Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:743

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
201505774/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:8788, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 31 juli 2013 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505774/1/V1.

Datum uitspraak: 8 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 2 juli 2015 in zaken nrs. 14/5346, 14/5360 en 14/5364 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4] en [vreemdeling 5] (hierna: de vreemdelingen)

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 31 juli 2013 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten van 27 februari 2014 heeft de staatssecretaris de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 2 juli 2015 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom, hebben een verweerschrift ingediend.

De vreemdelingen hebben nadere stukken ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. De vreemdelingen hebben aanvragen ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de overgangsregeling van de Regeling langdurig verblijvende kinderen (hierna: de Regeling), ten tijde van de aanvragen neergelegd in paragraaf B22/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000).

De vreemdelingen hebben bij hun aanvragen vreemdeling 1 - het op 7 mei 2002 geboren kind - aangemerkt als hoofdpersoon in de zin van de Regeling. Vreemdelingen 2, 3, 4 en 5 - de minderjarige broer, de moeder, de grootvader onderscheidenlijk de grootmoeder van de hoofdpersoon - hebben zij aangemerkt als de gezinsleden van vreemdeling 1.

3. De staatssecretaris heeft de aanvraag van vreemdeling 1 afgewezen omdat vreemdelingen 1, 2 en 3 van 27 oktober 2010 tot 16 januari 2012 niet in beeld zijn geweest bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND), de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: de DT&V), het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa), de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht) of, in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, [voogdijinstelling] en daardoor niet is voldaan aan het in de Regeling gestelde toezichtsvereiste, inhoudend dat de hoofdpersoon of één van de gezinsleden na 27 juli 2010 niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden buiten beeld is bij voornoemde instanties.

De aanvraag van vreemdelingen 2 en 3 heeft de staatssecretaris afgewezen omdat hij de aanvraag van vreemdeling 1 heeft afgewezen en vreemdelingen 2 en 3 gezinsleden van vreemdeling 1 zijn.

De aanvragen van vreemdelingen 4 en 5 heeft de staatssecretaris afgewezen omdat zij geen gezinsleden in de zin van de Regeling zijn van vreemdeling 1.

4. De staatssecretaris heeft bij brief van 27 maart 2015 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2014/15, 19 637, nr. 1968; hierna: de brief van 27 maart 2015) meegedeeld dat hij, gelet op de uitspraken van de Afdeling van 4 maart 2015 in zaken nr. 201403561/1/V1, 201405813/1/V1, 201406488/1/V1 onderscheidenlijk 201408150/1/V1 over de toepassing van het toezichtsvereiste (vindplaats van deze en de hierna te noemen uitspraken: www.raadvanstate.nl), heeft besloten dat, wanneer een vreemdeling gedurende drie jaar geen contact heeft gezocht met de DT&V nadat hij bij de IND uit beeld is geraakt, in alle redelijkheid kan worden gesteld dat van een actieve houding van de desbetreffende vreemdeling geen sprake is. Voorts staat in de brief dat dit een andere periode is dan de periode van maximaal drie maanden gedurende welke een vreemdeling uit beeld mag zijn en dat die laatste periode - ook gelet op de bevestiging daarvan door de Afdeling - ongewijzigd blijft.

5. Naar aanleiding van de brief van 27 maart 2015 heeft de staatssecretaris zich bij aanvullend verweerschrift van 3 april 2015 op het standpunt gesteld dat bij nadere bestudering is gebleken dat de relevante feitelijke periode van buiten beeld zijn is aangevangen op 1 april 2008 wegens het eindigen van de eerdere verblijfsprocedure van vreemdelingen 1en 2 en dat niet is voldaan aan het vereiste dat zij binnen drie jaar nadien contact hebben gezocht met de DT&V.

6. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zijn standpunt dat niet is voldaan aan het toezichtsvereiste, heeft gebaseerd op de enkele omstandigheid dat op 27 oktober 2010 het contact met de IND is geëindigd. Hierdoor heeft de staatssecretaris volgens de rechtbank, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2015 in zaak nr. 201406488/1/V1, de besluiten van 27 februari 2014 ondeugdelijk gemotiveerd. Reeds op die grond heeft de rechtbank de besluiten van 27 februari 2014 vernietigd wegens schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Hiertegen heeft de staatssecretaris geen grief gericht, zodat in rechte vaststaat dat de besluiten van 27 februari 2014 terecht op voormelde grond zijn vernietigd.

