Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:739

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
201503585/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:2765, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 21 maart 2014 heeft de staatssecretaris gereageerd op een verzoek van de vreemdeling om haar onderdak dan wel leefgeld te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503585/1/V1.

Datum uitspraak: 7 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 2 april 2015 in zaak nr. 14/16621 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij brief van 21 maart 2014 heeft de staatssecretaris gereageerd op een verzoek van de vreemdeling om haar onderdak dan wel leefgeld te verstrekken.

Bij besluit van 13 juni 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 april 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij gezien de beslissing van het Europees Comité voor Sociale Rechten (hierna: het ECSR) van 1 juli 2014 in zaak nr. 90/2013 (CEC tegen Nederland; www.coe.int/socialcharter) ten onrechte heeft volstaan met het aanbod van onderdak in een vrijheidsbeperkende locatie (hierna: een VBL), onder de voorwaarde dat de vreemdeling meewerkt aan haar vertrek uit Nederland, en met dien verstande dat het onderdak gepaard zal gaan met de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel krachtens artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in het besluit van 13 juni 2014 ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat hij niet gehouden is méér voor de vreemdeling te doen dan waartoe hij bereid is. De staatssecretaris voert daartoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hij, nu de vreemdeling niet rechtmatig in Nederland verblijft en op haar ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Vw 2000 de plicht rust om Nederland uit eigen beweging te verlaten, heeft kunnen volstaan met voormeld aanbod van onderdak in een VBL.

1.1. Onbestreden is dat de vreemdeling meerderjarig is en niet rechtmatig in Nederland verblijft.

1.2. De rechtsvraag of de staatssecretaris gelet op de artikelen 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), 13, aanhef en vierde lid, en 31, aanhef en tweede lid, van het Europees Sociaal Handvest en voormelde beslissing van het ECSR in reactie op een verzoek van een niet rechtmatig in Nederland verblijvende meerderjarige vreemdeling om onderdak te verstrekken kan volstaan met een aanbod van onderdak in een VBL, onder de voorwaarde dat die vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek uit Nederland, en met dien verstande dat het onderdak gepaard zal gaan met de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel krachtens artikel 56, eerste lid, van de Vw 2000, heeft de Afdeling in haar uitspraak van 26 november 2015 in zaak nr. 201500577/1/V1 beantwoord. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat voor zover de staatssecretaris de desbetreffende vreemdeling een vrijheidsbeperkende maatregel zou opleggen, dit niet afdoet aan de beschikbaarheid van onderdak in een VBL en dat de rechtmatigheid van het eventueel opleggen van deze maatregel in een procedure over dat aanbod van onderdak ook niet aan de orde is. Dat de staatssecretaris aan onderdak in een VBL de voorwaarde heeft verbonden dat de desbetreffende vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek uit Nederland, doet evenmin aan de beschikbaarheid van dat onderdak af. In zoverre doet zich dan ook niet een situatie voor die strijdig is met artikel 3 dan wel 8 van het EVRM.

Het gevolg van de keuze van een meerderjarige vreemdeling om zich niet bereid te verklaren mee te werken aan vertrek, te weten dat de staatssecretaris hem de toegang tot een VBL weigert, komt in beginsel voor risico van die vreemdeling, indien die vreemdeling niet rechtmatig in Nederland verblijft en op hem ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Vw 2000 de plicht rust om Nederland uit eigen beweging te verlaten. Dat neemt echter niet weg dat de staatssecretaris er uit een oogpunt van zorgvuldigheid rekening mee moet houden dat zich niettemin bijzondere omstandigheden kunnen voordoen waarin hij aan het bieden van onderdak niet bij voorbaat de voorwaarde mag verbinden dat die vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek uit Nederland. Zodanige bijzondere omstandigheden doen zich voor, indien uit hetgeen die vreemdeling aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd, blijkt dat hij vanwege zijn psychische gesteldheid, althans voorlopig, niet in staat kan worden geacht de gevolgen van zijn handelen en nalaten te overzien. Zolang deze omstandigheden zich voordoen kan die vreemdeling niet verantwoordelijk worden gehouden voor zijn weigering mee te werken aan vertrek. Het is aan die vreemdeling om aan zijn verzoek zodanige bijzondere omstandigheden ten grondslag te leggen. Het voorgaande laat voormelde op die vreemdeling rustende plicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten evenwel onverlet.

1.3. Voor zover de vreemdeling aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd dat zij niet uit Nederland kan vertrekken, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat hij slechts in een procedure over de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd beoordeelt of een vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken. De vreemdeling heeft aan haar verzoek ook ten grondslag gelegd dat de gemeente Hilversum, de gemeente Huizen en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers niet bereid zijn haar hulp te bieden. Gezien hetgeen onder 1.2 is overwogen, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat dit evenmin bijzondere omstandigheden zijn in verband waarmee hij ten onrechte heeft volstaan met het aanbod van onderdak in een VBL onder de voorwaarde dat de vreemdeling meewerkt aan haar vertrek uit Nederland. Gezien het voorgaande heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris zijn aanbod van onderdak in een VBL in het besluit van 13 juni 2014 deugdelijk heeft gemotiveerd.

In zoverre slaagt de grief.

2. In de grief betoogt de staatssecretaris ook dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de vreemdeling ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar.

2.1. De staatssecretaris mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend standpunt.

De rechtbank heeft niet onderkend dat, gezien de motivering van de brief van 21 maart 2014 en hetgeen de vreemdeling daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, aan deze maatstaf is voldaan.

Ook in zoverre slaagt de grief.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 13 juni 2014 alsnog ongegrond worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 2 april 2015 in zaak nr. 14/16621;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.D.J. van Heijst, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Heijst

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2016

787.