Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:696

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
201504459/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2014 heeft de staatssecretaris aan [appellant] medegedeeld dat hij de aanvraag om wijziging van de geslachtsnaam van zijn dochters [naam dochter A] en [naam dochter B] (hierna: de dochters) in "[naam van de moeder]" voor inwilliging in aanmerking zal doen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504459/1/A3.

Datum uitspraak: 16 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 april 2015 in zaak nr. 14/3797 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2014 heeft de staatssecretaris aan [appellant] medegedeeld dat hij de aanvraag om wijziging van de geslachtsnaam van zijn dochters [naam dochter A] en [naam dochter B] (hierna: de dochters) in "[naam van de moeder]" voor inwilliging in aanmerking zal doen komen.

Bij besluit van 5 augustus 2014 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 augustus 2014 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[de moeder] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. D.E. Post, werkzaam bij advocatenkantoor J.J.C. Engels, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. V.N. Chaudron, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen. Voorts is de moeder, bijgestaan door mr. E.B. Warmerdam-Wolfs, advocaat te Alkmaar, ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1:7, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.

Ingevolge het vijfde lid worden bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld betreffende de gronden, waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als bedoeld in het eerste lid en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit geslachtsnaamswijziging (hierna: het Besluit) wordt op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht, de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder gewijzigd in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam het kind niet heeft, indien deze ouder na de ontbinding van het huwelijk of de verbreking van de buitenhuwelijkse samenleving met de andere ouder gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed.

Ingevolge het tweede lid is ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, het eerste lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn van verzorging en opvoeding dan ten minste vijf jaren bedraagt.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder d, onder 3°, wordt het verzoek afgewezen, indien een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamswijziging van de minderjarige jonger dan twaalf jaren, tenzij verzoekers aantonen dat de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam, waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent, en het kind niet meer dan gedurende een vierde deel van de periode voorafgaande aan de termijn van verzorging en opvoeding, bedoeld in het tweede lid, in gezinsverband hebben samengeleefd.

2. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich bij besluit van 5 augustus 2014 terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] en zijn dochters niet in gezinsverband hebben samengeleefd, nu uit de Gemeentelijke Basisadministratie (thans: basisregistratie personen, hierna: BRP) blijkt dat [appellant] en zijn dochters nooit op hetzelfde adres stonden ingeschreven. Zij hebben derhalve niet in gezinsverband samengeleefd. De rechtbank heeft het besluit van 5 augustus 2014 vernietigd, omdat de staatssecretaris naar haar oordeel niet alle relevante feiten en rechtstreeks betrokken belangen bij de besluitvorming had betrokken. Nu [appellant] in procedures over omgang met zijn dochters geen medewerking verleent aan nader onderzoek naar zijn psychische gesteldheid, is er volgens de rechtbank geen aanleiding om in de nabije toekomst een verbetering van het contact tussen hem en zijn dochters te verwachten. Voorts is gebleken dat de moeder het ouderlijk gezag over de dochters heeft, dat zij sinds hun geboorte bij de moeder wonen, dat zij weten wie hun vader is en dat de moeder het contact tussen [appellant] en zijn dochters niet belemmert. Volgens de rechtbank is het in het belang van de dochters om de aanvraag om geslachtsnaamswijziging voor inwilliging in aanmerking te doen komen. Zij heeft hierin aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het besluit van 5 augustus 2014 in stand te laten.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 5 augustus 2014 in stand heeft gelaten. Daartoe voert hij aan dat hij weliswaar niet met zijn dochters heeft samengewoond, maar hij wel dagelijks bij hen verbleef. Voorts voert hij aan dat het niet in het belang van zijn dochters is om hun naam te wijzigen, nu zij aan de naam [naam van appellant] gewend zijn en zij ten tijde van het besluit van 5 augustus 2014 jonger dan twaalf jaar waren. Bij geboorte van de dochters hebben hij en de moeder bewust voor de naam [naam van appellant] gekozen.

3.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2010 in zaak nr. 200905745/1/H3 volgt dat voor beantwoording van de vraag of betrokkenen in gezinsverband hebben samengeleefd, in beginsel mag worden uitgegaan van de in de BRP opgenomen informatie. Indien vaststaat dat betrokkenen tijdens de van belang zijnde periode niet als samenwonend in de BRP ingeschreven hebben gestaan, is het aan de betrokkene die stelt wel in die periode te hebben samengeleefd om dat aannemelijk te maken. Zoals de Afdeling voorts in de voormelde uitspraak van 20 januari 2010 heeft overwogen, wordt onder gezin verstaan "het samenwonen van twee of meer personen" en is het voor samenleven in gezinsverband als bedoeld in het Besluit derhalve noodzakelijk dat wordt samengewoond.

Uit de BRP blijkt dat [appellant] en zijn dochters nooit op hetzelfde adres stonden ingeschreven. Met de enkele stelling dat hij dagelijks bij zijn dochters verbleef, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij met hen in gezinsverband heeft samengewoond. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] en zijn dochters niet in gezinsverband hebben samengeleefd.

3.2. Ter zitting van de Afdeling heeft de moeder gesteld dat de dochters haar naam reeds gebruiken. Zodoende betwist zij dat de dochters gewend zijn om de naam [appellant] te gebruiken. Dat de dochters jonger dan twaalf jaar waren en bij hun geboorte bewust voor de naam [appellant] is gekozen, is onvoldoende om het oordeel van de rechtbank, dat het in het belang van de dochters is om de aanvraag om geslachtsnaamswijziging voor inwilliging in aanmerking te doen komen, te weerleggen.

3.3. Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2016

317-819.