Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:767

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201503968/3/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 maart 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Raalte Kern omgeving Schapenstraat (ALDI)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503968/3/R1.

Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, na toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), op het beroep van:

[appellant], wonend te Raalte,

en

de raad van de gemeente Raalte,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Raalte Kern omgeving Schapenstraat (ALDI)" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [appellant] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 juni 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.R. Jansen, werkzaam bij de stichting Stichting Achmea Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door ing. S. Hendriks, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende] als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Bij tussenuitspraak van 12 augustus 2015, nrs. 201503968/1/R1 en 201503968/2/R1 heeft de voorzieningenrechter de raad opgedragen om binnen 20 weken na de verzending van deze tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 26 maart 2015 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 9 december 2015 heeft de raad naar voren gebracht dat bij besluit van 26 november 2015 het plan gewijzigd is vastgesteld teneinde de gebreken die in de tussenuitspraak zijn genoemd te herstellen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht.

De voorzieningenrechter heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het besluit van 26 maart 2015

1. In de tussenuitspraak heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de plandelen in het westen en zuiden van het plangebied waaraan de bestemming "Centrum" en de aanduiding "bouwvlak" zonder de aanduidingen "maximum aantal bouwlagen" of "maximum bouwhoogte (m)" zijn toegekend, in strijd met de rechtszekerheid zijn vastgesteld. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het oordeel dat het besluit in zoverre is genomen in strijd met de rechtszekerheid. Voorts heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het akoestisch onderzoek ten onrechte ten grondslag is gelegd aan het plan. Om die reden is het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het oordeel dat het besluit tevens is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant] is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het besluit van 26 november 2015

3. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Het besluit van 26 november 2015 is een wijzigingsbesluit en ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel van dit geding. Het beroep van [appellant] is van rechtswege gericht tegen dit besluit.

4. De voorzieningenrechter heeft in zijn tussenuitspraak gebreken geconstateerd. In de huidige procedure na de tussenuitspraak staat ter beoordeling of de raad die gebreken heeft hersteld. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. [appellant] heeft na de tussenuitspraak een beroepsgrond naar voren gebracht over de aanvaardbaarheid van de geluidsgevolgen ter plaatse van het perceel [locatie] en de voorziene woningen boven de laad- en losplaats. In het beroepschrift richtte [appellant] zich uitsluitend tegen de geluidsgevolgen ter plaatse van zijn eigen woning. Hij heeft niet aangevoerd dat deze beroepsgrond niet tegen het oorspronkelijke besluit naar voren had kunnen worden gebracht. Om die reden blijft die beroepsgrond in het navolgende buiten inhoudelijke bespreking.

5. De voorzieningenrechter heeft de raad in de tussenuitspraak de opdracht gegeven de gebreken te herstellen. Voor de plandelen in het westen en zuiden van het plangebied met de bestemming "Centrum" en de aanduiding "bouwvlak" zonder de aanduidingen "maximum aantal bouwlagen" of "maximum bouwhoogte (m)" diende de raad een andere planregeling vast te stellen. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad het besluit van 26 november 2015 genomen waarbij het plan gewijzigd is vastgesteld. In dit plan is de aanduiding "maximum bouwhoogte = 5" toegekend aan het plandeel in het zuiden van het plangebied. Aan het plandeel in het westen van het plangebied is de aanduiding "bouwvlak" niet toegekend.

6. Voorts diende de raad ter plaatse van de woning van [appellant] onderzoek te doen om te bezien of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ter uitvoering van de tussenuitspraak is een aanvullend akoestisch rapport opgesteld. Ook is artikel 3, lid 3.5.2, van de planregels toegevoegd. Hierin staat dat laden en lossen inpandig en achter gesloten deuren ter plaatse van de aanduiding "laad- en losplaats" moet plaatsvinden. Ook is laden en lossen niet toegestaan in de periode van 23.00 tot 07.00 uur.

Inhoudelijk

7. [appellant] betoogt dat zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast. Hij voert aan dat het plan als gevolg van lossende vrachtwagens zal leiden tot geluidoverlast. Dit zal met name in de nachtelijke uren tot een ernstige aantasting van zijn woon- en leefklimaat leiden, aldus [appellant]. Hij voert in dit verband aan dat de supermarkt ’s nachts wordt bevoorraad. [appellant] stelt dat de raad zich ten onrechte baseert op het nadere akoestische onderzoek. Hij voert hiertoe aan dat dit onderzoek niet is opgesteld door een onafhankelijke deskundige. Hij voert voorts aan dat dit onderzoek van verkeerde uitgangspunten uitgaat. In dit verband stelt hij dat het niet aannemelijk is dat het aantal vrachtwagenbewegingen ten opzichte van de huidige situatie niet zal toenemen. Dit is niet realistisch omdat het winkelvloeroppervlak (hierna: wvo) met ongeveer 300 m2 toeneemt, aldus [appellant]. Hij stelt voorts dat het onderzoek van een te laag bronvermogensniveau van de wegrijdende vrachtwagens uitgaat. Hij licht in dit verband toe dat vrachtwagens extra vermogen moeten aanwenden doordat ze de verlaagde vloer moeten oprijden bij het verlaten van de laad- en losplaats. Tot slot voert [appellant] aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de weerkaatsing van het geluid door de muur die is voorzien tussen zijn woning en de supermarkt.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat ter plaatse van de woning van [appellant] sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan dit standpunt heeft de raad een nader akoestisch rapport ten grondslag gelegd.

