Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:736

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
201400577/3/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2013, kenmerk 13.202179, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400577/3/R4.

Datum uitspraak: 16 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te Tzummarum, gemeente Franekeradeel,

2. [appellant sub 2], wonend te Tzummarum, gemeente Franekeradeel,

en

de raad van de gemeente Franekeradeel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2013, kenmerk 13.202179, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben LTO, [belanghebbende A], [belanghebbende B], [appellante sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2015, waar LTO, vertegenwoordigd door S. Boonstra en H. Sijtsma, [belanghebbende A], [belanghebbende B], [appellante sub 1], bijgestaan door mr. drs. R.T.M. Lagerweij, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J. Zwiers, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door J. Mulder, mr. P.D. van der Ploeg, beiden werkzaam bij de gemeente, en J. Kleefstra, werkzaam bij Rho Adviseurs, zijn verschenen.

Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 1 april 2015, in zaak nr. 201400577/1/R4, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 7 november 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 25 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" opnieuw, gewijzigd, vastgesteld, voor zover dit het perceel [locatie 1] te Tzummarum betreft.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld.

De raad en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft op 20 november 2015 een regiezitting gehouden waar [appellante sub 1], bijgestaan door mr. drs. R.T.M. Lagerweij, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J. Zwiers, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door J. Mulder en mr. D. la Crois, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [belanghebbende C], vertegenwoordigd door mr. A.J. Spoelstra, werkzaam bij Pietersma en Spoelstra ROM B.V.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het besluit van 7 november 2013

1. De Afdeling heeft ten aanzien van de beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] in de tussenuitspraak overwogen dat de aan het perceel [locatie 1] te Tzummarum toegekende bestemming en aanduidingen met de daarbij behorende planregels leiden tot een verruiming van de planologische mogelijkheden ten opzichte van het bestaande legale gebruik als loon- en kraanbedrijf en schapenhouderij en de bestaande legale bebouwing, terwijl de raad heeft beoogd enkel te voorzien in een maatbestemming voor het bestaande legale gebruik en de bestaande legale bebouwing met beperkte uitbreidingsmogelijkheden. Daarnaast heeft de Afdeling overwogen dat de raad in het kader van de voorbereiding van het plan niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de te verwachten gevolgen voor de omgeving zijn als gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die het plan biedt. Verder is overwogen dat uit de planregels, anders dan de raad stelt, niet volgt dat het gebruik als loon- en kraanbedrijf ondergeschikt moet zijn aan het agrarische gebruik. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" met de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - loon- en kraanbedrijf" en "specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel grondgebonden agrarisch bedrijf" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 1] te Tzummarum is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2. Gelet hierop zijn de beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 2], voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van 7 november 2013, gegrond. Dat besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarisch" met de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - loon- en kraanbedrijf" en "specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel grondgebonden agrarisch bedrijf" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 1] te Tzummarum.

3. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin onder 4.5.2. is overwogen de gebreken in het besluit van 7 november 2013 te herstellen. De raad diende daartoe:

-alsnog te onderzoeken wat de gevolgen zijn van een planregeling voor het perceel [locatie 1], waarbij wordt uitgegaan van een maatbestemming van het bestaande legale gebruik en de bestaande legale bebouwing met beperkte uitbreidingsmogelijkheden, voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nabijgelegen percelen van onder meer [appellante sub 1] en [appellant sub 2], en

-indien uit dit onderzoek blijkt dat met bedoelde maatbestemming een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op de nabijgelegen percelen gewaarborgd is, een planregeling voor het perceel [locatie 1] vast te stellen, waarbij wordt uitgegaan van die maatbestemming van het bestaande legale gebruik en de bestaande legale bebouwing met beperkte uitbreidingsmogelijkheden, dan wel, indien uit dit onderzoek blijkt dat met bedoelde maatbestemming geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd is, een andere planregeling vast te stellen waarbij wordt uitgegaan van een maatbestemming met geringere mogelijkheden, en

-in de gewijzigde planregeling tot uitdrukking te brengen dat een loon- en kraanbedrijf ondergeschikt is en moet blijven aan een grondgebonden agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 1].