7. De rechtbank heeft voorts overwogen dat zij geen aanleiding ziet de rechtsgevolgen van de besluiten van 27 februari 2014 in stand te laten omdat de staatssecretaris, door in zijn aanvullend verweerschrift van 3 april 2015 de ingangsdatum van de periode van drie jaar te stellen op een datum vóór 27 juli 2010, een uitleg heeft gegeven aan de brief van 27 maart 2015 die niet in overeenstemming is met de Regeling.

8. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen als weergegeven onder 7. Daartoe wijst hij op de inhoud van de brief van 27 maart 2015 en voorts op de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2015 in zaak nr. 201408025/1/V1 waarin de ingangsdatum van de periode van drie jaar eveneens vóór 27 juli 2010 lag.

9. De staatssecretaris heeft er terecht op gewezen dat in de brief van 27 maart 2015 staat dat de daarin genoemde periode van drie jaar een andere is dan de in de Regeling genoemde periode van ten hoogste drie maanden. De ratio van de ingangsdatum van de periode van drie maanden is volgens de toelichting bij de Regeling dat vanaf die datum uitgeprocedeerde gezinnen met minderjarige kinderen niet meer op straat mochten worden gezet. De periode van drie jaar ziet op de vraag wanneer een vreemdeling, nadat zijn verblijfsprocedure is geëindigd, buiten beeld raakt bij de staatssecretaris. Volgens de uitspraken waarnaar de staatssecretaris verwijst in de brief van 27 maart 2015 valt niet in te zien dat de enkele omstandigheid dat een verblijfsprocedure is geëindigd en de desbetreffende vreemdeling vervolgens geen contact heeft opgenomen met de DT&V, tot gevolg heeft dat die vreemdeling buiten beeld raakt bij de staatssecretaris omdat de IND en DT&V beide diensten van de staatssecretaris zijn. De periode van drie jaar is daarmee een nadere invulling en in zoverre een afwijking van de Regeling ten gunste van de vreemdeling.

Gelet op de hiervoor genoemde aanleiding voor de staatssecretaris om vreemdelingen een periode van drie jaar te gunnen tussen de afloop van hun verblijfsprocedure en het moment waarop zij contact met de DT&V opnemen, gaat de ratio van de ingangsdatum van de periode van drie maanden niet op voor de ingangsdatum van de periode van drie jaar.

De staatssecretaris heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de brief van 27 maart 2015.

10. Voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank de rechtsgevolgen van de besluiten van 27 februari 2014 in stand had moeten laten, is voorts van belang hetgeen de vreemdelingen in beroep hebben aangevoerd voor zover dat, gelet op het voorgaande, nog bespreking behoeft.

11. De vreemdelingen hebben aangevoerd dat zij zich niet aan het toezicht van de in de Regeling genoemde instanties hebben onttrokken. Daartoe hebben zij erop gewezen dat zij altijd hebben gewoond en samengeleefd op hetzelfde adres, zij op dat adres waren ingeschreven in de Basisregistratie personen, de burgemeester van hun woonplaats heeft bevestigd dat zij altijd in beeld zijn geweest, de IND ermee bekend was dat zij in gezinsverband samenleefden, zij zich nooit tot het COa hebben gewend omdat daartoe niet de noodzaak bestond, zij altijd actief hebben meegewerkt met de DT&V en zich tot de Internationale Organisatie voor Migratie hebben gewend, vreemdelingen 1 en 2 eerst op 16 januari 2012 een aanvraag hebben ingediend voor verblijf bij hun vader wegens de hoogte van de destijds verschuldigde leges, dat vreemdelingen 1 en 2 gelet op hun leeftijd hiervoor niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden, dat vreemdeling 4 wel in beeld is geweest gedurende de periode van 27 juli 2010 tot en met januari 2012 en dat de DT&V onvoldoende heeft meegewerkt aan hun terugkeer.

