Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:769

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201506293/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:3774, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2014 heeft het college een aanvraag van [appellante] om schuldhulpverlening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201506293/1/A2.

Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Emmen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 juli 2015 in zaak nr. 14/5126 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Emmen.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2014 heeft het college een aanvraag van [appellante] om schuldhulpverlening afgewezen.

Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juli 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op 29 januari 2016 ter zitting aan de orde gesteld.

Overwegingen

1. Aan het besluit van 30 oktober 2014 heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellante] een onregelbare schuldenaar is als bedoeld in artikel 7 van de Beleidsregels schulddienstverlening 2014 gemeente Emmen (hierna: Beleidsregels).

Een onregelbare schuldenaar is een schuldenaar die zich stelselmatig niet aan de afspraken houdt of kan houden en niet gemotiveerd is.

Volgens het besluit wil het college allerminst suggereren dat [appellante] zich niet aan afspraken wil houden of niet gemotiveerd is, maar twijfelt het eraan of [appellante] voldoende weerbaar is om niet in te stemmen met verzoeken om geldleningen, bijvoorbeeld van [persoon]. Verder heeft het college volgens het besluit geconstateerd dat [appellante] weliswaar gedurende drie maanden in staat is gebleken haar vaste lasten te betalen, maar dat dit niet zorgvuldig is gebeurd, aangezien bedragen dubbel zijn betaald. Het college stelt zich daarom in het besluit op het standpunt dat schuldhulpverlening op dit moment geen oplossing biedt, maar dat beschermingsbewind noodzakelijk is. Volgens het besluit heeft het college zijn zorgen en zijn gedachte dat beschermingsbewind aan de orde is op 20 januari 2014 besproken met de psychologe van [appellante], drs. H. Caris. Ook Caris is volgens het besluit van oordeel dat het beschermingsbewind voor [appellante] het beste is en noodzakelijk is voordat een oplossing aangedragen kan worden voor het oplossen van de schulden. Caris heeft te kennen gegeven dat [appellante] een persoonlijkheidsstoornis heeft en in het dagelijks leven vaak de kluts kwijt is, waardoor zij onverstandige keuzes maakt. Dit kan de oorzaak zijn van het dubbel betalen van vaste lasten, aldus het college in het besluit van 30 oktober 2014.

2. In het tegen dit besluit bij de rechtbank ingestelde beroep heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en het college in de gelegenheid gesteld zijn besluit op bezwaar met stukken te onderbouwen.

Het college heeft bij brief van 15 april 2015 te kennen gegeven geen kopieën van bankafschriften over te kunnen leggen waaruit blijkt dat [appellante] dubbele betalingen heeft gedaan, omdat ingeval geen schulddienstverleningstraject wordt opgestart geen kopieën worden gemaakt. Het college heeft wel een e-mailbericht van Caris van 15 april 2015 overgelegd, waarin zij te kennen geeft van mening te zijn dat beschermingsbewind het belang van haar patiënte het best zal dienen. Verder heeft het college twee stukken overgelegd waarin [appellante] verklaart dat [persoon] het aan hem uitgeleende geld aan haar heeft terugbetaald. Het college heeft te kennen gegeven dat de aanvraag niet is afgewezen vanwege de dubbele betalingen. De verklaring van Caris was volgens het college van doorslaggevende betekenis.

[appellante] heeft hierop gereageerd in haar brief van 21 mei 2015. [appellante] ontkent vaste lasten dubbel te hebben betaald. Verder stelt zij zich op het standpunt dat het college zich geen oordeel mag aanmeten over haar psychische gesteldheid, nu dit niet zijn terrein is.

3. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (hierna: Wgs) stelt de gemeenteraad een plan vast dat richting geeft aan de integrale schuldhulpverlening van de inwoners van zijn gemeente.

Ingevolge het derde lid bevat het plan de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren beleid betreffende integrale schuldhulpverlening en het voorkomen dat personen schulden aangaan die zij niet kunnen betalen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, is het college verantwoordelijk voor de schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente en voert het daarbij het plan, bedoeld in artikel 2, eerste lid, uit.

De gemeenteraad heeft, ter uitvoering van artikel 2, eerste lid, van de Wgs, het Beleidsplan schulddienstverlening 2014-2018 vastgesteld. Het college heeft dit plan uitgewerkt in de Beleidsregels.

Volgens artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels verleent het college aan verzoeker schulddienstverlening binnen de kaders zoals die zijn vastgelegd in deze beleidsregels en het beleidsplan. Een verzoek wordt hieraan getoetst en kan worden geweigerd.

Volgens artikel 7, tweede lid, kan het college besluiten de schulddienstverlening te weigeren dan wel te beëindigen indien sprake is van een onregelbare schuldenaar.

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college tot de afweging heeft kunnen komen dat schulddienstverlening op dit moment geen oplossing biedt, maar dat beschermingsbewind noodzakelijk is. Zij heeft daarbij betrokken dat Caris in het eerder genoemde e-mailbericht heeft bevestigd dat het beschermingsbewind het belang van [appellante] het beste zal dienen.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Volgens [appellante] heeft het college haar aanvraag om schuldhulpverlening afgewezen omdat het onvoldoende financiële middelen heeft om haar te helpen. Het doet volgens [appellante] niet ter zake wat Caris heeft verklaard, omdat zij de baas is over haar eigen leven. Dat zij niet weerbaar is en een persoonlijkheidsstoornis heeft is een voorwendsel om haar niet te hoeven helpen. Dit heeft de rechtbank niet onderkend, aldus [appellante].

5.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college heeft kunnen besluiten de aanvraag van [appellante] om schuldhulpverlening af te wijzen. De rechtbank heeft terecht het e-mailbericht van 15 april 2015 bij haar oordeelsvorming betrokken. Hetgeen [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Van de zijde van het college is in hoger beroep aangegeven dat het bereid is [appellante] te helpen, maar dat daarvoor eerst nodig is dat [appellante] onder beschermingsbewind komt. In de enkele stelling van [appellante] dat dit niet nodig is, kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat het college de aanvraag van [appellante] om schuldhulpverlening niet met toepassing van artikel 7 van de Beleidsregels heeft kunnen afwijzen.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Dijkshoorn

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

735.