Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:768

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201401619/3/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Haarzuilens" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401619/3/R3.

Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Vrienden van de Joostenlaan, gevestigd te Vleuten, gemeente Utrecht en anderen (hierna: SVJ en anderen),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Haarzuilens" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer SVJ en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vereniging Golfclub de Haar een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad en SVJ en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2015, waar onder meer SVJ en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en bijgestaan door mr. D.M. de Bruin, advocaat te Baarn, en de raad, vertegenwoordigd door mr. L. Savelsberg, B. van der Padt en drs. M.T.A. Span, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord Golfclub de Haar, vertegenwoordigd door [gemachtigden.

Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak in zaak nr. 201401619/1/R3 van 8 april 2015 heeft de Afdeling naar aanleiding van het door SVJ en anderen ingestelde beroep de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 13 januari 2014 te herstellen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 1 oktober 2015 heeft de raad te kennen gegeven dat de gebreken door nader onderzoek zijn hersteld en dat hiermee is voldaan aan de in de uitspraak van 8 april 2015 gegeven opdracht.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben SVJ en anderen een zienswijze naar voren gebracht. Voorts hebben zij nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling in overweging 1 geoordeeld dat het beroep van SVJ en anderen, voor zover dat is gericht tegen de vaststelling van de plandelen waarop is voorzien in de uitbreiding van de golfclub De Haar en de daarmee verband houdende voorzieningen, in de einduitspraak niet-ontvankelijk zal worden verklaard nu daartegen geen zienswijze was ingediend en er geen reden is waarom hun dat niet kon worden verweten. Het beroep van SVJ en anderen is in zoverre niet-ontvankelijk.

Inhoudelijk - algemeen

2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling in overweging 16.7 geoordeeld dat het besluit van 13 januari 2014, voor zover het betreft het terrein waaraan bij de gewijzigde vaststelling de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - overloopparkeren" is toegekend niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De Afdeling heeft hiertoe overwogen dat de raad ten onrechte geen (aanvullend) onderzoek heeft verricht naar de vraag of in het plangebied voorkomende beschermde plant- en diersoorten aan de uitvoerbaarheid van het plan, voor zover dat ziet op het overloopparkeerterrein, in de weg staan.

Verder heeft de Afdeling overwogen dat, waar het gaat om een parkeerterrein van maximaal 6 ha waarop door grote aantallen voertuigen kan worden geparkeerd en waardoor ten tijde van evenementen forse verkeersstromen kunnen worden verwacht, zonder onderzoek niet voldoende duidelijk is wat de gevolgen zijn van de te verwachten verkeersstromen voor de verkeersveiligheid en het woon- en leefklimaat in de omgeving van de locatie waar het overloopparkeerterrein is voorzien.

3. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak op de voet van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) opgedragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen door alsnog onderzoek te doen verrichten naar de vraag of in het plangebied voorkomende beschermde plant- en diersoorten aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan, voor zover het betreft het terrein waaraan de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - overloopparkeren" is toegekend en alsnog onderzoek te verrichten naar de vraag wat de gevolgen zijn van de te verwachten verkeersstromen voor de verkeersveiligheid en het woon- en leefklimaat in de omgeving van de locatie waarop het overloopparkeerterrein is voorzien. Voorts heeft de Afdeling de raad opgedragen te bezien of het besluit in het licht van de uitkomsten van dit onderzoek in stand kan blijven.

4. De raad heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak aanvullende onderzoeken laten verrichten die zien op flora en fauna, verkeer, geluid en luchtkwaliteit.

Inhoudelijk - flora en fauna

5. De raad heeft uit de "Notitie parkeerterrein Breudijk Haarzuilens" van Bureau Waardenburg B.V. van 17 september 2015 (hierna: de notitie) de conclusie getrokken dat het terrein waarop het overloopparkeren is voorzien, geen bijzondere betekenis heeft voor beschermde soorten, zodat voldaan wordt aan de Flora- en faunawet.