11.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 4 maart 2015 in zaak nr. 201405813/1/V1 heeft de staatssecretaris bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling zich heeft onttrokken aan het toezicht, in redelijkheid de eis kunnen stellen dat een niet rechtmatig hier te lande verblijvende vreemdeling inspanningen verricht om in beeld te blijven bij de in de Regeling vermelde instanties in de vreemdelingenketen en zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een niet rechtmatig verblijvende vreemdeling die geen inspanningen verricht om in beeld te blijven bij voormelde instanties in de vreemdelingenketen, berust in zijn onrechtmatige verblijf en aldus een leven in de illegaliteit verkiest.

Uit de uitspraken van de Afdeling van 4 maart 2015 in zaken nr. 201408150/1/V1 onderscheidenlijk nr. 201403561/1/V1 volgt dat aan de omstandigheid dat een vreemdeling bekend was bij gemeentelijke instanties in dit verband geen betekenis toekomt, nu deze niet in de Regeling worden vermeld en de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bekendheid bij andere dan de in de Regeling vermelde instanties niet maakt dat die vreemdeling voldoet aan het vereiste dat deze zich niet heeft onttrokken aan het toezicht.

Zoals de Afdeling voorts heeft overwogen in de uitspraak van 20 mei 2015 in zaak nr. 201408025/1/V1 beoordeelt de staatssecretaris aanvragen in het kader van de Regeling met inachtneming van de gezinsbanden en in de context van het gezin en verleent hij in beginsel dan ook een verblijfsvergunning aan gezinsleden van het kind dat als hoofdpersoon wordt beschouwd en aan wie een verblijfsvergunning wordt verleend. Gelet hierop en in het licht van de grote mate van beleidsvrijheid die de staatssecretaris heeft bij het vaststellen van de criteria van de Regeling kan hij in redelijkheid het handelen van ouders aan hun kinderen toerekenen.

Zoals de Afdeling verder heeft overwogen in de uitspraak van 4 maart 2015 in zaak nr. 201408150/1/V1 heeft de staatssecretaris het gemaakte onderscheid tussen vreemdelingen die zich al dan niet hebben onttrokken aan het toezicht in redelijkheid gerechtvaardigd kunnen achten.

11.2. De vreemdelingen hebben niet bestreden dat vreemdeling 1 van 1 april 2008 tot 16 januari 2012 geen contact heeft opgenomen met één van de in de Regeling genoemde instanties. De stelling van de vreemdelingen dat vreemdeling 4 wel in beeld was, miskent, daargelaten dat vreemdeling 4 geen gezinslid is als bedoeld in de Regeling, dat het toezichtsvereiste inhoudt dat alle gezinsleden in beeld zijn. Gelet hierop en op het overwogene onder 11.1. heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen niet voldoen aan het toezichtsvereiste.

12. De vreemdelingen hebben voorts aangevoerd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de weigering hun verblijf hier te lande toe te staan geen schending betekent van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

12.1. De vreemdelingen hebben eerder aanvragen tot het verlenen van verblijfsvergunningen ingediend die de staatssecretaris alle heeft afgewezen, zodat zij konden weten dat hun verblijfspositie onzeker was. Doordat vreemdeling 3 niet over een verblijfsvergunning beschikt bestaat het risico dat zij gebruik maakt van de positie van vreemdeling 1 om een verblijfsrecht te verkrijgen. Zoals volgt uit, onder meer, de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013 in zaak nr. 201112108/1/V2 bestaat in een situatie als deze slechts onder bijzondere omstandigheden reden voor de conclusie dat artikel 8 van het EVRM de staatssecretaris ertoe verplicht het familie- en gezinsleven en het privéleven te laten voortzetten in Nederland.