Het besluit van 25 juni 2015

4. Bij besluit van 25 juni 2015 heeft de raad, naar aanleiding van de tussenuitspraak, het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" opnieuw, gewijzigd, vastgesteld en daarmee het besluit van 7 november 2013 vervangen. De wijziging behelst een andere planregeling voor het perceel [locatie 1] te Tzummarum. Aan dit perceel is de bestemming "Gemengd - Loon- en kraanverhuurbedrijf en schapenhouderij" toegekend. Daarnaast is het bouwvlak ten opzichte van het op 7 november 2013 vastgestelde plan verkleind.

4.1. In paragraaf 6.5 van de plantoelichting is vermeld dat op basis van de ten tijde van de vaststelling van het vorige plan op 7 november 2013 bestaande situatie is gekozen voor een agrarische bestemming in combinatie met een loon- en kraanverhuurbedrijf, omdat de agrarische bedrijfsvoering als belangrijkste activiteit moest worden aangemerkt. Volgens de plantoelichting is in die ruimtelijke situatie inmiddels verandering gekomen doordat een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een nieuwe loods waarin het materieel van het loon- en kraanverhuurbedrijf zal worden gestald. Hierdoor worden het loon- en kraanverhuurbedrijf en de schapenhouderij nevengeschikt aan elkaar. De nieuw te bouwen loods leidt volgens de plantoelichting tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit op het perceel, omdat het materieel dat zich nu buiten bevindt binnen kan worden gestald, en bij de vergunningverlening tevens aandacht is besteed aan een goede landschappelijke inpassing van het perceel in de omgeving. Bij de vergunningverlening zijn voorts alle milieuaspecten afgewogen tegen het woon- en leefklimaat op de nabijgelegen percelen, aldus de plantoelichting.

De raad heeft de omgevingsvergunning vertaald in het plan, omdat volgens hem door het verlenen van de omgevingsvergunning, hoewel deze nog niet onherroepelijk is, een wijziging in de bestaande legale situatie is ontstaan. De onderbouwing die in het vergunningentraject is opgesteld kan volgens de plantoelichting worden gebruikt ter onderbouwing van de mogelijkheden die het plan biedt.

De beroepen

5. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb hebben de beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] van rechtswege mede betrekking op het besluit van 25 juni 2015 tot vervanging van het besluit van 7 november 2013.

6. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] voeren tegen het gewijzigd vastgestelde plan aan dat hun belangen als omwonenden daarbij onvoldoende zijn meegewogen en dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woningen aan de [locatie 2] en 6a niet is gewaarborgd.

Relatie tussen plan en verleende omgevingsvergunning

7. [appellante sub 1] voert aan dat ten onrechte een omgevingsvergunning voor het realiseren van een loods is verleend voordat de onderhavige bestemmingsplanprocedure is afgerond. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat door het verlenen van de omgevingsvergunning van 28 april 2015 geen verandering is gekomen in de bestaande ruimtelijke situatie, omdat die vergunning nog geen formele rechtskracht heeft, en dat de vergunning ten onrechte is gebruikt als basis voor het nieuwe plan. De omgevingsvergunning van 28 april 2015 is verder volgens [appellante sub 1] deels gebaseerd op een niet geldig bestemmingsplan.

7.1. In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

De Afdeling stelt vast dat ten tijde van de vaststelling van het plan op 25 juni 2015 een concreet initiatief bestond voor het uitbreiden van de bebouwing op het perceel [locatie 1] waarmee de raad in beginsel rekening diende te houden. Hiertoe overweegt de Afdeling het volgende. Op 10 maart 2014 is een omgevingsvergunning voor het bouwen van een loods van ongeveer 800 m² voor het loon- en kraanbedrijf en voor de verandering van de inrichting in verband met de toename van het aantal schapen van 300 naar 640 verleend. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 28 april 2015 is een beslissing op bezwaar genomen, waarbij de bezwaren gegrond zijn verklaard omdat het bestemmingsplan waarop de omgevingsvergunning van 10 maart 2014 was gebaseerd, het plan van 7 november 2013, op dat moment was geschorst. Het college van burgemeester en wethouders van Franekeradeel (hierna: het college) heeft bij besluit op bezwaar van 28 april 2015 besloten om een nieuwe omgevingsvergunning te verlenen die de realisatie van de loods mogelijk maakt. Bij deze omgevingsvergunning is op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) afgeweken van de regels van het op dat moment geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2001". Hieraan is een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag gelegd, aan de hand waarvan de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief is beoordeeld. Op de zitting van 20 november 2015 heeft de raad gesteld een verklaring van geen bedenkingen te hebben afgegeven. Zoals onder 4.1 is overwogen, heeft de raad beoogd om met het plan maximaal die bebouwingsmogelijkheden toe te staan die door het college zijn vergund. Dat de omgevingsvergunning van 28 april 2015 nog niet onherroepelijk is, maakt, anders dan [appellante sub 1] en [appellant sub 2] betogen, niet reeds dat de raad bij de vaststelling van het plan niet bij de uit die vergunning voortvloeiende bouw- en gebruiksmogelijkheden heeft kunnen aansluiten. Het betoog faalt.

