Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:665

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
201600207/1/A1 en 201600207/2/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:7079, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 november 2014 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de door [appellant sub 2] in afwijking van de aan hem verleende bouwvergunning op het perceel [locatie 1] te Heeze gebouwde winkel en werkplaats.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/217
JB 2016/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600207/1/A1 en 201600207/2/A1.

Datum uitspraak: 1 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op de hoger beroepen van:

1. het college,

2. [appellant sub 2], wonend te Heeze, gemeente Heeze-Leende,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 december 2015 in zaak nr. 15/2342 in het geding tussen:

[appellant sub 2],

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2014 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de door [appellant sub 2] in afwijking van de aan hem verleende bouwvergunning op het perceel [locatie 1] te Heeze gebouwde winkel en werkplaats.

Bij besluit van 2 juli 2015 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 19 november 2014 herroepen en [appellant sub 2] alsnog gelast om de afwijking van de aan hem op 23 augustus 2010 verleende bouwvergunning ongedaan te maken en te houden.

Bij uitspraak van 14 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 juli 2015 vernietigd en het college opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 februari 2016, waar het college, vertegenwoordigd door H.J.M. Marcus, en [appellant sub 2] en [partner] van [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J.T.F. Van Berkel, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door M.G.J. Koenen, ter zitting gehoord.

Overwegingen

Toepassing artikel 8:86 van de Awb

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. [appellant sub 2], het college en [belanghebbende] hebben ter zitting van de voorzieningenrechter desgevraagd te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen de toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb inzake de hoger beroepen van [appellant sub 2] en het college. Voorts hebben het college en [belanghebbende] ter zitting te kennen gegeven geen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het instellen van incidenteel hoger beroep.

Achtergrond van het geschil

2. Het college heeft bij besluit van 9 augustus 2010 aan [belanghebbende] een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een garage/berging op het achtererf van het perceel [locatie 2] te Heeze. Vervolgens heeft het college op 23 augustus 2010 aan [appellant sub 2] bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een winkel en een werkplaats op het achtererf van het perceel [locatie 1] te Heeze. [belanghebbende] en [appellant sub 2] hebben de aanvragen om voormelde bouwvergunningen gelijktijdig ingediend en op elkaar afgestemd, zodanig dat na realisering van de aangevraagde bouwwerken een spouwmuur zou ontstaan bestaande uit de beide zijmuren van de bouwwerken op de kadastrale perceelsgrens. [appellant sub 2] heeft vervolgens de uitbreiding van de winkel en werkplaats gebouwd. [belanghebbende] heeft de vergunde garage/berging nog niet gerealiseerd. [belanghebbende] stelt dat dat ook niet meer mogelijk is, omdat door [appellant sub 2] is gebouwd op het perceel van [belanghebbende] met overschrijding van de perceelsgrens. Bij brief van 27 mei 2014 dient [belanghebbende] bij het college een verzoek om handhaving in, omdat [appellant sub 2] heeft gebouwd in afwijking van de aan hem verleende bouwvergunning. Het college heeft in het besluit van 19 november 2014 geweigerd handhavend op te treden. Bij besluit van 2 juli 2015 heeft het college het bezwaar van [belanghebbende] daartegen gegrond verklaard en [appellant sub 2] alsnog gelast de overtreding, bestaande uit het bouwen in afwijking van de bij besluit van 23 augustus 2010 verleende bouwvergunning, ongedaan te maken en te houden. Het college heeft hierbij, onder meer, de aard en omvang van de overtreding, het algemeen belang van bestuurlijke handhaving en het belang van [belanghebbende] bij het alsnog kunnen realiseren van het aan hem vergunde bouwwerk, van belang geacht.

Hoger beroep van [appellant sub 2]

3. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het door [belanghebbende] ingediende verzoek om handhaving ziet op handhaving van artikel 5:54 van het Burgerlijk Wetboek, omdat [belanghebbende] het college vraagt om handhavend op te treden tegen het bouwen op het perceel van [belanghebbende].

3.1. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet heeft onderkend dat het door [belanghebbende] ingediende verzoek om handhaving ziet op handhaving van artikel 5:54 van het Burgerlijk Wetboek. Hierbij is van belang dat [belanghebbende] in zijn verzoek om handhaving van 27 mei 2014 stelt dat het door [appellant sub 2] gerealiseerde bouwwerk op zijn perceel is gebouwd, terwijl de aan [appellant sub 2] verleende bouwvergunning voorziet in een bouwwerk tot op de perceelsgrens en dat [belanghebbende] in dit verband het college verzoekt om handhavend op te treden tegen bouwen in afwijking van de vergunning door [appellant sub 2].

