Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:725

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
201502650/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2015, heeft het college een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend aan [vergunninghouder] voor het wijzigen, uitbreiden en exploiteren van een melkveehouderij aan de [locatie] te Ysselsteyn (hierna: de Nbw-vergunning).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/655
Milieurecht Totaal 2016/6344
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502650/1/R2.

Datum uitspraak: 16 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de onderlinge waarborgmaatschappij Cooperatie Mobilisation for the Environment U.A., gevestigd te Nijmegen,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2015, heeft het college een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend aan [vergunninghouder] voor het wijzigen, uitbreiden en exploiteren van een melkveehouderij aan de [locatie] te Ysselsteyn (hierna: de Nbw-vergunning).

Tegen dit besluit heeft Mob beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2016, waar Mob, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door A.C.H. Lahaije, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft bij het bestreden besluit, dat is voorbereid met toepassing van Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), de Nbw-vergunning verleend.

2. Mob kan zich niet verenigen met dit besluit en brengt in dit verband een aantal beroepsgronden naar voren. Zij stelt onder meer dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de zienswijze die zij naar voren heeft gebracht.

3. Het college stelt dat geen geldige zienswijze naar voren is gebracht, zodat hiermee geen rekening hoefde te worden gehouden.

Ontvankelijkheid

4. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpbesluit ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn schriftelijk of mondeling zienswijzen naar voren worden gebracht bij het college.

Ingevolge artikel 2:15, eerste lid, van de Awb kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend.

5. Het ontwerpbesluit is blijkens de kennisgeving met ingang van 26 november 2014 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve op 6 januari 2015. In de kennisgeving staat dat schriftelijk of mondeling zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht. Hierbij is een postadres, respectievelijk een telefoonnummer vermeld.

Mob heeft beoogd een zienswijze bij het college naar voren te brengen. Deze is bij faxbericht van 29 december 2014, derhalve binnen de termijn, ingekomen bij het college.

Het college heeft bij brief van 15 januari 2015 Mob te kennen gegeven dat de digitale weg niet is opengesteld voor het naar voren brengen van zienswijzen tegen het ontwerpbesluit. Verder heeft het college bij deze brief Mob de gelegenheid geboden alsnog binnen twee weken een zienswijze in te dienen op een niet-elektronische wijze.

Mob heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

6. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen de Nbw vergunning door een belanghebbende die over het ontwerpbesluit geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

6.1. Uit het ontwerpbesluit en de kennisgeving hiervan, gelezen in samenhang met artikel 2:15, eerste lid, van de Awb blijkt dat een zienswijze hierover niet elektronisch naar voren kon worden gebracht. In tegenstelling tot wat Mob stelt, is het sturen van een faxbericht een elektronische wijze van verzenden (zie de memorie van toelichting bij de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer waarop artikel 2:15 van de Awb van toepassing is; Kamerstukken II 2001/02, 28 483, nr. 3, blz. 7). Gelet hierop behoefde het college het faxbericht van 29 december 2014 niet als een zienswijze aan te merken (vergelijk de uitspraak van 20 mei 2009, nr. 200807267/1/H3, rechtsoverweging 2.4.1). De door Mob genoemde omstandigheid dat het college het faxbericht in geprinte vorm op haar verzoek op grond van de Wet openbaarheid bestuur aan haar heeft toegezonden, maakt het faxbericht eveneens niet tot een niet-elektronische indiening.

6.2. Ten aanzien van de vraag of Mob redelijkerwijs niet kan worden verweten te hebben nagelaten een zienswijze te hebben ingediend, overweegt de Afdeling als volgt. Uit het faxbericht valt af te leiden dat daarmee wordt beoogd een zienswijze naar voren te brengen. Het bericht is verzonden naar het officiële faxnummer van het college. Als het college in een zodanig geval besluit het bericht niet als zienswijze aan te merken, dient het college de indiener van het bericht in de gelegenheid te stellen om alsnog een zienswijze in te dienen op een toegelaten wijze (vergelijk de uitspraak van 26 september 2012 in zaak nr. 201108509/1/R4, rechtsoverweging 3.1). Uit de brief van 15 januari 2015 blijkt dat het college deze mogelijkheid heeft geboden. Mob heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Dat Mob het onredelijk vindt dat het college na ontvangst van de fax die op papier is afgedrukt, alsnog een verzoek heeft gedaan om per brief een zienswijze in te dienen, doet hieraan niet af. Het college heeft hiermee immers gehandeld naar de vereisten die in de wet en de (voormelde) jurisprudentie zijn gesteld en Mob was in de gelegenheid om alsnog mondeling (telefonisch) of schriftelijk (per post) een zienswijze in te dienen.

De Afdeling ziet hierin, noch anderszins aanleiding voor het oordeel dat Mob redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

6.3. Mob heeft geen zienswijze ingediend en evenmin is van omstandigheden gebleken op grond waarvan haar dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Derhalve kan zij geen beroep instellen tegen de Nbw-vergunning. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Proceskostenveroordeling

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.

w.g. Hagen

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2016

723.