Bouwmogelijkheden

8. [appellant sub 2] voert aan dat onduidelijkheid bestaat over de maximaal toegestane oppervlakten van de verschillende gebouwen en volgens [appellante sub 1] garandeert het plan niet dat de bebouwing beperkt blijft tot de vergunde bebouwing. [appellant sub 2] voert verder aan dat het plan ten onrechte de mogelijkheid biedt om aan- en bijgebouwen en overkappingen tot een oppervlakte van 100 m² te bouwen, omdat dit niet in verhouding staat tot de overige toegestane bebouwingsmogelijkheden en de totale oppervlakte van het perceel. Volgens [appellante sub 1] is ten onrechte niet onderbouwd waarom de goothoogte van een aangebouwd bijgebouw op het perceel [locatie 1] een halve meter hoger mag zijn dan de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw.

8.1. Ingevolge artikel 14, lid 14.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Gemengd - Loon- en kraanverhuurbedrijf en schapenhouderij" aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsgebouwen ten behoeve van een loon- en kraanverhuurbedrijf en schapenhouderij.

Ingevolge lid 14.2.1 gelden voor het bouwen van de in lid 14.1, onder a, bedoelde gebouwen de volgende regels:

a. per bestemmingsvlak mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van het ter plaatse gevestigde loon- en kraanverhuurbedrijf en de schapenhouderij worden gebouwd;

b. de gebouwen zullen binnen een bouwvlak worden gebouwd;

c. de oppervlakte van het bedrijfsgebouw ten behoeve van het loon- en kraanverhuurbedrijf zal ten hoogste 835 m² bedragen;

d. de oppervlakte van het bestaande bedrijfsgebouw ten behoeve van de schapenhouderij zal ten hoogste de bestaande oppervlakte bedragen;

e. de oppervlakte van het bestaande bedrijfsgebouw ten behoeve van het stallen van voertuigen en materieel ten behoeve van de schapenhouderij en het loon- en kraanverhuurbedrijf, zal ten hoogste de bestaande oppervlakte bedragen;

(…)

g. de bedrijfsgebouwen zullen achter de bedrijfswoning worden gebouwd;

h. de maatvoering van een gebouw of een overkapping zal voorts voldoen aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn gesteld:

8.2. De Afdeling stelt vast dat uit deze planregels volgt dat de bouwmogelijkheden voor bedrijfsbebouwing in het plan zijn beperkt tot de bestaande bebouwing en een nieuw bedrijfsgebouw van maximaal 835 m². Onder 4.5.1 van de tussenuitspraak is overwogen dat de bestaande bedrijfsbebouwing, zoals bedoeld in artikel 14, lid 14.2.1, onder d en e, van de planregels, bestaat uit gebouwen van ongeveer 460 m² en 150 m². De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat onduidelijk is wat de maximaal toegestane oppervlakte van de gebouwen is. Voorts biedt het plan, behoudens het nog niet gerealiseerde maar wel vergunde bedrijfsgebouw voor het loon- en kraanverhuurbedrijf, geen in aanmerking te nemen uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijfsgebouwen. In het plan is derhalve gewaarborgd, anders dan [appellante sub 1] stelt, dat de bebouwing beperkt blijft tot de vergunde bebouwing. De betogen falen.

8.3. Ingevolge artikel 14, lid 14.1, aanhef en onder g, van de planregels zijn de voor "Gemengd - Loon- en kraanverhuurbedrijf en schapenhouderij" aangewezen gronden bestemd voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen.

