Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:659

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
201503426/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:2507, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 mei 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten buiten behandeling gelaten.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503426/1/A3.

Datum uitspraak: 9 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2015 in zaak nr. 14/10172 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten buiten behandeling gelaten.

Bij besluit van 30 september 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.M.C. Niederer, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.S. Imanse, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het door het college buiten behandeling gelaten verzoek van [appellant] van 15 april 2015 betreft de openbaarmaking van alle documenten met betrekking tot de Ondernemingsraad van de gemeente Den Haag (hierna: de OR), over het jaar 2012 en 2013. [appellant] heeft zijn verzoek bij brief van 7 mei 2014 gepreciseerd door te laten weten dat hij doelt op de vergaderagenda's, de notulen van vergaderingen en de jaarverslagen van de OR, waar de juridische afdeling onderdeel van uitmaakt, door het college in het besluit van 20 mei 2014 nader aangeduid als de OR van de Bestuursdienst van de gemeente Den Haag.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van deze documenten in redelijkheid buiten behandeling heeft kunnen laten. De rechtbank heeft daartoe ten onrechte overwogen dat [appellant] heeft nagelaten een bestuurlijke aangelegenheid aan te duiden.

2.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document waarover hij informatie wenst te ontvangen. Gelet op het doel van de Wob houdt het begrip "bestuurlijk" in: het openbaar bestuur in al zijn facetten. Het betreft niet alleen het externe optreden van het bestuur, maar ook de interne organisatie. De Afdeling verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 2.5. van haar uitspraak van 21 januari 2009, nr. 200807348/1 . De vergaderagenda's, de notulen van vergaderingen en de jaarverslagen van de OR betreffen de interne organisatie van de gemeente Den Haag en moeten derhalve worden aangemerkt als documenten over een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van de Wob. Het vermelden in een verzoek om openbaarmaking van de op een bestuurlijke aangelegenheid betrekking hebbende documenten is, gelet op de tekst van artikel 3, tweede lid, van de Wob, behoudens eventueel noodzakelijke precisering van een verzoek als bedoeld in het vierde lid indien dit te algemeen is geformuleerd, voldoende om op grond van die bepaling als een verzoek als bedoeld in de Wob in behandeling te worden genomen. Het college heeft dit, door tevens te blijven verlangen dat [appellant] duidelijk maakt op welke bestuurlijke aangelegenheid zijn verzoek betrekking heeft, niet onderkend en de rechtbank, het college volgend, evenmin.

Het betoog slaagt. De overige hogerberoepsgronden behoeven geen bespreking.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 30 september 2014 vernietigen wegens strijd met artikel 3, tweede lid, van de Wob. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het door het college te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van [appellant] slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2015 in zaak nr. 14/10172;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 30 september 2014 kenmerk B.3.14.1885.001;

IV. bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1488,00 (zegge: veertienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 413,00 (zegge: vierhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Zegveld

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2016

43.