Het betoog faalt.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat het door [appellant sub 2] gerealiseerde bouwwerk niet is gebouwd conform de aan hem bij besluit van 23 augustus 2010 verleende bouwvergunning en dat het college derhalve bevoegd is handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

5. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat faalt dit betoog. De rechtbank heeft in dit verband terecht in aanmerking genomen dat het bouwplan in strijd is met artikel 8.2.2, onder f, van de planregels behorende bij het bestemmingsplan "Kom Heeze" en dat het college ter zitting van de rechtbank te kennen heeft gegeven dat het niet voornemens is medewerking te verlenen aan legalisatie van de overtreding.

6. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhavend optreden onevenredig is in dit geval. Hij voert hiertoe aan dat de aard en ernst van de overtreding beperkt is, nu zijn oude inmiddels afgebroken schuur meer dan 20 jaar over de perceelsgrens van [belanghebbende] heeft gestaan. Verder betoogt hij dat handhavend optreden thans onevenredig is, omdat de nieuwe bebouwing reeds vierenhalf jaar aanwezig is, het gaat om een overschrijding van de breedtematen zoals opgenomen in de onherroepelijke bouwvergunning van 23 augustus 2010 van 5,00 cm en het afbreken van het bouwwerk voor hem nadelige financiële gevolgen met zich brengt.

6.1. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom handhavend optreden in dit geval niet onevenredig is, nu de vaststelling dat het bouwwerk verder op het perceel van [belanghebbende] is gebouwd dan in eerste instantie aan het besluit van 2 juli 2015 ten grondslag is gelegd onvoldoende is om tot dat oordeel te komen. Het college voert hiertoe aan dat het college in het besluit op bezwaar een zwaarwegend belang heeft toegekend aan de omstandigheid dat [belanghebbende] geen gebruik meer kan maken van de aan hem bij besluit van 9 augustus 2010 verleende bouwvergunning. Daarnaast voert het college aan dat het bouwen in afwijking van de bouwvergunning in strijd met het bestemmingsplan geen overtreding van geringe aard en ernst is en dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat in dit geval het tijdsverloop van vierenhalfjaar en de beweerdelijke ingrijpende bouwkundige gevolgen van de gelaste ingreep niet met zich brengen dat wegens bijzondere omstandigheden niet handhavend kan worden opgetreden.

6.2. De rechtbank heeft overwogen dat het bouwen in afwijking van de verleende bouwvergunning geen overtreding van geringe aard en ernst is en dat in het door [appellant sub 2] genoemde tijdsverloop geen grond wordt gezien voor het oordeel dat handhavend optreden wegens bijzondere omstandigheden onevenredig is. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college ten tijde van het besluit van 2 juli 2015 uitging van een afwijking van de aan [appellant sub 2] verleende bouwvergunning van 5,00 cm, maar dat gelet op de door [belanghebbende] overgelegde tekening van Tenback projecten B.V. van 6 januari 2015 en de door het college overgelegde tekening van Maatvoeren & Landmeten van 11 november 2015 is gebleken dat de zijmuur 18,00 cm tot 30,50 cm in zuidoostelijke richting is geplaatst en daarmee 13,00 cm tot 25,50 cm op het perceel van [belanghebbende] is gebouwd. Handhavend optreden leidt er volgens de rechtbank in dat geval toe dat ofwel het gehele bouwwerk zal moeten worden afgebroken ofwel de gehele zijmuur van het bouwwerk over een aanzienlijke afstand zou moeten worden verplaatst. Volgens de rechtbank heeft derhalve geen correcte afweging plaatsgevonden in het kader van de beoordeling van de evenredigheid van het handhavend optreden.

6.3. Anders dan [appellant sub 2] betoogt heeft de rechtbank terecht overwogen dat bouwen in afwijking van de aan hem verleende bouwvergunning geen overtreding van geringe aard en ernst is. Hierbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat ten gevolge van de overtreding het bouwplan van [belanghebbende], waarvoor bij besluit van 9 augustus 2010 een bouwvergunning is verleend, niet meer conform die vergunning kan worden gerealiseerd.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de omstandigheid dat de nieuwe bebouwing al vierenhalf jaar aanwezig is geen bijzondere omstandigheid is in verband waarmee van handhavend optreden dient te worden afgezien. De door [appellant sub 2] gestelde omstandigheid dat de voorheen aanwezige bebouwing op het perceel ook was gebouwd over de perceelsgrens is niet een bijzondere omstandigheid die het college noopte van handhavend optreden af te zien, nu in het onderhavige geval niet de voorheen op het perceel aanwezige bebouwing aan de orde is, maar de bebouwing die [appellant sub 2] heeft opgericht nadat hem op 23 augustus 2010 vergunning was verleend.