7.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder b, van de planregels zijn de voor "Centrum" aangewezen gronden bestemd voor een supermarkt.

Ingevolge lid 3.5.2 wordt onder strijdig gebruik met deze bestemming in elk geval begrepen het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van het bepaalde in lid 3.1, onder b, voor zover het:

a. laden en lossen niet inpandig en achter gesloten deuren plaatsvindt;

b. laden en lossen niet ter plaatse van de aanduiding "laad- en losplaats" plaatsvindt;

c. laden en lossen in de periode van 23.00 tot 07.00 uur plaatsvindt.

7.3. In de plantoelichting staat dat het wvo weliswaar toeneemt van 596 m2 naar 896 m2, maar dat dit niet met zich brengt dat het aantal vervoersbewegingen wijzigt. De vrachtwagens die de supermarkt bezoeken in de huidige situatie zijn namelijk bestemd voor ongeveer drie supermarktfilialen in de omgeving. Als na de nieuwbouw de magazijnruimte is vergroot, dan zal de omvang van de bestelling weliswaar toenemen maar dat wordt in de bestaande vervoersstroom opgenomen.

7.4. In het nadere onderzoek "Akoestisch onderzoek supermarkt Molenhof 30 te Raalte" uitgevoerd door Buijvoets Bouw- en geluidsadvisering, van 7 september 2015 (hierna: het akoestisch onderzoek) is onderzocht wat de geluidbelasting is op de gevel van de woning van [appellant]. Bij het berekenen van de geluidbelasting gaat het akoestisch onderzoek er van uit dat ’s nachts niet wordt geladen en gelost. In het akoestisch onderzoek staat voorts dat de vrachtwagens geen extra vermogen hoeven te leveren bij het wegrijden. De vrachtwagens rijden namelijk stapvoets zonder lading weg. Om die reden is een bronvermogensniveau LWA van 102 dB(A) representatief. De conclusie is dat de incidenteel voorkomende piekgeluiden ten gevolge van het aan- en af rijden van de vrachtwagens geen onaanvaardbaar woon- en leefklimaat tot gevolg hebben. In het akoestisch onderzoek is ook de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op de woning van [appellant] gemeten. Hierbij is rekening gehouden met een toename van de reflectiefactor ten opzichte van de bestaande situatie. Deze toename wordt veroorzaakt door de nieuwe bebouwing. De conclusie is dat de geluidbelasting ten opzichte van de bestaande situatie met maximaal 1,1 dB(A) toeneemt.

7.5. De voorzieningenrechter ziet in de ongemotiveerde stelling van [appellant] dat het akoestisch onderzoek niet door een onafhankelijke deskundige is opgesteld, geen aanleiding voor een oordeel van een dergelijke strekking. Het akoestisch onderzoek gaat er terecht van uit dat ’s nachts niet wordt geladen en gelost. Hierbij is uitgegaan van hetgeen het plan toestaat, omdat laden en lossen tussen 23.00 tot 07.00 uur niet is toegestaan. Indien feitelijk ’s nachts wordt bevoorraad dan is dit een kwestie van handhaving. Dit kan in deze procedure niet aan de orde komen.

Ook is in de plantoelichting een verklaring gegeven waarom het aantal vervoersbewegingen niet toeneemt ondanks de toename van het wvo. In het akoestisch onderzoek is toegelicht waarom de vrachtwagens geen extra vermogen hoeven aan te wenden bij het omhoog rijden op de verlaagde vloer. Voorts is bij het berekenen van de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer rekening gehouden met de muur die wordt voorzien tussen de woning van [appellant] en de supermarkt.

De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de uitgangspunten zoals die in het akoestisch onderzoek zijn gehanteerd, onjuist zijn. [appellant] heeft de uitkomsten uit het akoestisch onderzoek niet bestreden. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat bij de woning van [appellant] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd, heeft de raad zich op het akoestisch onderzoek mogen baseren. De raad heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de akoestische gevolgen op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant] aanvaardbaar zijn.

Het betoog faalt.

