Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:695

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
201504141/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:2674, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2014 heeft het college besloten tot invordering van een bedrag van € 4.000,00 van een door [appellante] verbeurde dwangsom van € 20.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504141/1/A2.

Datum uitspraak: 16 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Haarlem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 april 2015 in zaak nr. 14/4777 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2014 heeft het college besloten tot invordering van een bedrag van € 4.000,00 van een door [appellante] verbeurde dwangsom van € 20.000,00.

Bij besluit van 26 juni 2014 heeft het college besloten tot invordering van het resterende bedrag van € 16.000,00 van een door [appellante] verbeurde dwangsom van € 20.000,00.

Bij besluit van 7 oktober 2014 heeft het college het door [appellante] tegen voormelde besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep ingesteld. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep doorgezonden naar de Raad van State.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2016, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.S.M. Vringer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het geschil gaat over de invordering van een dwangsom.

1.1. [appellante] was houdster van [kindercentrum] aan de [locatie] te Haarlem, alwaar zij een kinderdagverblijf exploiteerde en buitenschoolse opvang aanbood.

Bij besluit van 29 mei 2013 heeft het college aan [appellante] een preventieve last onder dwangsom opgelegd, vanwege eerdere overtredingen van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wko) door [appellante] als houdster van het kindercentrum. In dit besluit zijn een aantal overtredingen van de Wko vermeld, waaronder het ontbreken van een verklaring omtrent gedrag (VOG), het ontbreken van een actuele risico-inventarisatie (RIE) gezondheid en een actuele RIE veiligheid. Bij dit besluit is voorts bepaald dat, indien niet aan de last wordt voldaan, een dwangsom wordt verbeurd van € 10.000,00 voor de eerste geconstateerde overtreding, een dwangsom van € 20.000,00 voor de tweede geconstateerde overtreding en een dwangsom van € 30.000,00 voor de derde geconstateerde overtreding. Het maximum van de op grond van dit besluit te verbeuren dwangsommen bedraagt € 60.000,00.

[appellante] heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen het besluit van 29 mei 2013. Dat betekent dat dit besluit in rechte onaantastbaar is. De rechtmatigheid van dit besluit is in deze procedure niet aan de orde.

Naar aanleiding van een geconstateerde overtreding heeft het college bij besluit van 15 juli 2013 een bedrag van € 3.000,00 ingevorderd van een door [appellante] verbeurde dwangsom van € 10.000,00, in verband met een eerste overtreding.

Op 27 februari 2014 heeft een inspectie door de Gemeenschappelijke gezondheidsdienst (GGD) Kennemerland plaatsgevonden bij ’t Zonnetje. Bij de inspectie is onder meer geconstateerd dat [appellante] slechts beschikt over een VOG voor pedagogisch medewerkster die dateert van januari 2012 en dat zij aldus niet voldoet aan het in artikel 3.8g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko neergelegde vereiste dat, kort gezegd, de houder van een kindercentrum dient te beschikken over een VOG die niet ouder is dan twee jaar. In het besluit van 17 juni 2014 is vermeld dat de toezichthouder tijdens de inspectie [appellante] heeft aangezegd dat de vereiste VOG alsnog binnen twee weken moest worden overgelegd.

Het college heeft aan het besluit van 17 juni 2014 ten grondslag gelegd dat [appellante] de vereiste VOG niet heeft overgelegd en dat zij daarom in strijd handelt met de bij het besluit van 29 mei 2013 opgelegde last. Het college heeft een dwangsom ten bedrage van € 20.000,00 verbeurd verklaard - nu het gaat om een tweede overtreding van het besluit van 29 mei 2013 - en daarvan € 4.000,00 ingevorderd. In dit besluit is verder vermeld dat, indien [appellante] niet voor 23 juni 2014 de vereiste VOG heeft overgelegd en de overige tijdens de inspectie van 27 februari 2014 geconstateerde overtredingen niet heeft beëindigd, het resterende bedrag van € 16.000,00 zal worden ingevorderd. Het college heeft [appellante] tevens de keuze geboden om voor 23 juni 2014 de exploitatie van het kindercentrum te staken en gestaakt te houden.

Het college heeft bij besluit van 26 juni 2014 het resterende bedrag van € 16.000,00 ingevorderd, omdat [appellante] noch de exploitatie van het kindercentrum heeft gestaakt, noch de vereiste VOG heeft overgelegd.

In het besluit op bezwaar van 7 oktober 2014 heeft het college de besluiten van 17 en 26 juni 2014 gehandhaafd. De rechtbank heeft het standpunt van het college gevolgd.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit tot invordering op een ondeugdelijke grondslag berust. [appellante] voert daartoe aan dat zij ten tijde van de inspectie door de GGD in het bezit was van een VOG, omdat deze niet is ingetrokken.

2.1. Dit betoog faalt. Anders dan [appellante] veronderstelt, heeft het college in de invorderingsbesluiten van 17 en 26 juni 2014 niet het standpunt ingenomen dat de VOG is ingetrokken. Het college heeft in navolging van de GGD het standpunt ingenomen dat [appellante] als houder van een kindercentrum moet beschikken over een VOG die niet ouder is dan twee jaar. Vaststaat dat [appellante] ten tijde van het besluit van 17 juni 2014 niet de vereiste VOG aan het college heeft overgelegd. Reeds daarom heeft zij niet voldaan aan de bij besluit van 29 mei 2013 opgelegde last onder dwangsom, zodat de in de invorderingsbesluiten vermelde dwangsommen zijn verbeurd.

3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 april 2013 in zaak nr. 201207413/1/A1), dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003-2004, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

3.1. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college op grond van bijzondere omstandigheden van invordering had moeten afzien. [appellante] heeft aangevoerd dat concreet zicht op legalisatie bestond, aangezien zij in onderhandeling was met een derde over overname van het kindercentrum en zij een aanvraag om een VOG had ingediend. Verder kon als gevolg van overmacht niet tijdig aan de last worden voldaan. De overdracht van het kindercentrum en de aanvraag om een VOG namen veel tijd in beslag en dat kan haar niet worden verweten, aldus [appellante].

3.2. Met hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over concreet zicht op legalisatie, wat daar verder ook van zij, richt zij zich tegen de bij besluit van 29 mei 2013 opgelegde last onder dwangsom. Zij kan deze grond niet meer met succes inbrengen tegen het besluit inzake de invordering (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2012 in zaak nr. 201110634/1/A1). Voorts heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat het college de door [appellante] gestelde overmachtssituatie, wat daar verder ook van zij, niet heeft hoeven aanmerken als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan van invordering kan worden afgezien, reeds omdat [appellante] de aanvraag om een VOG eerst op 26 maart 2014 - geruime tijd nadat zij door de toezichthouder erop is gewezen dat haar VOG niet langer voldeed - heeft ingediend en de gevraagde VOG uiteindelijk is geweigerd. Het betoog faalt.

4. De conclusie is dat, nu [appellante] niet heeft voldaan aan de eerder opgelegde last onder dwangsom en het hier gaat om een tweede overtreding, de dwangsom van € 20.000,00 is verbeurd. Er zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van invordering had moeten afzien. Het college mocht daarom overgaan tot invordering van dit bedrag.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Koster

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2016

710.