Gelet op het voorgaande falen de betogen van [appellant sub 2] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de overtreding van geringe aard en ernst is en dat bijzondere omstandigheden bestaan op grond waarvan het college behoorde af te zien van handhavend optreden.

6.4. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Hoger beroep van het college

6.5. Het college heeft ter zitting van de Afdeling aan de hand van de tekeningen van 6 januari 2015 en 11 november 2015 van Tenback Projecten B.V. en Maatvoeren & Landmeten afdoende toegelicht dat het betoog van [appellant sub 2] dat de overschrijding van de bij besluit van 23 augustus 2010 vergunde situatie slechts enkele centimeters zou bedragen niet kan worden gevolgd, nu uit deze tekeningen kan worden afgeleid dat 13,00 cm tot 25,50 cm op het perceel van [belanghebbende] is gebouwd en het bij besluit van 23 augustus 2010 vergunde bouwwerk, gelet op de bij dat besluit behorende tekeningen, voorzag in een bouwwerk tot de zijdelingse perceelsgrens. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank op zich terecht overwogen dat het college in het besluit van 2 juli 2015 is uitgegaan van een overschrijding van de breedtematen van de bij besluit van 23 augustus 2010 verleende bouwvergunning van 5,00 cm, terwijl uit de voormelde tekeningen van 6 januari 2015 en 11 november 2015 kan worden afgeleid dat 13,00 cm tot 25,50 cm op het perceel van [belanghebbende] is gebouwd. Dit brengt echter, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet met zich dat het college bij besluit van 2 juli 2015 niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom handhavend optreden in dit geval niet onevenredig is. Hierbij is van belang dat, gelet op hetgeen hiervoor onder 6.3 is overwogen, het bouwen over de perceelsgrens gelet op de omstandigheid dat [belanghebbende] het aan hem vergunde bouwplan niet meer kan realiseren, geen overtreding van geringe aard en ernst is. Voorts is hierbij van belang dat het college in hoger beroep terecht heeft aangevoerd dat een vergelijking met de in het besluit van 19 november 2014 genoemde uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2014 in zaak nr. 201307452/1/A1 in dit geval niet opgaat. Daarbij is van belang dat het in de onderhavige zaak aan de orde zijnde bouwplan een wezenlijk andere situatie betreft dan het in die procedure aan de orde zijnde bouwplan. In dit geval is een werkplaats gebouwd op de begane grond en in de zaak van 29 oktober 2014 is een woning gebouwd met een hoogte van 6,00 m. Daarnaast is in dit geval gebouwd over de perceelsgrens, terwijl in het in voormelde procedure aan de orde zijnde geval op het eigen perceel is gebouwd, waarbij de op grond van de bouwvergunning aan te houden afstand tot de zijdelingse perceelsgrens van 1,88 m gemiddeld 15 cm kleiner was dan vergund. Voorts is, anders dan in het voormelde geval, het college niet bereid de gerealiseerde bebouwing in een toekomstig bestemmingsplan te legaliseren. Dat de overschrijding van de perceelsgrens groter is dan de overschrijding waarvan het college in eerste instantie is uitgegaan betekent nog niet dat daarmee, gelet op de mogelijk grotere financiële gevolgen voor [appellant sub 2], het college in dit geval niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot handhavend optreden. In dit verband betoogt het college terecht dat de geconstateerde grotere overschrijding juist met zich brengt dat in dit geval, gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhavend optreden, en het zwaarwegende belang van [belanghebbende] bij het alsnog kunnen realiseren van het aan hem vergunde bouwplan, er te meer reden is handhavend op te treden.

Het betoog slaagt.

6.6. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande niet onderkend dat het college zich in het besluit van 2 juli 2015 in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat handhavend optreden in dit geval niet onevenredig is.

7. Het hoger beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzieningenrechter het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 2 juli 2015 van het college alsnog ongegrond verklaren.

8. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 december 2015 in zaak nr. 15/2342;

III. verklaart het door [appellant sub 2] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Vermeulen

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2016

700.