Ingevolge lid 14.2.2 gelden voor het bouwen van de in 14.1 onder g genoemde aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen de volgende regels:

a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 3,00 m achter de voorgevel van de bedrijfswoning c.q. het verlengde daarvan worden gebouwd;

b. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning zal ten hoogste 100 m² bedragen, met dien verstande dat:

1. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 100% van de oppervlakte van de bedrijfswoning zal bedragen;

2. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning ten hoogste 50% van het erf zal bedragen;

c. de goothoogte van een aan- of uitbouw of een aangebouwd bijgebouw zal ten hoogste gelijk zijn aan de bouwhoogte van de eerste bouwlaag van de bedrijfswoning waaraan wordt gebouwd, plus 0,25 m, met dien verstande dat de goothoogte van een aan- of uitbouw of een aangebouwd bijgebouw niet meer mag bedragen dan 4,00 m;

d. de onderlinge afstand tussen een bedrijfswoning en een bijgebouw zal ten hoogste 25,00 m bedragen, tenzij de bestaande afstand groter is, in welk geval de bestaande afstand als maximum geldt;

e. de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw zal ten hoogste 3,50 m bedragen

(…).

8.4. De Afdeling stelt vast dat deze planregeling aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] mogelijk maakt. Deze bebouwing kan derhalve voor woondoeleinden worden gebruikt. De omvang van de overige bebouwingsmogelijkheden en de totale oppervlakte van het perceel van ongeveer 4.500 m² maken naar het oordeel van de Afdeling niet dat de bebouwingsmogelijkheden voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, waarvan de maximale oppervlakte volgt uit artikel 14, lid 14.2.2, aanhef en onder b, van de planregels, daartoe in een onevenredige verhouding staan. Voorts ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet heeft kunnen toestaan dat de goothoogte van een aangebouwd bijgebouw maximaal 4 m, en de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw maximaal 3,5 m bedraagt. De betogen falen.

Gebruiksmogelijkheden

9. [appellant sub 2] en [appellante sub 1] voeren aan dat onduidelijkheid bestaat over het toegestane gebruik. [appellant sub 2] voert ook aan dat de gebruiksmogelijkheden van beide bedrijven ten onrechte niet zijn begrensd. [appellante sub 1] voert in dit kader aan dat in het plan ten onrechte niet is vastgelegd tot welke milieucategorie het loon- en kraanverhuurbedrijf behoort. Het plan biedt volgens [appellante sub 1] en [appellant sub 2] de mogelijkheid bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 3 te ontplooien, hetgeen niet past binnen het provinciale beleid en het uitgangspunt om in het buitengebied bedrijven tot en met maximaal milieucategorie 2 toe te staan.

9.1. Zoals onder 8.1 is overwogen, zijn de voor "Gemengd - Loon- en kraanverhuurbedrijf en schapenhouderij" aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsgebouwen ten behoeve van het ter plaatse gevestigde loon- en kraanverhuurbedrijf en schapenhouderij. Ingevolge artikel 14, lid 14.4, aanhef en onder a, van de planregels is andere dan deze bedrijvigheid niet toegestaan. In zoverre bestaat over het toegestane gebruik naar het oordeel van de Afdeling geen onduidelijkheid.

Voorts worden de toegestane, bestaande, bedrijfsactiviteiten begrensd doordat de toegestane bebouwing is beperkt tot de vergunde bebouwing. Volgens de plantoelichting en de toelichting die de raad ter zitting heeft gegeven is met de bestemming "Gemengd - Loon- en kraanverhuurbedrijf en schapenhouderij" een op maat toegesneden bestemming aan de gronden toegekend, op grond waarvan de bestaande bedrijvigheid is ingepast en begrensd. Zoals onder 7.1 is overwogen, is in het kader van de omgevingsvergunning van 28 april 2015 een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. De raad heeft deze ruimtelijke onderbouwing tevens gebruikt ter onderbouwing van het plan. Daarin is vermeld dat beide bedrijfsactiviteiten, zowel die van het loon- en kraanverhuurbedrijf als die van de schapenhouderij, onder milieucategorie 3.1 uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: VNG-brochure) te scharen zijn. Volgens de plantoelichting hebben bestaande bedrijven uit een hogere milieucategorie dan 1 en 2 een specifieke aanduiding gekregen, waardoor de bestaande bedrijfsactiviteiten kunnen worden uitgeoefend. Het toestaan van het bestaande loon- en kraanverhuurbedrijf en de schapenhouderij past, anders dan [appellante sub 1] en [appellant sub 2] aanvoeren, binnen dit in de plantoelichting genoemde uitgangspunt.

