan. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder r, van de regels van het vorige bestemmingsplan "Actualisatie Buitengebied Boskoop 2013" voor de gronden met de bestemming "Bedrijf" waren op deze gronden reeds kleinschalige horeca-activiteiten toegelaten. De raad heeft deze functies overgenomen in het thans bestreden bestemmingsplan "Proeftuin van Holland". Aangezien het reeds toegelaten functies betreft, heeft de raad geen extra mvt/etm aan deze functies toegerekend. [appellant A] en [appellant B] hebben niet bestreden dat deze functies reeds zijn toegelaten op grond van het vorige plan. Nu het reeds toegelaten functies betreft, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het aantal extra mvt/etm als gevolg van het plan wat betreft deze functies ten onrechte niet inzichtelijk heeft gemaakt.

Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

6. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 17 december 2015 is ongegrond.

7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn van 27 november 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Proeftuin van Holland" gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn van 27 november 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Proeftuin van Holland";

III. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn van 17 december 2015 waarbij het bestemmingsplan "Proeftuin van Holland" opnieuw, gewijzigd is vastgesteld ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan de één bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan de één bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Boer

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

745.