Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:754

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
201506478/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:7784, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2014 heeft het college de aanvraag van [appellant] om zijn geboortedatum in de basisregistratie personen (hierna: brp) te wijzigen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module GBA 2016/1149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506478/1/A3.

Datum uitspraak: 23 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 juli 2015 in zaak nr. 14/11527 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2014 heeft het college de aanvraag van [appellant] om zijn geboortedatum in de basisregistratie personen (hierna: brp) te wijzigen, afgewezen.

Bij besluit van 10 december 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juli 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door J.C. Jansen Verplanke en J.G. Oemar, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In geschil is of de afwijzing van het verzoek van [appellant] tot wijziging van zijn geboortedatum van 1 juli 1975 in 1 juli 1970 in rechte stand kan houden.

2. Het college heeft aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing ten grondslag gelegd dat voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens onomstotelijk moet vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn, de nieuwe gegevens wel juist zijn en dat de nieuwe gegevens en de oudere geregistreerde gegevens op dezelfde persoon betrekking hebben. Volgens het college heeft [appellant] door overlegging van uitsluitend een afschrift van een registratie model 1957 en een paspoort uit Irak, met in beide de vermelding van de geboortedatum 1 juli 1970, niet aangetoond dat de geregistreerde geboortedatum 1 juli 1975 onjuist is, dat de geboortedatum 1 juli 1970 wel juist is en dat de nieuwe gegevens en de oude geregistreerde gegevens op hem betrekking hebben. Onder die omstandigheden kan volgens het college de geboortedatum in de brp niet in de door [appellant] gewenste zin worden gewijzigd. Het college heeft daarbij van belang geacht dat [appellant] in het kader van het Generaal Pardon in 2007 geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van identiteitsherstel. Bovendien heeft [appellant] bij de aangiftes van geboorten en erkenningen van zijn kinderen in de jaren daarna geen voorbehoud gemaakt bij het vermelden van zijn geboortedatum. Evenmin heeft hij dat gedaan bij de registratie van zijn huwelijk, aldus het college.

3. Ingevolge artikel 2.8, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp) worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het college in zijn standpunt is gevolgd dat de overgelegde documenten onvoldoende bewijs leveren om aan te tonen dat de geregistreerde geboortedatum in de brp feitelijk onjuist is en gewijzigd moet worden in 1 juli 1970. Daartoe voert hij aan dat uit het afschrift van een registratie model 1957, het paspoort uit Irak en uit het in hoger beroep overgelegde uittreksel van een registratie model 1957 volgt dat hij in 1970 en niet in 1975 is geboren. In het uittreksel is namelijk vermeld dat hij op grond van een geboorteakte uit 1972 is ingeschreven hetgeen betekent dat hij niet in 1975 kan zijn geboren, maar wel in 1970, aldus [appellant]. In dat verband wijst hij erop dat het in Irak gebruikelijk is dat de aangifte van een geboorte niet direct bij de geboorte, maar later plaatsvindt.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 juli 2015 in zaak nr. 201500799/1/A3; www.raadvanstate.nl) dient voorop te worden gesteld dat de gegevens in de brp betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Het bewijs dat eenmaal in de brp opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, kan alleen maar worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Voor

het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens zal gelet op het systeem van de Wet brp onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn.

4.2. De rechtbank is het college terecht in zijn standpunt gevolgd dat de door [appellant] overgelegde documenten onvoldoende bewijs leveren om aan te tonen dat de geregistreerde geboortedatum in de brp feitelijk onjuist is en gewijzigd moet worden in 1 juli 1970. Daartoe wordt overwogen dat uit de overgelegde documenten noch uit de enkele stelling van [appellant] ter zitting van de Afdeling dat er een verklaring van een ziekenhuis uit Irak bestaat die mogelijkerwijs meer duidelijkheid over zijn geboortedatum kan verschaffen blijkt op basis van welke objectieve gegevens de Iraakse autoriteiten de geboortedatum hebben vastgesteld op 1 juli 1970. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] desgevraagd verklaard niet te weten wat voor onderzoek de Iraakse autoriteiten hebben verricht. Gelet hierop kan aan de door [appellant] overgelegde documenten niet de door hem gewenste betekenis worden toegekend. Daarbij is van belang dat [appellant] ruim 14 jaar de geboortedatum 1 juli 1975 in het maatschappelijk verkeer heeft gebruikt. Bij het eerste gehoor door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) op 20 april 2000 heeft hij in het bijzijn van een tolk verklaard dat 1 juli 1975 zijn geboortedatum is. Bij het nader gehoor door de IND op 3 juli 2000 heeft [appellant] enkele persoonsgegevens gewijzigd, maar, wederom in het bijzijn van een tolk, bevestigd dat 1 juli 1975 zijn juiste geboortedatum is. Hij heeft voorts in het kader van het Generaal Pardon in 2007 geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn geboortedatum te wijzigen. Bovendien heeft [appellant] bij de aangiftes van geboorten en erkenningen van zijn kinderen in de jaren daarna geen voorbehoud gemaakt bij het vermelden van zijn geboortedatum. Evenmin heeft hij dat gedaan bij de registratie van zijn huwelijk.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt in hoger beroep voorts dat de rechtbank heeft nagelaten een oordeel te geven over zijn beroepsgrond dat het college in zijn besluitvorming geen rekening heeft gehouden met de persoonlijke problemen die [appellant] ervaart doordat zijn geboortedatum onjuist in de brp staat vermeld. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] toegelicht dat het van belang is dat de gegevens op de verschillende documenten met elkaar in overeenstemming zijn.

5.1. Deze beroepsgrond gaat er vanuit dat het college een belangenafweging had moeten verrichten. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 7 van haar uitspraak overwogen dat artikel 2.8 van de Wet brp geen ruimte laat voor een belangenafweging. Met deze overweging is de rechtbank derhalve ingegaan op de beroepsgrond van [appellant] en heeft zij daarover op juiste wijze geoordeeld.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt voorts dat het niet kunnen wijzigen van zijn persoonsgegevens een inbreuk maakt op zijn privéleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

6.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

6.2. De afwijzing van het verzoek tot wijziging van de geboortedatum in de brp is niet in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven, aangezien deze beslissing er niet toe strekt om [appellant] de mogelijkheid te ontnemen zich met een juiste geboortedatum in te schrijven.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, griffier.

w.g. Slump w.g. Zegveld

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016

43-818.