Voor zover [appellante sub 1] en [appellant sub 2] voorts hebben aangevoerd dat het toestaan van bedrijvigheid in milieucategorie 3.1 in strijd is met het provinciale beleid, overweegt de Afdeling het volgende. Ter zitting heeft [appellant sub 2] ter specificatie van zijn stelling gewezen op de artikelen 4.3.1 en 6.1.1 van de Verordening Romte Fryslân 2014 (hierna: Verordening Romte).

Ingevolge artikel 4.3.1 van de Verordening Romte kan in een ruimtelijk plan voor landelijk gebied uitbreiding worden toegestaan van een bestaand, niet aan het beheer, onderhoud of productievermogen van het landelijk gebied gebonden bedrijf, tot maximaal 50% van het bestaande bebouwde oppervlak en maximaal 50% van het bestaande bestemmingsvlak, indien in de plantoelichting is onderbouwd dat het bedrijf milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving en het plan voorziet in een goede inpassing binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.

Ingevolge artikel 6.1.1 kan een ruimtelijk plan uitsluitend een nieuw agrarisch bouwperceel bevatten indien:

a. het bouwperceel is bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, of voor een bestaande niet grondgebonden veehouderij die om dringende redenen van maatschappelijke aard verplaatst moet worden, en

b. redelijkerwijs geen gebruik kan worden gemaakt van bestaande bouwpercelen voor agrarische bedrijven of voormalige agrarische bedrijven in het landelijk gebied, met dien verstande dat met betrekking tot de oppervlakte van het bouwperceel voor grondgebonden agrarische bedrijven artikel 6.1.2, eerste en tweede lid, en voor niet grondgebonden veehouderijen artikel 6.1.3, eerste lid van toepassing is.

De raad heeft in reactie hierop gesteld dat deze bepalingen niet van toepassing zijn op deze bestaande situatie. Nu artikel 4.3.1 bepalingen bevat over niet-agrarische bedrijven en artikel 6.1.1 gaat over nieuwe agrarische bouwpercelen, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat de genoemde artikelen op dit geval niet van toepassing zijn. Het loon- en kraanverhuurbedrijf voert onder meer werkzaamheden uit voor de agrarische sector, waardoor het bedrijf aan het beheer, onderhoud of productievermogen van het landelijk gebied gebonden is en daardoor niet als een niet-agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 4.3.1 van de Verordening Romte is aan te merken. Het plan voorziet evenmin in een nieuw agrarisch bouwperceel. Zoals onder 4.5.1 van de tussenuitspraak is overwogen, viel het gebruik als schapenhouderij onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied 2001", was dit gebruik daardoor rechtmatig aanwezig en daardoor aan te merken als "bestaand gebruik" als bedoeld in de begripsbepalingen van de Verordening Romte. De betogen falen.

Geluid- en geurhinder

10. [appellant sub 2] betoogt dat bij de voorbereiding van het plan ten onrechte geen beoordeling heeft plaatsgevonden van de gevolgen voor de omgeving van de beide bedrijven als geheel wat betreft de aspecten geur en geluid. Over het aspect geur voert [appellante sub 1] aan dat door het toestaan van een schapenhouderij op een afstand van 47 meter van haar woning niet aan de geurnormen wordt voldaan. Over het aspect geluid voeren [appellante sub 1] en [appellant sub 2] aan dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek is verricht naar de gevolgen van de toename van het aantal verkeersbewegingen, van de situering van de overheaddeuren van de te realiseren loods aan de zijde van de woning van [appellant sub 2], van het warmdraaien van materieel en van buitenopslag op het perceel.

10.1. De raad heeft in de ruimtelijke onderbouwing en ter zitting toegelicht dat de omgeving als "gemengd gebied" als bedoeld in de VNG-brochure is aan te merken, omdat hier naast de bedrijven op het perceel [locatie 1] onder meer ook een garagebedrijf en een caravanstalling zijn gevestigd tussen de lintbebouwing met (bedrijfs)woningen aan de Kleasterwei. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onjuist, omdat het omgevingstype "gemengd gebied" in de VNG-brochure onder meer wordt omschreven als "lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid". Op grond van de VNG-brochure geldt tussen de bedrijfsactiviteiten van het loon- en kraanverhuurbedrijf en de schapenhouderij in milieucategorie 3.1 en de gevels van woningen in gemengd gebied vanwege geluid respectievelijk geur een richtafstand van 30 meter. Aan die richtafstand wordt voldaan, nu de dichtstbijzijnde woning van [appellante sub 1] op het perceel [locatie 2] op een afstand van 47 meter staat. Ter nadere onderbouwing van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de bedrijfsactiviteiten is zowel naar de geluidbelasting als naar de geurbelasting onderzoek gedaan.

