Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:745

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
201504515/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:2747, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 11 september 2014 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/136 met annotatie van dr. K.M. Zwaan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504515/1/V1.

Datum uitspraak: 10 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en

2. [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] (hierna samen: de vreemdelingen),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 april 2015 in zaken nrs. 14/20814 en 14/20816 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 11 september 2014 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 21 april 2015 heeft de rechtbank het door vreemdeling 2 ingestelde beroep gegrond verklaard, het haar betreffende besluit vernietigd, bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op haar aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, en het door vreemdeling 1 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben vreemdeling 1, vertegenwoordigd door mr. M. Terpstra, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.

Vreemdeling 2, vertegenwoordigd door mr. M. Terpstra, advocaat te Amsterdam, heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Het incidenteel hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Vreemdeling 2 heeft gesteld dat zij in Jemen tot een invloedrijke stam behoort en alleen mag trouwen met iemand van dezelfde stand binnen de stam. Hoewel zij was uitgehuwelijkt aan haar neef, heeft zij een relatie met vreemdeling 1 gekregen en is zij in het geheim niet voor de wet met hem getrouwd. Toen hun relatie is ontdekt, heeft haar familie haar mishandeld en is zij gevlucht naar Europa.

Vreemdeling 1 heeft gesteld dat hij de Eritrese nationaliteit heeft en illegaal in Jemen verbleef. Na de problemen met de familie van vreemdeling 2 is hij naar Europa gevlucht.

De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de asielrelazen ongeloofwaardig zijn, maar dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat vreemdeling 2 bij terugkeer geen reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

Hoger beroep van vreemdeling 1

2. Hetgeen vreemdeling 1 in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.1. Het hoger beroep van vreemdeling 1 is kennelijk ongegrond.

Incidenteel hoger beroep van vreemdeling 2

3. Hetgeen vreemdeling 2 in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

3.1. Het incidenteel hoger beroep van vreemdeling 2 is kennelijk ongegrond.

Hoger beroep van de staatssecretaris

4. Uit 2. en 3. volgt dat de ongeloofwaardigheid van de asielrelazen van de vreemdelingen vaststaat.

5. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, gegeven de ongeloofwaardigheid van de asielrelazen, ten onrechte heeft overwogen dat vreemdeling 2 met de brieven van Yemeni Women Union van 24 december 2013 (hierna: brief 1) en 14 november 2013 (hierna: brief 2; hierna brief 1 en 2 tezamen: de brieven) een begin van bewijs heeft geleverd dat zij een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Daartoe voert hij aan dat niet inzichtelijk is in hoeverre de bronnen die de Yemeni Women Union heeft geraadpleegd bij de totstandkoming van de brieven kunnen worden gekwalificeerd als objectief, onafhankelijk en betrouwbaar.

6. Brief 1 is de samenvatting van een onderzoek dat de Yemeni Women Union heeft verricht naar vreemdeling 2. In brief 1 is vermeld dat de familie van vreemdeling 2 bekend heeft gemaakt dat zij is getrouwd en naar het buitenland is vertrokken. Volgens brief 1 heeft de familie de veiligheidsdiensten niet ingelicht over de verdwijning van vreemdeling 2 om een goede naam te behouden en wegens de gebruiken en tradities. Voorts is in brief 1 vermeld welke bronnen de Yemeni Women Union heeft gebruikt bij het onderzoek.

In brief 2 wordt antwoord gegeven op de vragen die Amnesty International in het kader van het onderzoek naar vreemdeling 2 aan de Yemeni Women Union heeft gesteld. In de conclusie van brief 2 is vermeld dat vreemdeling 2 tot een rijke en in Jemen bekende familie behoort, dat de familie haar ongetwijfeld zal doden als bekend is waar zij is en dat vreemdeling 2 al meer dan twee jaar geleden is verdwenen, hetgeen haar familie niet bekend heeft gemaakt, om een goede naam te behouden.

6.1. Hoewel het onderzoek in opdracht van Amnesty International is uitgevoerd door de door Amnesty International betrouwbaar en deskundig geachte Yemeni Women Union en het onderzoek heeft plaatsgevonden onder toezicht en met goedkeuring van Amnesty International, is niet inzichtelijk in hoeverre de bronnen die de Yemeni Women Union heeft geraadpleegd bij de totstandkoming van de brieven kunnen worden gekwalificeerd als objectief, onafhankelijk en betrouwbaar. Evenmin is inzichtelijk op basis van welke informatie en onderzoeksmethoden de conclusies tot stand zijn gekomen. De enkele omschrijving in brief 1 van de bronnen die de Yemeni Women Union heeft gebruikt bij het onderzoek is daarvoor onvoldoende, reeds omdat die omschrijving vaag is. De bronnen zijn in brief 1 immers aangeduid als 'reliable source within the company of Shihab Thabet', 'her cousin', en 'someone who belongs to the same area family'.

Het risico dat vreemdeling 2 volgens de brieven loopt, is voorts het directe gevolg van haar relatie met vreemdeling 1, waarvan in rechte vaststaat dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat die ongeloofwaardig is. De dreiging kan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, derhalve niet worden los gezien van de ongeloofwaardig geachte relatie met vreemdeling 1 in Jemen. Reeds daarom heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat vreemdeling 2 aannemelijk heeft gemaakt dat zij een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.

De grief slaagt.

7. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover het vreemdeling 2 betreft. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van vreemdeling 2 tegen het haar betreffende besluit van 11 september 2014 alsnog ongegrond verklaren.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van vreemdeling 1 ongegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep van vreemdeling 2 ongegrond;

III. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gegrond;

IV. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 april 2015 in zaak nr. 14/20816;

V. verklaart het door vreemdeling 2 ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Willems

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2016

488-785.