Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:715

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
201504404/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, rotonde Borculoseweg Neede 2014" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2016/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504404/1/R2.

Datum uitspraak: 16 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Neede, gemeente Berkelland,

en

de raad van de gemeente Berkelland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, rotonde Borculoseweg Neede 2014" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad van de gemeente Berkelland heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2016, waar [appellant] en anderen, bij monde van [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door E.J.E.M. Spanjaard en B.J. Heinneman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting het college van gedeputeerde staten van Gelderland, eigenaar van de gronden in het plangebied en wegbeheerder van het traject, vertegenwoordigd door B.J. van Ginkel, werkzaam bij de provincie, gehoord.

Buiten bezwaar van partijen zijn ter zitting door [appellant] nog stukken in geding gebracht.

Overwegingen

Het plan

1. Met het plan wordt het planologisch mogelijk gemaakt de bestaande kruising aan de G.L. Rutgersweg, Rondweg en de Borculoseweg te vervangen door een rotonde.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Ontvankelijkheid

3. De raad stelt dat de ondertekenaars van de zienswijze en de beroepschriften verschillende personen zijn. Zij stellen dat de ondertekenaars van het beroepschrift die de zienswijze niet hebben ondertekend niet-ontvankelijk zijn.

3.1. Het beroepschrift van [appellant] en anderen is ingediend door [appellant], [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E], [appellant F], [appellant G], [appellant H], [appellant I], [appellant J], [appellant K], [appellant L], [appellant M], [appellant N], [appellant O], [appellant P], [appellant Q], [appellant R], [appellant S], [appellant T], [appellant U], [appellant V], [appellant W], [appellant X], [appellant Y], [appellant Z], [appellant AA], [appellant AB], [appellant AC], [appellant AD] en [appellant AE].

3.2. In het beroepschrift is verwezen naar een petitie met betrekking tot de N315 ingediend door 225 aanwonende gezinnen. Na de beroepstermijn is een petitie met namen, die eerder aan de raad is aangeboden, toegestuurd. Tevens zijn na de beroepstermijn nog verscheidene machtigingen overgelegd van ondertekenaars van de petitie.

3.3. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het bezwaar- en beroepschrift ondertekend en bevat het ten minste onder meer de naam en het adres van de indiener.

Ingevolge artikel 6:6, onder a, kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van bezwaar of beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

3.4. De Afdeling overweegt dat de omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een personen van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, niet kan worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. De artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb strekken er niet toe het mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. De in de artikelen 8:1 in samenhang met 6:7 en 6:11 van de Awb neergelegde regeling van de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degene voor wie beroep wordt ingesteld voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn.

3.5. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om het beroep, voor zover dat moet worden geacht te zijn ingesteld namens de ondertekenaars van de petitie van wie machtigingen zijn overgelegd, ontvankelijk te verklaren.

3.6. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 29 oktober 2014 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve op 9 december 2014.

[appellant], [appellant G], [appellant L], [appellant D], [appellant H], [appellant I], [appellant X], [appellant AB], [appellant O], [appellant Y], [appellant AA], [appellant Q], [appellant P] en [appellant S] hebben zienswijzen naar voren gebracht.

[appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant E], [appellant F], [appellant J], [appellant K], [appellant M], [appellant N], [appellant R], [appellant T], [appellant U], [appellant V], [appellant W], [appellant Z], [appellant AC], [appellant AD] en [appellant AE] hebben geen zienswijze naar voren gebracht.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Derhalve is het beroep van [appellant] en anderen niet-ontvankelijk voor zover ingesteld door [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant E], [appellant F], [appellant J], [appellant K], [appellant M], [appellant N], [appellant R], [appellant T], [appellant U], [appellant V], [appellant W], [appellant Z], [appellant AC], [appellant AD] en

[appellant AE].

3.7. De raad stelt voorts dat een groot deel van de indieners van het beroepschrift niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat zij niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt.

3.8. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.9. De wetgever heeft deze eis gesteld om te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

3.10. [appellant], [appellant D], [appellant H], [appellant I], [appellant X], [appellant AB], [appellant O], [appellant Y], [appellant AA],

[appellant Q], [appellant P] en [appellant S] wonen op afstanden van ongeveer 430 m tot 3 km van het plangebied. Niet is gebleken dat zij vanuit hun woningen zicht hebben op het plangebied. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die binnen het plangebied mogelijk wordt gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

Voorts hebben [appellant], [appellant D], [appellant H], [appellant I], [appellant X], [appellant AB], [appellant O], [appellant Y], [appellant AA], [appellant Q], [appellant P] en [appellant S] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Dat zij aan de N315 of in de directe omgeving van de N315 wonen is daarvoor onvoldoende reeds omdat niet aannemelijk is dat de met het plan voorziene rotonde van invloed is op het aantal verkeersbewegingen op de N315.