10.2. Naar de geluidbelasting van de bedrijfsactiviteiten van de schapenhouderij en het loon- en kraanverhuurbedrijf op de omgeving is een akoestisch onderzoek uitgevoerd dat heeft geresulteerd in het rapport "Akoestisch onderzoek [belanghebbende C] Kraanverhuur te Tzummarum" van Stroop raadgevende ingenieurs B.V. van 30 oktober 2013 (hierna: geluidrapport). Anders dan [appellant sub 2] stelt, zijn de bedrijfsactiviteiten wat betreft geluid derhalve in samenhang bezien. In het geluidrapport is vermeld dat bij alle beoordelingspunten, derhalve ook ter plaatse van de gevels van de woningen van [appellante sub 1] en [appellant sub 2], wordt voldaan aan de gehanteerde grenswaarden. Voorts wordt volgens het geluidrapport voldaan aan de maximale waarde van het geluidniveau vanwege indirecte hinder, zoals de geluidbelasting van de verkeersbewegingen van en naar de bedrijven.

10.2.1. De Afdeling overweegt het volgende over het betoog dat met een aantal factoren dat van invloed kan zijn op de geluidbelasting ten onrechte geen rekening is gehouden.

De raad heeft gewezen op het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak van 2 november 2015, dat is uitgebracht op verzoek van de rechtbank Noord-Nederland naar aanleiding van het beroep van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] tegen het hiervoor genoemde besluit van 28 april 2015. In dat deskundigenbericht is vermeld dat uit navraag bij [belanghebbende C] is gebleken dat een deel van het materieel inderdaad wordt warmgedraaid op het terrein en dat op het achterterrein op- en overslag van onder meer stenen en zand plaatsvindt. Volgens het deskundigenbericht is de marge tussen de berekende geluidbelasting en de gehanteerde grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau zodanig groot dat niet waarschijnlijk is dat die grenswaarden overschreden zouden worden als in het akoestisch onderzoek rekening zou zijn gehouden met het geluid dat gepaard gaat met de genoemde activiteiten. Dit is wat betreft de opslag van inerte goederen op het achterterrein bevestigd in een aanvullende berekening die is gemaakt in het kader een melding als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor zover [appellant sub 2] vreest dat een klankkasteffect ontstaat als de overheaddeuren van de loods aan de zijde van zijn woning open staan en in de loods materieel wordt warmgedraaid, wordt overwogen dat in het deskundigenbericht staat dat daarvan geen sprake zal zijn. Een deel van het geluid zal afgeschermd worden door de wanden van het gebouw, waardoor volgens het deskundigenbericht minder geluid te verwachten is dan in de huidige situatie. Wat betreft het maximale geluidniveau (piekgeluiden) heeft het lossen van het bulkvoer en het optrekken van tractoren volgens het deskundigenbericht te gelden als de maatgevende activiteiten. Het op- en overslaan van stenen op het achterterrein van het perceel is niet maatgevend, omdat de afstand tussen de woningen van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] en het achterterrein hiervoor te groot is. Dit betekent dat als hiermee rekening zou zijn gehouden in de berekening van het te verwachten maximale geluidniveau, dit niet tot een hogere geluidbelasting zou hebben geleid. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat de toename van het aantal schapen van 300 naar 640 niet tot gevolg heeft dat de verkeersintensiteit sterk toeneemt. In het deskundigenbericht is vermeld dat in het geluidrapport is uitgegaan van het dagelijks aanleveren van bulkvoer met een vrachtwagen en het 30 minuten lossen hiervan in de dagperiode, terwijl dit in de praktijk slechts enkele keren per jaar voorkomt, hetgeen door de toename van het aantal schapen niet anders zal zijn. Ter zitting heeft de raad voorts toegelicht dat de activiteiten van het loon- en kraanverhuurbedrijf als gevolg van het plan niet worden uitgebreid, maar dat de realisatie van de nieuwe loods tot doel heeft om het materieel dat nu in de open lucht wordt gestald binnen te kunnen stallen. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich ter nadere onderbouwing van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de bedrijfsactiviteiten wat betreft het geluidaspect kunnen baseren op het geluidrapport. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het geluidrapport zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet mede heeft mogen baseren. De betogen falen.