5.1. Zoals de Afdeling in de tussenuitspraak heeft overwogen mag de raad het plan niet vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. In de notitie wordt een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet niet noodzakelijk geacht en wordt gesteld dat de bestemming zonder beperkingen kan worden gerealiseerd. Weliswaar hebben SVJ en anderen er in hun zienswijze op gewezen dat in de notitie wordt aanbevolen om voorafgaand aan de ingebruikname van het terrein in de periode tussen 1 maart en 1 juli een controle op broedende vogels uit te voeren en dat de mogelijkheid bestaat dat bij een dergelijke controle daadwerkelijk broedende vogels worden aangetroffen, maar de Afdeling ziet hierin geen grond voor het oordeel dat de raad zich daarom bij voorbaat op het standpunt had moeten stellen dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is. Hierbij is in aanmerking genomen dat niet aannemelijk is dat gedurende het gehele broedseizoen het gehele terrein onbruikbaar zal zijn indien daadwerkelijk broedende vogels worden aangetroffen en bovendien het beoogde gebruik zich ook uitstrekt buiten het broedseizoen.

Het betoog faalt.

Inhoudelijk - verkeersveiligheid

6. De raad stelt zich op grond van het rapport "Actualisering verkeerseffecten bij evenementen rond kasteel de Haar" van onderzoeksbureau Goudappel Coffeng van 25 september 2015 (hierna: het rapport) op het standpunt dat met een uitgebreide inzet van verkeersregelaars bij alle evenementen bij kasteel de Haar, het verkeer in de omgeving goed en veilig kan worden afgewikkeld. Aanvullende fysieke maatregelen op de wegen zijn daarbij niet nodig. Wel kan de verkeersveiligheid nog verbeterd worden door een andere inrichting van de ontsluiting van het overloopparkeerterrein en door een tijdelijke maatregel voor voetgangers.

6.1. SVJ en anderen bestrijden de door de raad ten aanzien van de verkeersdoorstroming en -veiligheid getrokken conclusie. In dit verband wijzen zij op het rapport "Kasteel de Haar Haarzuilens quick scan verkeerseffecten bestemmingsplan" van onderzoeksbureau De Verkeersdeskundige van 28 oktober 2015 (hierna: het tegenrapport). Aan de hand van het tegenrapport betogen SVJ en anderen dat de in het plan voorziene locatie voor het overloopparkeerterrein uit verkeerskundig oogpunt niet voor de hand ligt. Het zou verstandiger zijn parkeergelegenheid dichterbij grotere wegen te zoeken. Verder is er gerekend met 9.000 auto’s per topdag. Dat betekent dat er 18 ha aan parkeerterrein nodig is terwijl het overloopparkeerterrein 6 ha beslaat. Doordat elders parkeerruimte verloren gaat is het de vraag of er voldoende capaciteit resteert. Verder betogen SVJ en anderen dat een evenement twee- tot driemaal zo veel verkeer op de Parkweg en de Rijndijk zal opleveren als op een gewone dag, waarbij de verkeersstroom niet evenredig over de dag is verdeeld en er filevorming op die wegen optreedt. Deze wegen zijn geclassificeerd en ingericht als erftoegangswegen waarbij omwonenden er op mogen rekenen dat de wegbeheerder toeziet op de instandhouding van het karakter van die wegen. Voorts moeten (brom)fietsen langs de Breudijk en de Rijndijk op het kruispunt Breudijk-Parkweg-Rijndijk oversteken, waardoor op de Breudijk conflicten kunnen ontstaan. Bij grote aantallen overstekende voetgangers kan de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid op de kruising Rijndijk-Bochtdijk in het geding komen. Voorts is de optie om voetgangers over het fietspad langs de Rijndijk en de (brom)fietsers over de rijbaan te leiden verkeersonveilig.

6.2. De Afdeling overweegt in de eerste plaats dat, voor zover SVJ en anderen zich richten tegen de omvang van het overloopparkeerterrein, hiermee de beroepsgronden worden uitgebreid met een nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgrond. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan in het licht van de goede procesorde niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen SVJ en anderen in dit opzicht aanvoeren, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

Uit de tussenuitspraak vloeit verder voort dat uitsluitend de vraag ter discussie staat of de onderhavige locatie geschikt is als overloopparkeerterrein. In de tussenuitspraak is al een oordeel gegeven over door SVJ en anderen aangedragen alternatieve locaties voor het overloopparkeerterrein. Voor zover SVJ en anderen toch alternatieven aandragen keren zij zich tegen overwegingen van de tussenuitspraak. Behoudens zeer uitzonderlijke gevallen kan de Afdeling niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een dergelijk zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

