Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:674

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
201505180/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:3266, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2014 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend optreden dat ziet op het perceel [locatie 1] te Roosendaal afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505180/1/A1.

Datum uitspraak: 16 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Roosendaal,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 mei 2015 in zaak nr. 14/7466 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2014 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend optreden dat ziet op het perceel [locatie 1] te Roosendaal (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 4 november 2014 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door Y. Bons, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] woont op het perceel [locatie 2] te Roosendaal. Bij brief van 1 april 2013 heeft zij onder andere verzocht om handhavend op te treden tegen de activiteiten die plaatsvinden op het naastgelegen perceel. Volgens [appellante] is ter plaatse een depot voor de verspreiding van drukwerk aanwezig.

De brief van 1 april 2013 bevat naast een verzoek om handhavend op te treden ook bedenkingen die door [appellante] naar voren worden gebracht in verband met een aanvraag om omgevingsvergunning voor het vergroten van de woning en een carport op het perceel. De omgevingsvergunning en de bedenkingen daartegen zijn in een aparte procedure behandeld. Op 1 april 2015 heeft de Afdeling in die zaak met zaak nr. 201405195/1/A1 uitspraak gedaan.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het verzoek om handhavend op te treden tegen de activiteiten die plaatsvinden in de woning en de bijgebouwen, garage en afgesloten carport behorende bij de woning op het perceel, terecht heeft afgewezen. Volgens haar kunnen de controlerapporten van 20 januari 2014 en 23 september 2014 de conclusie, dat daar geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden, onvoldoende dragen. Daartoe voert zij aan dat het rapport van 20 januari 2014 gebreken bevat. Verder wordt volgens [appellante] in de controlerapporten vermeld dat er geen kratten zijn waargenomen terwijl deze wel op de foto aanwezig zijn.

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kroeven" rust op het perceel de bestemming "Wonen-2".

Ingevolge artikel 14.5.1 van de planregels is het niet toegestaan om gebouwen en andere bouwwerken te gebruiken voor een aan-huis-gebonden-beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.

2.2. Voor zover het rapport van 20 januari 2014 gebreken zou bevatten, wordt overwogen dat daaraan voorbij wordt gegaan, reeds omdat het rapport van 23 september 2014 geen gebreken bevat en daaruit niet volgt dat de woning wordt gebruikt voor bedrijfsmatige activiteiten in de vorm van een depot voor de verspreiding van drukwerk. Hierbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

Ter zitting is door het college toegelicht dat tijdens de controle door een toezichthouder van de gemeente op 20 januari 2014 door de bewoner van het perceel is verteld dat door de firma Sandd ongeveer twee keer per week drie tot vijf kratten post worden bezorgd, die daarna in de keuken worden gesorteerd en bezorgd vanuit de woning. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze activiteiten op zichzelf niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Het college heeft ter zitting verder gezegd dat een depot voor de verspreiding van drukwerk op het perceel wel in strijd is met het bestemmingsplan en dat daartegen handhavend zal worden opgetreden. [appellante] heeft slechts gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat ter plaatse een depot voor de verspreiding van drukwerk aanwezig is. De eerst ter zitting door [appellante] getoonde foto van een stapel tijdschriften op het perceel is daartoe onvoldoende. Dat op een foto bij het rapport van 23 september 2014 een stapel lege kratten is afgebeeld, is, anders dan [appellante] betoogt, evenmin reden voor dat oordeel. Het is niet uitgesloten dat deze kratten de door Sandd geleverde kratten zijn. Daarbij komt dat deze kratten ook met een ander doel dan opslag ten behoeve van een depot voor de verspreiding van drukwerk ter plaatse aanwezig kunnen zijn. Het feit dat op het perceel volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel het bedrijf "West Brabant Verspreidingen" is gevestigd, maakt, anders dan [appellante] betoogt, ook niet dat reeds daarom ter plaatse bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden. Het komt immers vaker voor dat bedrijven zijn gevestigd op een woonadres, hetgeen niet betekent dat per definitie vanaf dat adres bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd. Daarbij komt dat, zoals ter zitting door het college is toegelicht, er depotwerkzaamheden worden uitgevoerd vanuit een café in de buurt. Nu [appellante] enkel heeft gesteld en niet nader gemotiveerd dat ter plaatse in strijd met het bestemmingsplan bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college het verzoek om handhavend op te treden terecht heeft afgewezen.

Het betoog faalt.

3. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij in haar belangen is geschaad nu de behandeling van het verzoek om handhavend op te treden lange tijd op zich heeft laten wachten. Verder is zij in haar belangen geschaad, omdat het college heeft nagelaten naar aanleiding van haar verzoek kennis te vergaren over de situatie op het perceel en had het college deze informatie moeten meenemen in zijn besluitvorming met betrekking tot de aangevraagde omgevingsvergunning voor het vergroten van de woning en de carport op het perceel, aldus [appellante].

3.1. Ter zitting bij de rechtbank is door het college erkend dat de behandeling van het verzoek lang op zich heeft laten wachten. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat een besluit op zichzelf niet onrechtmatig is doordat het te lang op zich heeft laten wachten. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat [appellante], indien naar haar mening het besluit van het college te lang uitbleef, een beroep wegens niet tijdig beslissen had kunnen instellen. Voorts heeft het college met de behandeling van het verzoek alsnog controles uitgeoefend op het perceel en deze controles bij de besluitvorming omtrent de aangevraagde omgevingsvergunning voor het vergroten van de woning en de carport op het perceel betrokken. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat [appellante] ten aanzien daarvan niet in haar belangen is geschaad.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2016

374-776.