10.3. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de beoordeling van de geurbelasting uitsluitend de schapenhouderij relevant is. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onjuist. In het deskundigenbericht is vermeld dat enige geuremissie van het loon- en kraanverhuurbedrijf niet aannemelijk is.

Op grond van artikel 14, lid 14.2.1, aanhef en onder d, van de planregels kunnen de schapen worden gehouden in het bestaande bedrijfsgebouw van ongeveer 460 m². Hoewel dit volgens de raad in de praktijk niet voor zal komen, omdat de schapen alleen in de lammerperiode in de stal staan en de rest van het jaar elders op het land verblijven, is een berekening gemaakt van de geurbelasting van 640 schapen. Op grond van bijlage 1 bij de Regeling geurhinder en veehouderij geldt voor schapen een geuremissiefactor van 7,8 oue/sec per dier. Uit de berekening met het programma V-Stacks vergunning blijkt dat 640 schapen leiden tot een geurbelasting van 4,6 oue/m³ op het geurgevoelige object op het perceel [locatie 2] en 1,5 oue/m³ ter plaatse van [locatie 3]. Deze geurbelasting ligt onder de norm die op grond van artikel 3.115, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer 8,0 oue/m³ bedraagt. Voorts wordt voldaan aan de minimale afstand van 25 meter die op grond van artikel 3.119, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer in acht moet worden genomen tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en een geurgevoelig object dat buiten de bebouwde kom is gelegen. Het betoog dat niet aan de geurnormen kan worden voldaan faalt derhalve.

Landschappelijke inpassing

11. [appellant sub 2] voert aan dat het plan ten onrechte niet voorziet in een landschappelijke inpassing van de bebouwing aan de zijde van het perceel waarop vanuit zijn woning zicht bestaat. Volgens [appellante sub 1] en [appellant sub 2] resteert op het perceel na realisatie van de loods voorts onvoldoende ruimte voor een beplantingsstrook, omdat hier voertuigen moeten kunnen manoeuvreren.

11.1. De landschappelijke inpassing van de nieuwe loods voor het loon- en kraanverhuurbedrijf is geregeld in artikel 14, lid 14.4, aanhef en onder i en j, van de planregels en in bijlage 4 bij de planregels.

Ingevolge artikel 14, lid 14.4, aanhef en onder i en j, van de planregels wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met de bestemming "Gemengd - Loon- en kraanverhuurbedrijf en schapenhouderij" gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van het bedrijfsgebouw bedoeld in lid 14.2.1 onder c overeenkomstig de bestemming en ten behoeve van het loon- en kraanverhuurbedrijf zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform de in de bijlage 4 opgenomen landschappelijke inpassing, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing en de aanleg van deze landschappelijke inpassing na 12 maanden of langer na de aanvang van de bouwwerkzaamheden.

Bijlage 4 is een tekening waarop staat aangegeven waar "natuur" moet worden aangelegd. Zowel aan de west-, noord- als oostzijde van de loods moet beplanting worden aangelegd die de loods grotendeels aan het zicht onttrekt. Uit de tekening blijkt dat, anders dan [appellant sub 2] stelt, ook aan de zijde van zijn woning natuur moet worden aangelegd, waardoor de loods deels aan het zicht van [appellant sub 2] zal worden onttrokken. Die beplantingsstrook aan de oostzijde kan niet geheel worden doorgetrokken, omdat de inrit van het perceel en de ingang van de loods zich aan de oostzijde van de loods bevinden. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid meer gewicht kunnen hechten aan de belangen die met de aanwezigheid en het gebruik van de inrit en ingang zijn gemoeid, dan aan het belang van [appellant sub 2] bij het geheel doortrekken van de beplantingsstrook.

Voor zover is aangevoerd dat de voorgeschreven landschappelijke inpassing aan de oostzijde niet uitvoerbaar is, overweegt de Afdeling het volgende. De bedoelde strook grond met de bestemming "Gemengd - Loon- en kraanverhuurbedrijf en schapenhouderij" heeft ten oosten van de voorziene loods een breedte van ongeveer 6,5 meter. Daaraan grenzen voorts gronden met de bestemming "Bos", welke bestemming niet in de weg staat aan de aanleg van opgaande beplanting. Gelet op de breedte van de gronden met de bestemming "Gemengd - Loon- en kraanverhuurbedrijf en schapenhouderij" en de bestemming van de daaraan grenzende gronden, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat een beplantingsstrook niet gerealiseerd kan worden, zonder dat een voldoende brede doorgang voor de voertuigen resteert.