De conclusie is dat [appellant], [appellant D], [appellant H], [appellant I], [appellant X], [appellant AB], [appellant O], [appellant Y], [appellant AA], [appellant Q], [appellant P] en [appellant S] geen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen. Het beroep is niet-ontvankelijk.

3.11. Het voorgaande betekent dat uitsluitend het beroep voor zover ingesteld door [appellant G] en [appellant L] ontvankelijk is.

Formeel bezwaar

4. [appellant G] en [appellant L] betogen dat de besluitvorming met betrekking tot het plan onzorgvuldig is geweest. Zij betogen daartoe dat de informatievoorziening naar omwonenden onzorgvuldig is geweest en dat onvoldoende overleg met hen is gevoerd. Tevens betogen zij dat ten onrechte niet dan wel niet volledig is gereageerd op zienswijzen, brieven mails en een petitie.

4.1. Zoals in overweging 3.6 is overwogen is het ontwerpplan in overeenstemming met de wettelijke vereisten ter inzage gelegd. Tevens is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de kennisgeving van de terinzagelegging. In de Wet ruimtelijke ordening, noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerp voor een bestemmingsplan. Niet is gebleken dat de informatievoorziening omtrent het ontwerpplan niet op de door de wet voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.

4.2. [appellant G] en [appellant L] hebben schriftelijke zienswijze ingediend. Tevens is een mondelinge zienswijze ingediend. Daarover heeft de raad in de zienswijzennota opgemerkt dat mondeling geen argumenten zijn genoemd die niet terugkomen in de schriftelijke ingediende zienswijze. In de zienswijzennota van januari 2015 is vervolgens op de zienswijze ingegaan. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten die naar voren zijn gebracht in de zienswijze, niet in de overwegingen zijn betrokken.

4.3. De Afdeling merkt ten slotte nog op dat voor zover de beroepsgrond betrekking heeft op mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit, deze om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kunnen aantasten.

4.4. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het besluit in zoverre is voorbereid in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De betogen falen.

Belangenverstrengeling en vooringenomenheid

5. [appellant G] en [appellant L] betogen dat de schijn van vooringenomenheid is gewekt omdat de raad onvoldoende betrokken is geweest bij de besluitvorming en omdat de raad onder druk van bestuurlijke- en ambtelijke afspraken met de provincie Gelderland met betrekking tot de reconstructie van de N315 tot besluitvorming omtrent het plan is gekomen. Daarbij heeft de raad onvoldoende oog gehad voor de belangen van zijn burgers.

5.1. Ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid.

5.2. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant G] en [appellant L] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat in dit geval artikel 2:4, eerste lid, van de Awb is geschonden. De omstandigheid dat de raad een groot gewicht heeft toegekend aan belangen van de veiligheid voor met name het fietsverkeer, de doorstroming van het verkeer met name vanuit Noordijk en Neede en de rijtijden voor het Openbaar Vervoer van Neede naar Borculo, die als uitgangspunt hebben gediend bij het plan, is ontoereikend voor het oordeel dat de raad vooringenomen was. De vaststelling van een bestemmingsplan vergt immers een belangenafweging, waarbij ook andere belangen dan die van omwonenden een rol spelen. Het betoog faalt.

Planbegrenzing

6. [appellant G] en [appellant L] betogen dat ten gevolge van het Tracébesluit "N18 Varsseveld - Enschede", waarbij dit tracé is aangesloten op de N315, het aantal verkeersbewegingen op de N315 toeneemt. Zij stellen dat aanpassingen aan de N315 plaatsvinden als gevolg van het Tracébesluit. Het aanleggen van de rotonde is hier onderdeel van. Gelet hierop had een plan moeten worden vastgesteld voor alle voorziene reconstructies aan de N315 en mag dit plan niet worden afgesplitst.

6.1. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

6.2. In hetgeen [appellant G] en [appellant L] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het aanleggen van de rotonde staat op zichzelf en dient een eigen belang, namelijk het verbeteren van de verkeersveiligheid voor met name het fietsverkeer en het verbeteren van de doorstroming van het verkeer uit met name de richtingen Noordijk en Neede en de verkorting van rijtijden voor het openbaar vervoer van Neede naar Borculo. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de rotonde zal worden aangelegd ongeacht of de overige voorgenomen aanpassingen aan de N315 doorgang vinden. [appellant G] en [appellant L] hebben geen argumenten naar voren gebracht waaruit is gebleken dat er sprake is van een zodanige samenhang met de voorziene overige aanpassingen aan de N315, dat die in dit plan moesten worden meegenomen. Het betoog faalt.

