Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:759

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201504467/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:4854, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2014 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast om vóór 10 augustus 2014 het bedrijfsmatig aanbieden van parkeerplaatsen en de verhuur van appartementen op het perceel [locatie] te De Kwakel (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504467/1/A1.

Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te De Kwakel, gemeente Uithoorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 april 2015 in zaak nr. 14/7762 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2014 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast om vóór 10 augustus 2014 het bedrijfsmatig aanbieden van parkeerplaatsen en de verhuur van appartementen op het perceel [locatie] te De Kwakel (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 16 oktober 2014 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2016, waar [appellante], bijgestaan door J. van Warmerdam en mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp, en het college, vertegenwoordigd door E.C. van der Salm-Zandvliet en mr. R. Jansen-de Noo, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] exploiteerde op het perceel ten tijde van belang onder de naam Appartementen & Parking Service De Buitenrand een betaald parkeerterrein ten behoeve van personen die via de luchthaven Schiphol naar hun bestemming vlogen. Voorts had [appellante] de verdieping van haar woning op het perceel gesplitst in twee appartementen met elk eigen voorzieningen, zoals een keuken, badkamer en slaapvoorziening, en verhuurde zij deze appartementen. Op 21 augustus 2014 heeft een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat [appellante] aan de haar bij besluit van 10 april 2014 opgelegde last heeft voldaan.

[appellante] is het er niet mee eens dat het college haar niet toestaat haar bedrijf voort te zetten.

2. Vast staat dat het gebruik van het perceel voor het bedrijfsmatig aanbieden van parkeerplaatsen en de verhuur van zelfstandige appartementen in strijd is met het ten tijde van het besluit van 10 april 2014 ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied", zodat het college bevoegd was daartegen handhavend op te treden.

3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van die bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dat niet doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college van handhavend optreden had behoren af te zien. Daartoe voert zij aan dat het college niet heeft onderkend dat concreet zicht op legalisering bestond van het gebruik van het perceel voor het bedrijfsmatig aanbieden van parkeerplaatsen en de verhuur van appartementen. Voorts is handhavend optreden tegen dat gebruik volgens haar onevenredig, nu zij voor haar levensonderhoud is aangewezen op continuering daarvan. Vanwege haar gezondheid is het voor haar niet mogelijk elders betaalde werkzaamheden te vinden en te verrichten, aldus [appellante].

4.1. In het aangevoerde wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college van handhavend optreden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel had behoren af te zien. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 28 november 2012 in zaak nr. 201203478/1/A1, is om concreet zicht op legalisering in verband met een nieuw bestemmingsplan aan te kunnen nemen ten minste vereist dat een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd, waarbinnen het gebruik, waar het handhavingsverzoek op ziet, past. Eerst op 6 maart 2015 is het hier van belang zijnde ontwerpbestemmingsplan "Veenweidegebied" ter inzage gelegd is, zodat reeds daarom het college bij het nemen van het besluit van 16 oktober 2014 terecht geen concreet zicht op legalisering aanwezig heeft geacht. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht, is op 30 oktober 2014 het voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Dat het, gelet hierop, volgens [appellante] ten tijde van het besluit op bezwaar reeds bekend was dat onder het nieuwe bestemmingsplan het exploiteren van een bed & breakfast op het perceel zou worden toegestaan, maakt dat niet anders. Het college heeft ter zitting toegelicht dat het exploiteren van een betaald parkeerterrein op het perceel en het verhuren van zelfstandige appartementen op het perceel onder het voorontwerp niet was toegestaan. De voorwaarden waaronder deze activiteit in dat plan in afwijking daarvan zou worden toegestaan, waren nog niet bekend.

Voorts heeft de rechtbank in de omstandigheid dat [appellante], als gesteld, voor haar levensonderhoud afhankelijk is van de voortzetting van haar bedrijf terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college daarvan had behoren af te zien. Daarbij is van belang dat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik niet kan worden aangemerkt als een overtreding van geringe ernst. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht, biedt het nieuwe bestemmingsplan thans de mogelijkheid om op het perceel een bed & breakfast te exploiteren, zodat er voor [appellante] een mogelijkheid bestaat om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

Het betoog faalt.

5. Voor zover van [appellante] ter zitting heeft betoogd dat handhavend optreden in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, wordt overwogen dat zij deze grond niet eerder heeft aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom dit betoog niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellante] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient het buiten beschouwing te blijven.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Nu hieruit volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken, zal het verzoek van [appellante] daartoe reeds daarom worden afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

531-757.