De betogen falen.

Lichthinder

12. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat het plan ten onrechte niet voorziet in een lichtplan, zoals binnen de gemeente bestendig beleid is, omdat zij lichthinder ondervinden.

12.1. Ten aanzien van het aspect licht is in het deskundigenbericht vermeld dat [appellant sub 2] lichthinder kan ondervinden vanuit de bedrijfsbebouwing en van de lampen van de voertuigen, maar dat de afstand van 90 meter tussen het bedrijf en de woning maakt dat ernstige lichthinder niet te verwachten is. Omdat volgens het deskundigenbericht de voertuigen voornamelijk op de verharding aan de oostzijde van de bebouwing rijden en op het achterterrein, is lichthinder ter plaatse van de woning van [appellante sub 1] niet aannemelijk. Gelet op de afstand van de woning van [appellant sub 2] tot het bedrijfsperceel en gelet op de gedeeltelijke landschappelijke inpassing van de bebouwing, ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid van heeft kunnen afzien om ten behoeve van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat regels ter voorkoming van lichthinder in het plan op te nemen. Het betoog faalt.

Dierwelzijn

13. [appellante sub 1] voert voorts aan dat dierwelzijn ten onrechte niet bij de totstandkoming van het bestreden besluit is betrokken.

13.1. Zoals onder 8.3 van de tussenuitspraak is overwogen, is in paragraaf 3.2.1 van de plantoelichting van het op 7 november 2013 vastgestelde bestemmingsplan vermeld dat bij de totstandkoming van het plan onder meer rekening is gehouden met Europees beleid aangaande diergezondheid. Dat is in het op 25 juni 2015 gewijzigd vastgestelde plan niet anders. Het betoog dat de raad geen rekening heeft gehouden met het welzijn van dieren mist dan ook feitelijke grondslag.

Vergunningplicht voor werken

14. [appellant sub 2] voert aan dat op de gronden met de bestemming "Gemengd - Loon- en kraanverhuurbedrijf en schapenhouderij" geen vergunningplicht voor het uitvoeren van werken geldt, terwijl zo’n vergunningplicht op gronden met de bestemming "Agrarisch" wel geldt.

14.1. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen van een vergunningplicht voor het uitvoeren van werken op de gronden met de bestemming "Gemengd - Loon- en kraanverhuurbedrijf en schapenhouderij". [appellant sub 2] heeft niet concreet gemaakt voor welke werken een vergunningplicht had moeten gelden. Verder neemt de Afdeling hierbij in aanmerking dat de gronden de dubbelbestemming "Waarde - Reliëf kwelderwal, terpen en kruinige percelen" hebben, op grond waarvan het niet is toegestaan bepaalde werkzaamheden, zoals het ophogen van gronden, uit te voeren, omdat dit als met de bestemming strijdig gebruik is aangemerkt. Het betoog faalt.

Conclusie over het besluit van 25 juni 2015

15. Nu alsnog een maatbestemming aan het perceel [locatie 1] is toegekend, inzichtelijk is gemaakt wat de gevolgen van deze planregeling zijn voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de percelen van onder meer [appellante sub 1] en [appellant sub 2] en de raad zich gelet op hetgeen onder 10.1, 10.2, 10.2.1, 10.3, 11.1 en 12.1 is overwogen in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met deze maatbestemming gewaarborgd is, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht.

16. Gelet op al het voorgaande zijn de beroepen tegen het besluit van 25 juni 2015 ongegrond.

Proceskosten

17. De raad dient ten aanzien van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 2], voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Franekeradeel van 7 november 2013, gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Franekeradeel van 7 november 2013, kenmerk 13.202179, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" met de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - loon- en kraanbedrijf" en "specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel grondgebonden agrarisch bedrijf" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 1] te Tzummarum;

III. verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 2], voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Franekeradeel van 25 juni 2015, ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Franekeradeel tot vergoeding van de bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 1.049,74 (zegge: duizendnegenenveertig euro en vierenzeventig cent), waarvan een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellante sub 1];

b. € 1.049,74 (zegge: duizendnegenenveertig euro en vierenzeventig cent), waarvan een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 2];

V. gelast dat de raad van de gemeente Franekeradeel aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellante sub 1];

b. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 2].

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Poppelaars, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Poppelaars

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2016

780.