Voorts ziet de Afdeling in het tegenrapport geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet tot de conclusie heeft mogen komen dat met een uitgebreide inzet van verkeersregelaars de afwikkeling van verkeersstromen op de maximaal 20 dagen per kalenderjaar dat het overloopparkeerterrein in gebruik mag zijn goed en veilig zal verlopen. Dat de wegen zelf feitelijk ongeschikt zijn voor de omvang van de verkeersstromen is daarin niet aannemelijk gemaakt. Het tegenrapport biedt geen grondslag voor de conclusie dat bij voldoende verkeersbegeleiding de door SVJ en anderen genoemde kruispunten verkeersonveilig zullen zijn. Ook biedt het tegenrapport onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de wijze waarop voetgangersverkeer en langzaam verkeer wordt afgewikkeld niet door de inzet van verkeersregelaars en zo nodig het nemen van verkeersmaatregelen in veilige banen kan worden geleid. Ten slotte staat het plan er niet aan in de weg dat uitvoering wordt gegeven aan de in het tegenrapport gesuggereerde maatregelen voor de inrichting van het overloopparkeerterrein om de verkeersveiligheid ter plaatse verder te vergroten.

Het betoog faalt.

Inhoudelijk - woon- en leefklimaat

7. Naar aanleiding van de tussenuitspraak is door de afdeling Mobiliteit en Milieu expertise milieu van de gemeente Utrecht op 10 september 2015 het rapport "Akoestisch onderzoek evenementenparkeerplaats Kasteel de Haar" en op 21 september 2015 het rapport "Beoordeling luchtkwaliteit evenementenparkeerterrein Kasteel de Haar" uitgebracht. De raad heeft uit deze rapporten de conclusie getrokken dat de verhoging van het geluidsniveau voor de omgeving ten gevolge van het gebruik van het overloopparkeerterrein tijdens evenementen acceptabel is te achten. Verder is als gevolg van dit plan geen sprake van een overschrijding van de grenswaarden die worden genoemd in de Wet Milieubeheer.

7.1. Bij het akoestisch rapport en de daaruit door de raad getrokken conclusie hebben SVJ en anderen geen kanttekeningen geplaatst. De enkele stelling van SVJ en anderen dat sprake is van piekbelasting die een aanzienlijke verslechtering van de luchtkwaliteit met zich brengt geeft de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan de door de raad getrokken conclusie over de luchtkwaliteit. Ook anderszins ziet de Afdeling in het door SVJ en anderen gestelde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het overloopparkeerterrein geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat op grond van de planregels het overloopparkeerterrein maximaal 20 dagen per kalenderjaar in gebruik mag zijn.

Het betoog faalt.

Slotconclusie en proceskosten

8. Voor zover het beroep van SVJ en anderen is gericht tegen de vaststelling van de plandelen waarop is voorzien in de uitbreiding van de golfclub De Haar en de daarmee verband houdende voorzieningen, is het beroep van SVJ en anderen niet-ontvankelijk.

Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het terrein waaraan de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - overloopparkeren" is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van SVJ en anderen is, voor zover ontvankelijk, gegrond.

Gelet op hetgeen onder 5 tot en met 7.1 is overwogen ziet de Afdeling evenwel aanleiding voor het oordeel dat de raad met de verrichte aanvullende onderzoeken en zijn nadere motivering de gebreken in het besluit van 13 januari 2014 heeft hersteld. De Afdeling ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling ziet geen aanleiding om een veroordeling in de proceskosten uit te spreken voor gemaakte reiskosten voor meer dan één persoon nu ook een beroepsmatig rechtsbijstandverlener ter zitting aanwezig was.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen de vaststelling van de plandelen waarop is voorzien in de uitbreiding van de golfclub De Haar en de daarmee verband houdende voorzieningen;

II. verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Utrecht van 13 januari 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Haarzuilens" voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - overloopparkeren" voor een terrein in de zuidelijke punt van het gebied tussen het Kortjaksepad en de Breudijk/Rijndijk;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Utrecht tot vergoeding van bij de stichting Stichting Vrienden van de Joostenlaan en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.279,04 (zegge: twaalfhonderdnegenenzeventig euro en vier cent), waarvan € 1.240,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Utrecht aan de stichting Stichting Vrienden van de Joostenlaan en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Matulewicz

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

45.