Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:771

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201300621/6/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:62, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 januari 2011 heeft het college [appellant A] een bedrag van € 45.000,00, vermeerderd met wettelijke rente, toegekend ter vergoeding van planschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300621/6/A2.

Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Roermond,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 januari 2013 in zaak nr. 12/ 421 in het geding tussen:

[appellant A]

en

het college van burgemeester en wethouders van Roermond.

Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2011 heeft het college [appellant A] een bedrag van € 45.000,00, vermeerderd met wettelijke rente, toegekend ter vergoeding van planschade.

Bij besluit van 8 februari 2012 heeft het college het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 4 januari 2011, onder aanvulling van de motivering, gehandhaafd.

Bij uitspraak van 14 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant A] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2013, waar [appellant A], vertegenwoordigd door mr. J.M. Smits, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.J. Lenders, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is verschenen het college van gedeputeerde staten van Limburg, vertegenwoordigd door R.J. Wanders, werkzaam bij de provincie.

Bij tussenuitspraak van 16 april 2014, nr. 201300621/1/A2, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 24 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 8 februari 2012 te herstellen en een nieuw besluit te nemen en dit tevens aan de Afdeling toe te zenden. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij beschikking van 22 oktober 2014 in zaak nr. 201300621/3/A2 heeft de Afdeling de termijn verlengd tot 12 november 2014.

Bij besluit van 11 november 2014 heeft het college, onder aanvulling van de motivering, het besluit van 8 februari 2012 in stand gelaten.

[appellant A] heeft een zienswijze ingediend.

Bij tussenuitspraak van 18 maart 2015, nr. 201300621/2/A2, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 24 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 11 november 2014 te herstellen en een nieuw besluit te nemen en dit tevens aan de Afdeling te zenden. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij beschikking van 11 september 2015 in zaak nr. 201300621/4/A2 heeft de Afdeling de termijn verlengd tot 28 oktober 2015.

Bij beschikking van 27 oktober 2015 in zaak nr 201300621/5/A2 heeft de Afdeling de termijn verlengd tot 10 november 2015

besluit van 10 november 2015 heeft het college het door [appellant A] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 4 januari 2011 gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en aan [appellant A] een bedrag van € 60.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente toegekend ter vergoeding van planschade.

[appellant A] heeft een zienswijze ingediend.

De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het college heeft bij het besluit van 10 november 2015 het door [appellant A] gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover dat bezwaar was gericht tegen het uitgangspunt in het besluit van 4 januari 2011 om bij het vaststellen van de toename van het geluid en de verslechtering van de luchtkwaliteit ervan uit te gaan dat de nieuwe weg Oosttangent planologische valt aan te merken als een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van vijftig kilometer per uur ter hoogte van de woning van [appellant A] aan de Heidebaan 95. Het college heeft het door [appellant A] gemaakte bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Het college heeft aan het besluit van 10 november 2015 een advies van de Grontmij van 28 oktober 2015, twee adviezen van de Grontmij van 29 oktober 2015 en een advies van de schadeadviescommissie van 2 november 2015 ten grondslag gelegd. Op grond van deze adviezen is het college in dat besluit bij het bepalen van de toename van het geluid en de verslechtering van de luchtkwaliteit ervan uitgegaan dat de weg Oosttangent planologische valt aan te merken als een nationale stroomweg met een maximumsnelheid van honderddertig kilometer per uur ter hoogte van de woning van [appellant A]. Dit heeft ertoe geleid dat het college aan [appellant A] in plaats van het bij het besluit van 4 januari 2011 toegekende bedrag van € 45.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente, een bedrag van € 60.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2004 tot de dag van uitbetaling, ter vergoeding van planschade heeft toegekend.

2. Gezien de tussenuitspraak van 16 april 2014 is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het besluit van 8 februari 2012 vernietigen, omdat het in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.

Gezien de tussenuitspraak van 18 maart 2015 zal de Afdeling ook het besluit van 11 november 2014 vernietigen, omdat het in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.

3. [appellant A] heeft in zijn zienswijze van 18 november 2015 meegedeeld zich met het besluit van 10 november 2015 te kunnen verenigen. Gelet hierop moet het van rechtswege ontstane beroep van [appellant A] tegen dat besluit geacht worden te zijn ingetrokken.

4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 januari 2013 in zaak nr. 12/ 421;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Roermond van 8 februari 2012, kenmerk 2012/UIT/37185;

V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Roermond van 11 november 2014, kenmerk 91209-2014;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Roermond tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Roermond tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.728,00 (zegge: tweeduizend zevenhonderdachtentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Roermond aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 395,00 (zegge: driehonderdvijfennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.

wg. Van Altena wg. Oranje

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

507.