Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:688

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
201504716/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:8234, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen, voor zover thans van belang, het aan [appellante] voor het jaar 2012 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504716/1/A2.

Datum uitspraak: 16 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 juni 2015 in zaak nr. 14/1921 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen, voor zover thans van belang, het aan [appellante] voor het jaar 2012 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 21 mei 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen, voor zover thans van belang, het aan [appellante] voor het jaar 2013 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 19 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] tegen voormelde besluiten gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 10 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2016, waar [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij die dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het geschil gaat over de vraag of [appellante] tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 8 mei 2013 en 21 mei 2013. Bij die besluiten heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag voor berekeningsjaar 2012, respectievelijk voor berekeningsjaar 2013, herzien en vastgesteld op nihil.

1.1. Tegen de besluiten van 8 mei 2013 en 21 mei 2013 heeft [appellante] op 14 mei 2014 een bezwaarschrift ingediend. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het bezwaar bij besluit van 19 augustus 2014 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift is ontvangen na afloop van de termijn voor het indienen ervan. In hetgeen [appellante] heeft gesteld, heeft de Belastingdienst/Toeslagen geen aanleiding gezien het bezwaar inhoudelijk te behandelen.

[appellante] heeft bij de rechtbank aangevoerd dat zij eerder en tijdig bezwaar heeft gemaakt. De Belastingdienst/Toeslagen heeft verklaard niet eerder een bezwaarschrift van [appellante] tegen de besluiten van 8 mei 2013 en 21 mei 2013 te hebben ontvangen. De rechtbank heeft [appellante] in de gelegenheid gesteld stukken waaruit blijkt dat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt, over te leggen. In de aangevallen uitspraak is overwogen dat uit de door [appellante] overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat zij eerder bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Ingevolge artikel 35 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen vangt, in afwijking van artikel 6:8 van de Awb, de termijn voor het instellen van bezwaar aan op de dag na die van dagtekening van de beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.

3. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 22 juni 2011 in zaak nr. 201101448/2/R1 en de uitspraak van 8 februari 2012 in zaak nr. 201107965/1/A3) wordt overwogen dat in een geval waarin het bestuursorgaan stelt een bezwaarschrift niet te hebben ontvangen, het op de weg ligt van degene die stelt dat geschrift te hebben verzonden om aannemelijk te maken dat hij het geschrift ter post heeft bezorgd dan wel heeft afgegeven, bijvoorbeeld aan de hand van verklaringen van getuigen. De enkele stelling dat het geschrift ter post is bezorgd of is afgegeven, is daartoe onvoldoende.

3.1. [appellante] heeft een brief van 23 mei 2012, waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het besluit van 8 mei 2013, en een brief van 6 juni 2013, waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het besluit van 21 mei 2013, overgelegd. De Belastingdienst/Toeslagen heeft gesteld deze brieven niet te hebben ontvangen. [appellante] heeft in hoger beroep haar stelling dat zij deze brieven per post heeft verstuurd, herhaald. Zij heeft hiervan echter geen bewijs aangedragen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft zij aldus de terpostbezorging van deze brieven niet aannemelijk gemaakt

Het door de Belastingdienst/Toeslagen ontvangen bezwaarschrift van 14 mei 2014 is niet binnen de termijn voor het maken van bezwaar ingediend. Nu voorts niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellante] in verzuim is geweest, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Gelet op het voorgaande komt de Afdeling niet toe aan een inhoudelijke bespreking van de gronden van bezwaar van [appellante]. Daarvoor is vereist dat tijdig bezwaar is gemaakt en dat is niet het geval.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Koster

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2016

710.