Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:760

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201505368/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:3329, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2014 heeft het college [wederpartij] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een champignonkwekerij op het perceel [locatie 1] te Hedel (hierna onderscheidenlijk: het bouwplan en het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505368/1/A1.

Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Hedel, gemeente Maasdriel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 mei 2015 in zaak nr. 15/1197 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2014 heeft het college [wederpartij] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een champignonkwekerij op het perceel [locatie 1] te Hedel (hierna onderscheidenlijk: het bouwplan en het perceel).

Bij besluit van 20 januari 2015 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 11 juni 2014 herroepen en de gevraagde vergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 28 mei 2015 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 januari 2015 vernietigd, het door [appellant A] en [appellant B] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 11 juni 2014 alsnog ongegrond verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[wederpartij] heeft daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2016, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. S.W. Boot, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door P.H. Spee, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [wederpartij], bijgestaan door ing. J.B.M. Lauwerijssen, gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan, waarvoor [wederpartij] op 5 maart 2014 een bouwaanvraag heeft ingediend, voorziet in de bouw van een champignonkwekerij met een oppervlakte van 500 m². [wederpartij] heeft eerder op 10 augustus 2012 een bouwaanvraag ingediend voor een agrarische bedrijfsruimte op het perceel voor de opslag van agrarische producten, waarvoor hem een omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Hiertegen hebben [appellant A] en [appellant B] bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase bleek dat het de bedoeling van [wederpartij] was de bedrijfsruimte te gebruiken als machineopslagruimte voor zijn elders gevestigde loonwerkbedrijf. Omdat voor dat met het bestemmingsplan strijdige gebruik alleen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht omgevingsvergunning kan worden verleend, hetgeen meebrengt dat geen vergunning van rechtswege kon worden verleend, heeft het college bij besluit van 14 mei 2013 het bezwaar van [appellant A] en [appellant B] tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning gegrond verklaard en die vergunning herroepen. Volgens [appellant A] en [appellant B] is [wederpartij] niet van plan de in het bouwplan voorziene bedrijfsloods te gebruiken als champignonkwekerij, maar wederom als machineopslagruimte ten behoeve van zijn agrarisch loonwerkbedrijf, dan wel zijn grondverzet- of rioolbedrijf. Het college heeft de gevraagde vergunning bij het besluit op bezwaar alsnog terecht geweigerd, aldus [appellant A] en [appellant B], nu op voorhand niet aannemelijk is dat ter plaatse een champignonkwekerij zal worden gerealiseerd en de aanvraag erg lijkt op de eerdere aanvraag voor een niet-agrarisch doel. De rechtbank is van oordeel dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. [appellant A] en [appellant B] wonen onderscheidenlijk tegenover en naast het perceel.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Binnendijks deel" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied, met agrarisch bouwperceel" met de aanduiding "champignons".

Ingevolge artikel 3.1 van de planvoorschriften zijn de als "Agrarisch gebied" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch (bedrijfsmatig) grondgebruik.

Ingevolge artikel 3.2, onder e, is een champignonbedrijf uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "champignons".

Ingevolge artikel 1, onder 5, wordt onder agrarisch bedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder houtteelt.

Ingevolge het bepaalde onder 24 wordt onder champignonbedrijf verstaan een agrarisch bedrijf dat is gericht op het telen van champignons en andere paddenstoelen en zwammen in gebouwen.

3. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens hen heeft het college zich in het besluit van 20 januari 2015 terecht op het standpunt gesteld dat [wederpartij] onvoldoende gegevens en bescheiden heeft verstrekt om aan te tonen dat hij beoogt de in het bouwplan voorziene bedrijfsloods te gebruiken voor een champignonkwekerij. De rechtbank heeft, door te overwegen dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bouwwerk voor andere dan de in de aanvraag genoemde doeleinden zal worden gebruikt, niet onderkend dat uit de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2011 in zaak nr. 201100024/1/H1 en de artikelen 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en 2.3., aanhef en onder h, van de Regeling omgevingsrecht volgt dat het aan [wederpartij] is om bij zijn bouwaanvraag aan te tonen dat hij de in het bouwplan voorziene bedrijfsloods zal gebruiken voor een champignonkwekerij, aldus [appellant A] en [appellant B]. Daarbij is volgens hen van belang dat uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de champignonkwekerij een reëel agrarisch bedrijf moet zijn. [wederpartij] heeft niet aangetoond dat dat het geval is, aldus [appellant A] en [appellant B]. Daartoe voeren zij aan dat de bouwaanvraag geen inrichtingsschets bevat met de voor een champignonkwekerij noodzakelijke installaties en voorzieningen en op de in de bezwaarfase aangepaste bouwtekening alleen is vermeld "ingroeiruimte van champignons in rolcontainers met zakken" en "oogst-ruimte van champignons in rolcontainers met zakken." Voorts ziet de door [wederpartij] aangeleverde kostenopzet volgens [appellant A] en [appellant B] niet concreet op zijn bouwplan, nu daarin slechts in algemene bewoordingen een beschrijving is gegeven van teeltactiviteiten en de daarin opgenomen posten zijn gebaseerd op algemene brongegevens. Voorts wijzen [appellant A] en [appellant B] er op dat de oppervlakte van de in het bouwplan voorziene bedrijfsloods in geen verhouding staat tot de gemiddelde oppervlakte van champignonkwekerijen in Nederland, dat [wederpartij] een loon- en grondverzetbedrijf voert en geen agrarische achtergrond heeft.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 3 augustus 2011 in zaak nr. 201100024/1/H1, dient bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar dient mede te worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Het concrete, beoogde gebruik van het bouwwerk vormt op voorhand een reden om bouwvergunning te weigeren indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat dit gebruik uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. In dit verband is het in de eerste plaats aan de aanvrager om de noodzakelijke gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat het beoogde gebruik in overeenstemming is met de bestemming.