12.2. De vreemdelingen hebben aangevoerd dat vreemdelingen 3, 4 en 5 in 2001 naar Nederland zijn gekomen, vreemdeling 1 is geboren gedurende de lopende procedures en zij van mening waren dat zicht bestond op legalisering van hun verblijf. Voorts hebben zij erop gewezen dat volgens het rapport van de Kinderombudsman van 8 maart 2012 getiteld 'Wachten op je toekomst' door de lange procedures en het verblijf in Nederland klinische schade kan ontstaan en kinderen geworteld kunnen raken in Nederland. Dit geldt ook voor vreemdelingen 1 en 2 omdat het rapport geldt voor alle kinderen in die leeftijdscategorie. De staatssecretaris heeft nagelaten voldoende bij zijn belangenafweging te betrekken dat vreemdelingen 1 en 2, gelet op het feit dat zij in Nederland zijn geboren en hier langdurig verblijven, moeten worden geacht zeer sterke banden met Nederland te hebben en geen enkele band met het land van herkomst van vreemdelingen 3, 4 en 5 - te weten Armenië - dat terugkeer van vreemdelingen 1 en 2 naar Armenië ernstige ontwikkelingsschade tot gevolg zal hebben, dat vreemdeling 3, die op jonge leeftijd Nederland is ingereisd, geen band meer heeft met Armenië en hier onder medische behandeling is geweest, dat de echtgenoot van vreemdeling 3 in het bezit is van een verblijfsvergunning, dat de vreemdelingen altijd bij elkaar hebben gewoond en tussen hen een zeer sterke band bestaat en dat vreemdelingen 4 en 5 afhankelijk zijn van de hulp van de andere vreemdelingen, mede vanwege de ernstige medische situatie waarin vreemdeling 4 verkeert, aldus de vreemdelingen.

12.3. De staatssecretaris heeft aan zijn standpunt dat artikel 8 van het EVRM niet is geschonden het volgende ten grondslag gelegd. Vreemdeling 3 en haar echtgenoot zijn hun gezinsleven aangegaan terwijl vreemdeling 3 niet over een verblijfsvergunning beschikte. Voorts hebben zij hun gezinsleven geïntensiveerd in de wetenschap dat vreemdelingen 1, 2 en 3 Nederland moeten verlaten na een negatieve beslissing. Daarbij is van belang dat deze vreemdelingen reeds verscheidene malen is aangezegd Nederland te verlaten. Verder is de omstandigheid dat een minderjarige vreemdeling in Nederland is geboren waardoor hij in Nederland geworteld is geraakt, als zodanig niet bijzonder, nu het inherent is aan langdurig verblijf van minderjarigen dat zij een schoolopleiding genieten en, naast familiebanden, ook sociale en culturele banden opbouwen. Voorts heeft de staatssecretaris van belang geacht dat alle vreemdelingen moeten terugkeren en dat er geen aanwijzingen zijn dat onoverkomelijke of bijzondere obstakels bestaan om zich in Armenië te vestigen. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat vreemdeling 3 en haar echtgenoot in het huidige Armenië zijn geboren en daar een groot deel van hun leven hebben doorgebracht, zodat in redelijkheid mag worden verwacht dat zij geen onoverkomelijke aanpassingsproblemen zullen ondervinden bij terugkeer naar Armenië. Vreemdelingen 1 en 2 worden gelet op hun leeftijd in staat geacht zich aan het leven in Armenië aan te passen. Vreemdeling 3 en haar echtgenoot kunnen, evenals de in Armenië wonende familieleden, vreemdelingen 1 en 2 helpen zich aan te passen aan de cultuur en samenleving in Armenië, waarbij verder van belang is dat vreemdelingen 1 en 2 hebben verklaard dat zij naast het Nederlands ook Armeens spreken. Op geen enkele wijze is gebleken dan wel aangetoond dat in Armenië onvoldoende perspectieven zijn voor verdere ontwikkeling van vreemdelingen 1 en 2. Evenmin zijn bijzondere feiten en omstandigheden aangevoerd, gelegen in de situatie van vreemdelingen 1 en 2, die ertoe zouden kunnen leiden dat hun ontwikkeling schade zou oplopen wanneer zij zich in Armenië vestigen. De enkele verwijzing naar de publicatie 'Het ene gewortelde kind is het andere wel' van C.A.F.M. Grutters en E.C.C. van Os (Asiel & Migrantenrecht 2013/7) en het rapport 'De schade die kinderen oplopen als zij na langdurig verblijf in Nederland gedwongen worden uitgezet' van M.E. Kalverboer en A.E. Zijlstra (Rijksuniversiteit Groningen, april 2006), is hiertoe onvoldoende, aldus de staatssecretaris.