7. Voor zover [appellant G] en [appellant L] vrezen voor toenemende overlast wegens de toename van verkeer ten gevolge van het Tracébesluit N18 en de voorziene aanpassingen aan de N315 en in dat verband verwijzen naar onder meer een herzieningsverzoek aangaande het Tracébesluit, wordt overwogen dat die gronden zich niet richten tegen het besluit tot vaststelling van het plan. De betogen falen reeds daarom.

Geluid

7.1. [appellant G] en [appellant L] betogen dat de raad niet heeft onderkend dat de rotonde leidt tot onevenredige toename van verkeerslawaai en motorgeluid. Dit is onwenselijk voor omwonenden. De Höfteweg is ten onrechte niet meegenomen in het geluidsonderzoek terwijl zich hier wel gevoelige objecten, namelijk woningen, bevinden.

7.2. De raad stelt zich op het standpunt dat het geluid geen belemmering vormt voor het vaststellen van het plan. Hij verwijst in dat verband naar het geluidsonderzoek dat is uitgevoerd door DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. waarvan de resultaten zijn opgenomen in een akoestisch rapport van 10 april 2014 (hierna: het akoestisch onderzoek).

7.3. Voor wat betreft de gevolgen voor geluid is in de plantoelichting in navolging van het akoestisch onderzoek het volgende aangegeven. Voor de aanleg van de rotonde is de geluidbelasting vanwege deze rotonde getoetst aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Voor zes woningen is sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, waarvoor het treffen van geluidmaatregelen op doelmatigheid is onderzocht. Het toepassen van een stil wegdektype nabij een rotonde is niet mogelijk vanwege de snelle slijtage door remmend, afslaand en optrekkend verkeer, aldus de raad.

Door het plaatsen van een geluidscherm tussen de parallelweg en de woningen aan de Oude Borculoseweg valt de toename van het geluid geheel weg. Het te plaatsen scherm heeft een hoogte van 4,50 meter over een lengte van 70 meter. Voor de woningen Oude Borculoseweg 8 t/m 16 is na plaatsing van een scherm geen hogere grenswaarde nodig. Het plaatsen van een geluidscherm bij de woning Rondweg 20 stuit op ruimtelijke bezwaren. Voor deze woning is om die reden een hogere grenswaarde vastgesteld.

7.4. Anders dan [appellant G] en [appellant L] betogen is ook voor de Höfteweg onderzocht wat de geluidsbelasting is als gevolg van het plan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich gelet op de uitkomsten van het akoestisch onderzoek in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verwezenlijking van het plan niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het plan is voorzien in het oprichten van een geluidscherm binnen de bestemming "Groen".

Alternatieven

8. [appellant G] en [appellant L] vrezen dat de rotonde de doorstroming van verkeer op de N315 onevenredig belemmerd. Zij betogen dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar mogelijke alternatieven voor de rotonde. Daarbij hebben zij gewezen op het aanleggen van een fietstunnel. Ook is gewezen op een alternatieve omleidingsroute voor de N315 waardoor de rotonde niet nodig is.

8.1. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden betrokken.

8.2. De raad heeft toegelicht dat de minister in een inmiddels onherroepelijk Tracébesluit heeft besloten om de N18 op de N315 aan te sluiten. Dit is voor de toekomstige ontsluiting van Neede en de Achterhoek een gegeven. Mogelijke alternatieve omleidingsroutes, wat daar ook van zij, zijn volgens de raad daarom niet aan de orde. Gelet op het feit dat het plan ziet op het mogelijk maken van een rotonde om de verkeersveiligheid en doorstroming van het verkeer te garanderen is onderzoek naar alternatieve routes naar het oordeel van de Afdeling niet vereist.

8.3. Ten aanzien van een fietstunnel is door het college van gedeputeerde staten ter zitting naar voren gebracht dat een tunnel vanuit kostentechnisch oogpunt pas aan de orde is bij minimaal 800 fietsers per etmaal en dat dit aantal op deze locatie niet wordt behaald. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onder deze omstandigheden de voor- en nadelen van alternatieven voldoende in de afweging betrokken. Het betoog faalt.

8.4. Het beroep voor zover ingediend door [appellant G] en [appellant L] is ongegrond.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant] en anderen voor zover ingesteld door [appellant], [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E], [appellant F], [appellant H], [appellant I], [appellant J], [appellant K], [appellant M], [appellant N], [appellant O], [appellant P], [appellant Q], [appellant R], [appellant S], [appellant T], [appellant U], [appellant V], [appellant W], [appellant X], [appellant Y], [appellant Z], [appellant AA], [appellant AB], [appellant AC], [appellant AD] en [appellant AE] en voor zover het moet worden geacht te zijn ingesteld namens de ondertekenaars van de petitie, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep voor zover ingesteld door [appellant G] en [appellant L] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2016

224.