3.2. In het aangevoerde wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de in het bouwplan voorziene bedrijfsloods uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan het realiseren van een champignonbedrijf. De verwijzing door [appellant A] en [appellant B] naar de uitspraken van de Afdeling van 7 november 2012 in zaak nr. 201201242/1/A1 en 12 maart 2014 in zaak nr. 201306100/1/A1 vormt geen grond voor een ander oordeel, reeds omdat het in die zaken, anders dan in deze zaak, ging om de vraag of bouwaanvragen al dan niet terecht buiten behandeling waren gelaten.

Zoals uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2011 volgt, is het in de eerste plaats aan de aanvrager om de noodzakelijke gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat het beoogde gebruik in overeenstemming is met de bestemming. [wederpartij] heeft die gegevens verstrekt, door op het aanvraagformulier te vermelden dat de bouwaanvraag ziet op het bouwen van een champignonkwekerij. Voorts heeft hij bij het gebruik van het bouwwerk vermeld dat het zal worden gebruikt als champignonkwekerij. Voor het oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat [wederpartij] niet beoogt een reëel agrarisch bedrijf op te richten, bestaan onvoldoende aanknopingspunten. In de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2014 in zaak nr. 201305844/1/A1 is overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of agrarische activiteiten een - werkelijk - agrarisch bedrijfsmatig karakter hebben, bijkomende gegevens gewicht in de schaal kunnen leggen, zoals het grondareaal, de veebezetting, de intentie waarmee de agrarische activiteiten worden ondernomen, de tijd die hieraan wordt besteed en de al of niet agrarische herkomst van betrokkene. In deze zaak heeft [wederpartij] naast voormelde kostenopzet als bijkomende gegevens met betrekking tot het bedrijfsmatige karakter van de champignonkwekerij zijn op 16 april 1993 behaalde diploma aan de Vakschool Champignonteelt overgelegd. Voorts heeft hij ten aanzien van de door [appellant A] en [appellant B] gestelde geringe oppervlakte van de bedrijfsloods toegelicht dat hij voornemens is zich toe te leggen op shiitaketeelt op substraat, in een rolcontainer vier lagen substraat geplaatst kunnen worden en met deze exclusieve teelt een hoog rendement kan worden behaald. [wederpartij] heeft ter zitting het standpunt van [appellant A] en [appellant B], dat de kostenopzet niet ziet op shiitaketeelt, gemotiveerd weersproken en de daarin opgenomen kostenposten toegelicht. In de enkele niet nader gemotiveerde stelling van [appellant A] en [appellant B], dat de in de kostenopzet opgenomen opbrengsten niet reëel zijn, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat [wederpartij] niet beoogt een reëel agrarisch bedrijf op te richten. De stelling dat de bouwaanvraag geen inrichtingsschets bevat, terwijl, als gesteld door [appellant A] en [appellant B] ter zitting, voor een champignonbedrijf grootschalige vergunningplichtige voorzieningen nodig zijn, zoals bijvoorbeeld turbines voor temperatuurregeling, kan hen niet baten. Daarbij is van belang dat [wederpartij] ter zitting heeft toegelicht dat een dergelijke warmtevoorziening niet nodig is, omdat de schimmels geënt op de juiste temperatuur worden aangeleverd en die temperatuur in de dichte containers op peil blijft. Evenmin leidt de omstandigheid dat, als gesteld, [wederpartij] niet reeds bij de aanvraag de bedrijfsmatige aspecten van het bouwplan heeft aangetoond, tot het door [appellant A] en [appellant B] daarmee beoogde doel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college deze informatie niet noodzakelijk heeft geacht voor het nemen van het besluit van 11 juni 2014 tot het verlenen van een omgevingsvergunning. Aan de omstandigheid dat volgens [appellant A] en [appellant B] de champignonkwekerij is voorzien binnen de geurcirkel van 50 m van het voorziene woongebouw aan de Ammerzodenseweg 12 komt niet de door hen gewenste betekenis toe, reeds omdat het bestemmingsplan op het perceel een champignonkwekerij toestaat. Voorts volgt uit de door [appellant A] en [appellant B] betwiste mededeling van [wederpartij] ter zitting van de rechtbank, dat hij elders reeds een champignonkwekerij exploiteert, niet dat [wederpartij] niet beoogt op het perceel een champignonkwekerij op te richten, nog daargelaten dat [wederpartij] een uittreksel van de Kamer van Koophandel heeft overgelegd van 13 februari 2015, waarin wordt vermeld dat [bedrijf wederpartij] op het perceel [locatie 2] te [plaats] een champignonkwekerij exploiteert en [wederpartij] ter zitting van de Afdeling heeft verklaard op dat adres reeds vanaf omstreeks 1990 witte champignons te kweken.

De conclusie is derhalve dat de rechtbank terecht geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat het bouwplan niet past in het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

531-757.