Voorts heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat de vreemdelingen in gezinsverband wonen en vreemdelingen 4 en 5 zorg van de andere vreemdelingen krijgen, onvoldoende is om meer dan normale emotionele banden aanwezig te achten.

12.4. Gelet op hetgeen de vreemdelingen hebben aangevoerd heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in hun nadeel uitvalt. Hij heeft daarbij niet ten onrechte van belang geacht dat de vreemdelingen hun gezins- en familieleven zijn aangegaan en hebben geïntensiveerd terwijl zij niet over een verblijfsvergunning beschikten, ook nadat verscheidene aanvragen niet tot vergunningverlening hadden geleid. Hun stelling dat zij mochten verwachten dat hun verblijf zou worden gelegaliseerd hebben zij niet gestaafd. Voorts heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen onoverkomelijke obstakels bestaan voor terugkeer van de vreemdelingen en de echtgenoot van vreemdeling 3 naar Armenië en van belang kunnen achten dat alle vreemdelingen Nederland moeten verlaten. Ten slotte hebben de vreemdelingen niet aangetoond dat de medische zorg die vreemdeling 4 behoeft niet in Armenië beschikbaar is.

13. De vreemdelingen hebben verder aangevoerd dat de staatssecretaris, door in het langdurig verblijf van vreemdelingen 1 en 2 in Nederland en de worteling die daarvan het gevolg is geen aanleiding te zien om af te wijken van de Regeling wegens bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb, er geen blijk van heeft gegeven dat hij de belangen van vreemdelingen 1 en 2 juist heeft gewogen.

13.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2009 in zaak nr. 200808634/1/V3 volgt dat aangevoerde omstandigheden slechts tot afwijking van een beleidsregel kunnen nopen, indien die omstandigheden binnen strekking en reikwijdte van de wettelijke bevoegdheid vallen ter invulling waarvan de beleidsregel strekt. Voorts volgt uit die uitspraak dat alleen omstandigheden die moeten worden geacht niet bij de totstandkoming van de beleidsregel te zijn betrokken, bijzonder zijn als bedoeld in voormeld artikel 4:84 van de Awb.

Het langdurig verblijf van vreemdelingen in Nederland en de gevolgen daarvan zijn omstandigheden die door de staatssecretaris bij de vaststelling van de Regeling zijn betrokken. Deze zijn derhalve niet aan te merken als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb.

14. De vreemdelingen hebben ten slotte aangevoerd dat de staatssecretaris in een vergelijkbare zaak wel gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid.

14.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2014 in zaak nr. 201404129/1/V1 volgt dat geen rechtsregel meebrengt dat de staatssecretaris een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de overgangsregeling tevens als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens bijzondere individuele omstandigheden moet behandelen. Dat de staatssecretaris, naar de vreemdelingen stellen, in een vergelijkbaar geval aanleiding heeft gezien om ambtshalve een zodanige verblijfsvergunning te verlenen, laat onverlet dat geen rechtsregel hem daartoe verplicht en dat de vreemdelingen een daartoe strekkende aanvraag kunnen indienen indien zij van mening zijn aanspraak te hebben op een zodanige vergunning.

15. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte geen aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van de besluiten van 27 februari 2014 in stand te laten. De grief slaagt.

16. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank daarbij niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van de besluiten van 27 februari 2014 in stand blijven en voorts voor zover zij de staatssecretaris heeft opgedragen nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren te nemen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal worden bepaald dat de rechtsgevolgen van voormelde besluiten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand blijven.

17. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 2 juli 2015 in zaken nrs. 14/5346, 14/5360 en 14/5364, voor zover de rechtbank daarbij:

- niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 27 februari 2014, V-nummers [nummer], [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer] in stand blijven;

- de staatssecretaris heeft opgedragen nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren te nemen;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van de in II. genoemde besluiten geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. De Groot

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2016

210.