8. De voorzieningenrechter heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat hetgeen [appellant] met betrekking tot zijn uitzicht en schaduwwerking heeft aangevoerd in de einduitspraak wordt beoordeeld vanwege de samenhang met het gebrek dat aan de plandelen in het westen en zuiden van het plangebied kleefde. [appellant] voert in dat verband aan dat de grotere bouwhoogte ten opzichte van hetgeen nu aanwezig is zal leiden tot een aantasting van zijn uitzicht. In dit verband voert hij aan dat de raad ten onrechte uitgaat van een bouwhoogte van 10,5 m omdat er een peilverschil van 0,5 m is tussen het plangebied en zijn woning. Ook stelt [appellant] dat thans weliswaar eveneens bebouwing aanwezig is, maar dat deze bebouwing uit woningen bestaat waarbij voortuinen aanwezig zijn. Als gevolg van de voortuinen staat de bebouwing feitelijk op een grotere afstand van zijn woning dan hetgeen in dit plan wordt voorzien.

8.1. Ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Centrum" en de aanduiding "bouwvlak" zijn gedeeltelijk de aanduidingen "maximum bouwhoogte (m) = 5", "maximum bouwhoogte (m) = 10,5", "maximum aantal bouwlagen = 4", onderscheidenlijk "maximum aantal bouwlagen = 1" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:

a. een gebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. het aantal bouwlagen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal bouwlagen" is aangegeven;

c. in afwijking van het bepaalde in artikel 1.9 mag de bouwhoogte van een bouwlaag niet meer dan 5 m bedragen;

d. in afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van het gebouw ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)" niet meer bedragen dan is aangegeven;

e. de brutovloeroppervlakte per vestiging van een supermarkt mag niet meer dan 1.200 m2 bedragen.

8.2. Ten tijde van het voorheen geldende plan was bebouwing toegestaan. Niet in geschil is dat daarvoor een maximale bouwhoogte van 10 m gold. Voorts is niet in geschil dat een gedeelte van de toegestane bebouwing is verwezenlijkt. Het peilverschil is nu ook aanwezig. Het standpunt van de raad dat de maximale bouwhoogte slechts met 0,5 m wordt verhoogd is daarom correct. Het plan voorziet in een bouwhoogte van maximaal 10,5 m op een afstand van ongeveer 12 m en in een bouwhoogte van maximaal 20 m op een afstand van ongeveer 36 m van de woning van [appellant]. Gelet op het voorgaande en op de door de raad niet bestreden stelling dat de thans aanwezige woningen tuinen hebben waardoor de bebouwing op een grotere afstand is gelegen, is niet uit te sluiten dat het uitzicht door de voorziene ontwikkeling zal verminderen. [appellant] heeft gelet op de afstand en bouwhoogte echter niet aannemelijk gemaakt dat het plan leidt tot een aanzienlijke vermindering van het uitzicht ten opzichte van hetgeen thans aanwezig is. Ook omdat het plangebied en de woning van [appellant] in een stedelijk gebied liggen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen van het plan voor het uitzicht van [appellant] aanvaardbaar zijn.

Het betoog faalt.

9. [appellant] voert voorts aan dat de grotere bouwhoogte eveneens onaanvaardbare schaduwwerking in zijn woning tot gevolg heeft. Hij voert hiertoe aan dat gelet op de ligging van zijn woning ten opzichte van het plangebied sprake zal zijn van schaduwwerking in zijn woning tussen 21 maart en 23 september gedurende de late namiddag tot zonsondergang. Ook stelt hij dat er thans doorzichten tussen de woningen aanwezig zijn die meer licht toelaten dan een blok bebouwing zoals in dit plan is voorzien.

9.1. De raad heeft niet bestreden dat in de periode van 21 maart tot 23 september gedurende de late namiddag tot zonsondergang enige schaduwwerking in de woning zal optreden. Ook is het juist dat een aaneengesloten blok bebouwing meer schaduwwerking tot gevolg heeft dan een rij woningen met doorzichten. Dit brengt echter niet met zich dat dit plan tot onaanvaardbare schaduwwerking leidt. De raad heeft hierbij in redelijkheid kunnen betrekken dat de schaduwwerking in de late namiddag tot zonsondergang zal plaatsvinden en niet gedurende de hele dag. De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de schaduwwerking ter plaatse van de woning van [appellant] aanvaardbaar is.

Het betoog faalt.

10. Het beroep tegen het besluit van 26 november 2015 is ongegrond.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van 26 maart 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Raalte Kern omgeving Schapenstraat (ALDI)" gegrond;

II. vernietigt het besluit van 26 maart 2015;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 26 november 2015 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Raalte Kern omgeving Schapenstraat (ALDI)" ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Raalte tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Raalte aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, griffier.

w.g. Koeman w.g. Bosnjakovic

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

410-812.