Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:633

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
201504376/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:2078, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2014, voor zover hier van belang, heeft het college het verzoek van [appellant] om jegens [partij] bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen vanwege bouwwerken en handelingen op de percelen [locatie] te Zweeloo afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504376/1/A4.

Datum uitspraak: 9 maart 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Zweeloo, gemeente Coevorden,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 april 2015 in zaak nr. 14/4179 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Coevorden.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2014, voor zover hier van belang, heeft het college het verzoek van [appellant] om jegens [partij] bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen vanwege bouwwerken en handelingen op de percelen [locatie] te Zweeloo afgewezen.

Bij besluit van 7 augustus 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2016, waar [appellant], in persoon, bijgestaan door mr. K. Faber, advocaat te Groningen, het college, vertegenwoordigd door E. Mistrić-Kučuković, werkzaam bij de gemeente, en [partij], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft het verzoek van [appellant] van 23 december 2013 om handhavend optreden afgewezen wat betreft het zonder omgevingsvergunning bouwrijp maken van gronden, verwijderen van puin uit de bodem, afgraven van gronden langs de grens van het perceel, aanleggen van een weg en het aanwezig hebben van een woonunit.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte het wijzigingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied Zweeloo - Plan van wijziging ten behoeve van het verplaatsen van een grondgebonden bedrijf naar de Schapendijk te Zweeloo" (hierna: het wijzigingsplan) van toepassing heeft geacht. Daartoe voert hij aan dat het wijzigingsplan niet ziet op de kadastrale percelen G3100/G3101, waarop de zeecontainer is voorzien, maar alleen op het kadastrale perceel G3099. [appellant] stelt in dit verband dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de toelichting bij het wijzigingsplan niet bindend is. Hij acht de overweging van de rechtbank dat de plankaart en planvoorschriften van het wijzigingsplan, in samenhang, duidelijk zijn, onjuist. Voorts betwist hij dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, voor de reikwijdte van het wijzigingsplan niet relevant is hoe de kadastrale percelen plaatselijk bekend zijn.

3. Op 1 maart 2005 heeft het college het wijzigingsplan vastgesteld. De in dat plan begrepen gronden hebben de bestemming "Jonge veldontginningen", met de nadere aanduiding "grondgebonden agrarisch bedrijf". De Afdeling heeft in het kader van een aan [partij] bij besluit van 5 september 2013 van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor de bouw van een woning met garage en paardenstal overwogen dat het wijzigingsplan ook ziet op de kadastrale percelen G3100/G3101 (uitspraak van 4 november 2015 in zaak nr. 201500297/1/A1). De Afdeling ziet geen aanleiding thans tot een ander oordeel te komen.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college, door het advies van de bezwarencommissie niet in zijn geheel over te nemen, het bij de rechtbank bestreden besluit met vooringenomenheid heeft genomen.

4.1. Ingevolge artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt indien de beslissing op bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies met die beslissing verzonden.

4.2. De Commissie voor de Rechtsbescherming heeft op 30 juni 2014 aan het college advies uitgebracht over het bezwaar van [appellant]. Het college heeft het advies wat betreft de toepasselijkheid van het wijzigingsplan niet overgenomen. Het college heeft in overeenstemming met artikel 7:13, zevende lid, van de Awb, bij het bij de rechtbank bestreden besluit gemotiveerd waarom het is afgeweken van het advies. In de enkele omstandigheid dat het college het advies niet geheel heeft overgenomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van vooringenomenheid van het college bij het nemen van het besluit op bezwaar.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Sorgdrager w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2016

163.